Hoofdstuk 1: Het donker in de kamer
Mats is zes jaar. Hij heeft bruin haar en grote, nieuwsgierige ogen. Overdag lacht hij vaak en speelt hij met zijn knuffelbeer Max. Maar als het avond wordt en het licht uitgaat, voelt Mats zich soms niet meer zo stoer.
Elke avond, als mama zegt: “Tijd om te slapen, Mats!” maakt zijn hart een sprongetje. Mats kijkt naar de schaduwen op de muur. Ze lijken wel rare dieren. Soms denkt hij dat er iets onder zijn bed zou kunnen zitten, of dat het donker hem zou kunnen opslokken.
Mats fluistert dan zachtjes tegen Max: “Ik vind het een beetje spannend, Max.” Max geeft geen antwoord, maar Mats weet: met Max naast zich is hij nooit echt alleen. Toch voelt hij de kriebels in zijn buik. Mama komt op de rand van zijn bed zitten.
“Ben je bang, Mats?” vraagt ze zacht.
Mats knikt. “Ja. Ik weet niet waarom, maar het donker voelt groot en eng.”
Mama glimlacht en strijkt door zijn haar. “Weet je, Mats? Bang zijn is helemaal niet gek. Iedereen is wel eens bang.”
“Echt?” vraagt Mats verbaasd.
“Echt. Weet je wat ik doe als ik iets spannend vind?” zegt mama. Ze pakt Mats' hand. “Ik adem diep in… en weer uit… En dan denk ik aan drie fijne dingen van vandaag.”
Mats probeert het. Hij ademt diep in, ruikt het frisse dekbed, en ademt weer uit. Dan fluistert hij: “Ik at een lekkere appel, ik speelde verstoppertje met Jens, en papa gaf me een knuffel.”
Zijn buik voelt een beetje rustiger nu. Mama geeft hem een kus.
“Dat heb je mooi gedaan, Mats. En weet je? Angst is als een wolkje. Het komt… en het gaat ook weer weg.”
Mats kijkt naar buiten. Er zweeft een wolk langs de maan. Hij glimlacht, een beetje.
Hoofdstuk 2: De Dappere Stappen van Mats
De volgende avond is het weer tijd om naar bed te gaan. Mats' kamer is warm en het bed ligt zacht. Maar zodra het licht uitgaat, voelt het weer groot en stil. Mats voelt de kriebels in zijn buik terugkomen.
Maar deze keer bedenkt hij zich iets. “Ik kan Max stevig vasthouden. En ik kan weer bedenken wat fijn was vandaag,” fluistert hij tegen zichzelf.
Eerst vindt Mats het een beetje lastig. Maar dan herinnert hij zich mam's woorden: Angst is als een wolkje. Het komt en het gaat. Hij zegt het zachtjes: “Het is een wolkje. Het komt en het gaat.”
Mats gluurt naar de schaduwen op de muur. Ze lijken nog steeds een beetje spannend. Maar nu weet Mats: het zijn gewoon zijn speelgoedauto's en zijn stoel. Hij denkt: “Ik ben dankbaar voor mijn auto's, want ik race ermee door de kamer. Ik ben dankbaar voor mijn stoel, want daar zit ik als ik teken.”
De schaduwen lijken minder eng als hij zo denkt. Mats ademt diep in en uit, net als mama hem leerde. Hij wordt rustig, en zijn buik voelt licht.
Er klinkt een zacht klopje. Het is papa. Hij komt nog even dag zeggen. “Ben je oké, Mats?” vraagt papa.
“Ik ben een beetje bang voor het donker,” bekent Mats, “maar ik probeer aan fijne dingen te denken. En ik houd Max vast.”
Papa lacht: “Wat goed van jou, Mats! Dat is heel dapper. Wist je dat iedereen wel eens een beetje bang is? Zelfs grote mensen.”
Mats kijkt blij op. Samen kijken ze naar de maan. De wolken schuiven voorbij.
“Zie je die wolk?” vraagt papa. “Onze angst kan net zo voorbij drijven.”
Mats knikt en lacht. “Als een wolkje,” zegt hij, “en dan komt de maan weer tevoorschijn.”
Hoofdstuk 3: De Nacht vol Sterren
Op een avond is de lucht donker en vol sterren. Mats ligt in zijn bed, Max stevig in zijn armen. Hij kijkt uit het raam en telt de sterren. Er zijn er wel duizend, denkt hij.
Het is nog steeds een beetje spannend, in het donker. Maar Mats weet nu wat hij kan doen. Hij fluistert zijn nieuwe zinnetje: “Het is een wolkje. Het komt en het gaat.”
Hij denkt aan fijne dingen: het warme melk drinken met mama, samen met papa een tekening maken, en dat Max altijd op hem wacht. Zijn hart klopt rustig.
Dan hoort hij buiten de wind zacht huilen. Mats schrikt even. Maar daarna denkt hij: “Het is gewoon de wind. Mijn huis is warm en veilig. Ik ben dankbaar voor mijn huis.”
Om zich heen hoort hij alleen het zachte ademen van Max. Hij voelt zich rustig en veilig.
Mats sluit zijn ogen. In zijn droom vliegt hij tussen de wolken, samen met Max, over de stad, over het huis van Jens, over het huis van oma. Overal branden warme lampjes.
Hij hoort mama's stem: “Bang zijn is niet erg. Je mag bang zijn. Maar weet je? Je bent ook dapper.”
In zijn droom zegt Mats tegen Max: “Ik ben dapper. Ik kan het.”
Hoofdstuk 4: Dankbaar en Dapper
De volgende ochtend schijnt de zon de kamer binnen. Mats wordt wakker met Max in zijn armen. Hij voelt zich trots. Hij denkt aan de nacht. Het was donker, hij was even bang, maar hij heeft niet geroepen. Hij heeft aan fijne dingen gedacht, diep geademd, en gewacht tot het wolkje weer voorbij was.
Tijdens het ontbijt vertelt Mats aan mama en papa: “Het donker was er weer, maar ik heb gedacht aan wat ik fijn vond en aan alles waar ik dankbaar voor ben. En ik heb tegen mezelf gezegd: het is een wolkje, het komt en het gaat.”
Papa geeft Mats een zoen op zijn hoofd. Mama knipoogt naar hem.
“Je bent echt heel dapper geweest, Mats,” zegt mama. “En weet je? Elke keer als je iets spannend vindt en toch probeert rustig te blijven, word je een beetje moediger.”
Mats voelt zich trots en blij. Hij kijkt naar Max en fluistert: “Wij zijn samen dapper.”
De rest van de dag speelt Mats buiten, lacht met zijn vriendjes, en als het avond wordt, is er weer even dat bekende gevoel. Maar nu weet Mats: het donker hoort erbij, en bang zijn mag. Het wolkje komt, het wolkje gaat. En Mats weet zeker: hij is dapper en dankbaar, elke dag een beetje meer.