Hoofdstuk 1: De Donkere Kamer
Het is avond. De zon is weg en de maan schijnt zacht door het raam. Sam en Noor zitten samen op de vloer in Sams slaapkamer. Sam is vijf jaar oud. Noor is ook vijf jaar oud. Sam heeft een grote bril en Noor rijdt in haar stoere rolstoel. Ze zijn beste vrienden.
Sam kijkt om zich heen. Zijn kamer is gezellig. Er staan knuffels op zijn bed. Er hangen tekeningen aan de muur. Maar toch voelt Sam zich een beetje bang. Als het licht uitgaat, verschijnen er misschien monsters in de kamer. Sam kruipt dicht tegen Noor aan.
“Ben je bang, Sam?” vraagt Noor zachtjes.
Sam knikt. “Ja. Soms denk ik dat er monsters onder mijn bed zijn. Of achter de kast. Monsters met grote tanden en lange armen.”
Noor kijkt rond. Ze lacht vriendelijk. “Ik zie geen monsters, Sam! Maar ik snap wel dat het eng kan voelen in het donker.”
Sam fluistert: “Wat als ze tevoorschijn komen als wij slapen?”
Noor pakt Sams hand. “Laten we samen kijken. Zullen we samen zoeken of er monsters zijn?”
Sam knikt. Met Noor bij hem voelt hij zich een beetje dapperder. Noor rijdt naar het bed. Ze kijkt eronder. Sam gaat op zijn knieën. Samen kijken ze heel goed.
Onder het bed ligt alleen een blauwe sok en een zacht konijn. Geen monsters. Achter de kast vinden ze een verloren autootje, maar geen monsters.
Sam zucht opgelucht. Maar toch… als het donker is, voelt het nog steeds spannend.
Hoofdstuk 2: Samen zoeken naar moed
Noor glimlacht. “Sam, zullen we een lampje aanlaten vannacht? Dan kunnen we zien dat er echt geen monsters zijn.”
Sam vindt dat een goed idee. Ze zoeken samen een klein nachtlampje. Het lampje geeft een warm, geel licht. Het licht maakt de kamer zacht en veilig.
Noor zegt: “Misschien zijn monsters wel alleen in je hoofd. Soms denkt je hoofd aan gekke dingen als het donker is.”
Sam denkt even na. “Ja, soms maakt mijn hoofd en mijn fantasie alles groter en spannender.”
Noor vertelt: “Weet je, ik ben soms ook bang. Soms ben ik bang dat ik niet snel genoeg kan rijden met mijn rolstoel. Of dat ik iets mis als de andere kinderen rennen. Maar als ik erover praat, voel ik me beter.”
Sam knikt. “Praten helpt mij ook.”
Ze vertellen elkaar over dingen waar ze bang voor zijn. Noor is soms bang voor harde geluiden. Sam is soms bang voor onweer. Ze luisteren naar elkaar en geven elkaar een knuffel.
Samen besluiten ze dat het oké is om bang te zijn. Iedereen is wel eens bang. Maar samen zijn ze sterk. Noor zegt: “Elke keer als je bang bent, kun je iets liefs voor jezelf bedenken. Bijvoorbeeld: ‘Ik ben moedig, ik kan het!'”
Sam zegt de woorden na: “Ik ben moedig, ik kan het!” En Noor zegt het ook. Ze lachen samen.
Hoofdstuk 3: De monstervriendelijke club
De volgende dag verzinnen Sam en Noor een leuk spel. Ze maken samen een “monstervriendelijke club”. In de club mag iedereen zijn angsten vertellen. Ze maken een bord van papier. Op het bord tekenen ze een grote lachende monster en schrijven ze: “Wij zijn moedig!”
Sam nodigt zijn zusje Emma uit om mee te doen. Noor vraagt haar buurjongen Milan. Ze komen allemaal samen in Sams kamer. Iedereen mag vertellen waar hij of zij bang voor is.
Emma is bang voor het bad, omdat het water soms te heet is. Milan vindt het spannend als het heel druk is op school. Noor en Sam luisteren goed. Ze lachen niet. Ze zeggen lieve dingen.
Samen bedenken ze oplossingen. “Als je bang bent in bad, kun je je hand opsteken en om hulp vragen,” zegt Noor. “Als het druk is op school, kun je even rustig ademhalen,” zegt Sam.
Ze oefenen samen rustig ademhalen. In en uit. In en uit. Iedereen lacht. Iedereen voelt zich een beetje dapperder.
Sam kijkt naar het monstervriendelijke bord. “We zijn allemaal moedig!” zegt hij. Noor glimlacht trots.
Hoofdstuk 4: De nacht zonder angst
's Avonds ligt Sam in bed. Het nachtlampje brandt zacht. Hij denkt aan de monstervriendelijke club. Hij denkt aan Noor. Hij denkt aan alles wat ze hebben gedaan.
Sam hoort een geluid bij het raam. Even voelt hij zijn hart sneller kloppen. Maar Sam denkt aan wat Noor heeft gezegd. “Het is oké om bang te zijn.” Hij zegt zachtjes: “Ik ben moedig, ik kan het!”
Sam kijkt om zich heen. De kamer is rustig. Zijn knuffels glimlachen naar hem. Zijn hoofd wordt rustig. Zijn buik voelt warm.
De volgende dag vertelt Sam aan Noor dat hij goed had geslapen. Noor is trots op Sam. “Zie je wel? Jij bent moedig! Ik ook! Wij allemaal!”
Sam lacht. Noor lacht. Iedereen in de monstervriendelijke club lacht. Ze weten nu: als je ergens bang voor bent, hoef je het niet alleen te doen. Je mag altijd hulp vragen. Je mag altijd samen moedig zijn.
En zo slapen Sam en Noor elke avond rustig in, met het warme, zachte licht aan en de wetenschap: samen zijn we sterk, samen zijn we dapper, samen zijn we veilig.