1. Het licht dat luisterde
Luna was elf en had een grappige gewoonte: als ze naar iets keek, leek het lichter of donkerder te worden. Niet met een knop of een afstandsbediening, maar met haar ogen. Ze noemde het haar blik-dimfunctie, en ze gebruikte het vooral om anderen te helpen zonder stampij te maken.
Die avond zat haar buurjongen Bram met zijn huiswerk in de keuken. Het lampje flikkerde alsof het een beetje verkouden was. Luna kwam binnen, legde haar boeken neer en keek rustig naar het lampje. Het flikkerde nog een keer, knikte bijna, en werd zacht. Bram keek verbaasd op.
— Hoe doe je dat? vroeg hij.
— Ik staar gewoon beleefd, zei Luna alsof ze de geheimste truc ter wereld deelde. — Het is vriendelijk kijken.
Ze lachte, en Bram lachte mee. De keuken voelde ineens als een tent vol warme sokken.
2. De kat en het nachtlampje
Die nacht hoorde Luna een zacht gesnuif. Mevrouw Rossi, de oude buurvrouw, was haar kat kwijtgeraakt. Luna trok haar schoenen aan, want sommige problemen hebben geen zin om later opgelost te worden.
De kat, een pluizig bolletje dat Muis heette, zat onder de struiken te piepen. Het straatlicht was fel, en Muis hield zijn ogen dicht. Luna keek naar het licht en het dimde tot een zacht saffier. Muis durfde tevoorschijn en sprong in haar armen.
— Dank je wel, zei mevrouw Rossi met tranen van geluk.
— Alleen maar avondlichtvriendelijkheid, zei Luna en voelde zich warm vanbinnen.
Haar blik had het licht getemd en de avond gered. Muis spinde zo hard dat Luna bijna het ritme van de straat hoorde meespinnen.
3. De grote schoolmusical
Op school was er paniek: de spotlights voor de musical deden gek. De regisseur, meneer Koek, liep rond als een kip zonder koplamp. Luna bood zich aan om te helpen. Ze liep het podium op, keek naar een van de felle lampen en deed haar gewone beleefde gezicht.
De lamp werd minder schreeuwerig, precies genoeg om de glitters van de kostuums te laten glanzen zonder de acteurs te verblinden. De kinderen oefenden nog eens en lachten. De hoofdrolspeler, Emma, fluisterde:
— Je geblik is magisch.
— Niet magisch, alleen vriendelijk, antwoordde Luna. — En een beetje oefening.
Toen de voorstelling begon, wist Luna dat iets misschien mis kon gaan. Maar ze leerde dat zelfs als een lamp weer begon te flikkeren, je rustig ademt, kijkt, en opnieuw probeert. Dat noem je veerkracht, zei meneer Koek later, terwijl hij een stuk confetti uit zijn haar plukte.
4. Het feest met de ballonnen
Op zaterdag was er een buurtfeest. Ballonnen, limonade en een springkussen vol geschreeuw. Luna hield van dat geluid, maar het grote feestlicht in het midden van het plein brandde zo fel dat de volwassenen elkaar moesten schreeuwend verstaan.
Luna vond het grappig. Ze nam een kleinigheidje-serieuze-blik en het middenlicht werd zacht en warm als sinaasappelsap. De volwassenen begonnen te fluisteren in plaats van te schreeuwen en de kinderen bleven springen tot ze duizelig werden van plezier.
— Hoe kun je zo rustig blijven? vroeg een buurman.
— Ik oefen, zei Luna. — En als iets niet lukte, probeerde ik het gewoon nog een keer. Dat is hoe je sterker wordt.
Ze hielp een meisje dat bang was van de donkere schaduwen achter de kraam met suikerspinnen. Luna keek zacht naar de schaduw en zei: — Kijk, hij is gewoon een lange vriend die ook van suikerspin houdt. Het meisje lachte en at een hele hap.
5. Een nacht zonder stroom
Op een nacht viel de stroom uit in de hele straat. Er was een gehuil van koelkasten en knipperende telefoons. Sommige kinderen sloegen alarm, anderen bleven stil van onrust.
Luna ging van raam tot raam. Ze keek naar de verblindende maan en probeerde haar blik kleiner te maken zodat het alleen zacht scheen binnen bij de huizen waar het nodig was. In een appartement huilde een klein broertje omdat hij bang was voor het donker. Luna keek naar het hoekje van de kamer en het scheen nu als een zacht kaarslicht.
— Het is oké, zei Luna. — Alles kan één nacht even raar doen. We gaan het samen oplossen.
Ze organiseerde een rijmpjeswedstrijd bij het trapgat en iedereen deed mee, en dat gaf meer licht dan lampen ooit konden. De buurman met de gitaar speelde zacht en Luna zonk met nog meer oefening in haar blik. Haar adem werd langzaam. Ze voelde zich sterk omdat ze had geprobeerd, en dat had geholpen.
6. Tot morgen
De volgende ochtend waren de lichten weer aan. Mensen liepen met koffie als kleine lampjes in hun handen. Luna voelde zich moe en blij tegelijk. Ze had die nacht geleerd dat als iets even donker wordt, je niet hoeft op te geven. Je kijkt opnieuw, probeert rustig te zijn, en helpt anderen mee proberen.
In de avond kroop ze in bed. Haar kamer had het licht dat ze zelf zacht had gemaakt: precies genoeg om sterren in schilderijen te laten slapen. Ze dacht aan Muis, aan de musical en de feestballonnen. Alles had goed uitgepakt, zonder geroepen oplossingen, maar met kleine blikken en veel proberen.
Ze sloot haar ogen, haalde nog één keer diep adem en fluisterde naar de kamer alsof het haar beste vriend was: — Tot morgen, lieve wereld.
En daarna zei ze, heel zacht, à demain.