Mila gaat op reis naar het kleine eiland van de groene vuurtoren. Ze is drie jaar. Haar rugzak is klein en zacht. Mama loopt mee. Papa zwaait naar de boot.
De boot wiegt zacht. De zee glinstert. Mila kijkt naar de meeuwen. "Kijk," zegt ze. "Een meeuw!" Mama lacht. De boot stopt bij het eiland. Het zand is warm. De vuurtoren staat hoog en rood-wit.
Mila loopt hand in hand met Mama. Ze ruikt bloemen. Ze ziet krabben krabbelen. "Hallo krabje," fluistert Mila. Een oude man met een mand komt langs. Hij heet Tom. Tom vertelt over de vuurtoren. "Hier woont de wind," zegt hij. Mila luistert.
Ze vindt een klein kaartje op de grond. Het kaartje heeft plaatjes van bloemen, stenen en sterren. Op het kaartje staat: tel met je hart. Mila begrijpt niet alles. Ze wil leren tellen op een nieuwe manier.
Mila en Mama gaan op ontdekking. Ze zoeken vijf ronde stenen. Ze vinden er één, twee, drie. Ze zingen: "één, twee, drie." Dan klinkt de nieuwe manier. Mama zegt: "Tel niet alleen met je vingers. Tel ook met je glimlach." Mila glimlacht. Ze telt haar glimlach. Eén glimlach. Nog één. Twee glimlachen.
Ze vinden drie schelpen. Ze leggen ze op een rij. Tom komt erbij. "Tel je goede dingen," zegt Tom. "Een zonnestraal, een vleugeltje, een warme hand." Mila telt zacht: één zonnestraal, twee vleugeltjes, drie warme handen. Haar hart wordt warm.
De lucht kleurt oranje. De vuurtoren licht op. Het wordt bijna avond. Mila telt de lichtjes op de boot. Eén, twee, drie lichtjes. Ze telt de sterren die verschijnen. Eén ster, twee sterren. Ze telt de vriendelijkheid die ze voelde. Eén vriendelijkheid, twee vriendelijkheden, drie vriendelijkheden.
Even raakt Mila haar kaartje kwijt tussen de stenen. Mama helpt zoeken. Ze vindt het kaartje terug. Alles is veilig. Mila slaat haar armen om Mama. Ze voelt zich blij en moedig.
Op de terugweg telt Mila alles nog eens. Ze telt met haar handen en met haar hart. Ze telt de glimlachen, de stenen, de sterren. Thuis kruipt ze bij Mama in bed. Ze fluistert: "Ik tel mooie dingen." Mama kust haar voorhoofd.
Mila slaapt. Ze droomt van het eiland en van tellen met een glimlach. De reis was zacht. De wereld leek groter en vriendelijker. Morgen telt ze weer.