Hoofdstuk 1
Lotte is zes jaar. Ze draagt een geel regenjasje met stippen. Ze houdt van tekenen en van kaarten. In de vensterbank van haar kamer liggen potloden en een klein notitieboekje. Daar tekent ze alles wat ze ziet.
Op een ochtend ruikt het naar vers gebakken brood in het dorp. De zon speelt in de bladeren van de grote linde op het plein. Het plein is warm en gezellig. Er staat een fontein, een bakker, een bankje waar opa Jan altijd luistert naar vogels.
Maar er is iets raars. Op het bord van de bakker hangt een briefje: "Mijn hondje Puk is weg." De letters zijn gekrabbeld. Lotte leest het en voelt een prikkeling in haar buik. Een mysterie! Dat betekent dat ze moet onderzoeken.
Ze pakt haar rugzak. Er zitten een vergrootglas, een potlood, een lintmeter en haar notitieboekje in. Ze tekent eerst een kleine kaart van haar kamer. Dan trekt ze haar laarsjes aan en loopt naar het plein.
"Ga je mee?" vraagt ze aan haar buurmeisje Noor. Noor knikt. Samen stappen ze het plein op. Lotte houdt het briefje nog vast. Ze leest het hardop: "Puk is weg. Hij is een klein wit hondje met één zwart oor."
"Dat is erg," zegt Noor. "We moeten helpen."
Lotte voelt zich dapper. "We maken een kaart," zegt ze. "Een speurkaart. Zo vinden we aanwijzingen makkelijker." Ze haalt haar potlood en begint te tekenen. Eerst het plein: de fontein, de bakker, het bankje, de linde. Ze tekent ook kleine pijltjes en schrijft "start" bij de bakker.
Hoofdstuk 2
Ze vragen aan de bakker. "Heb je Puk gezien?" vraagt Noor. De bakker schudt zijn hoofd. "Niet vandaag. Maar ik heb gisteren een klein hondje gezien bij de kleurrijke markt." Hij wijst naar de marktstraat.
Lotte schrijft het op. Ze tekent de markt met kraampjes vol fruit en bloemen. "Laten we die kant op," zegt ze. Ze lopen naar de markt. Onderweg let Lotte op voetafdrukken in de zachte modder bij de fontein. Ze buigt zich voorover met haar vergrootglas.
"Kijk!" roept ze. Er zijn kleine pootafdrukken, en één grotere schoenafdruk. De pootjes zijn klein en rond, precies zoals een klein hondje. De schoenafdruk is van een laars met een ster erop. Lotte tekent de sporen op haar kaart.
Bij het bloemenkraam praat een oude vrouw. "Ik zag gisteren een kind met een laars met een ster. Ze had een grote tas vol speelgoed," zegt de vrouw. "Ze liep richting het park."
Lotte knikt en trekt een pijl naar het park op haar kaart. Haar handen trillen een beetje van spanning, maar ze voelt zich sterk. "Courage," fluistert ze tegen zichzelf. Ze weet dat dapper zijn soms betekent vragen stellen en goed kijken.
In het park vinden ze een veer op de grond. Het is felblauw. Puk heeft geen veren, maar in het park wonen ganzen en een vogel met blauwe veren. Lotte legt de veer op haar kaart bij een tekening van een bankje. "Misschien speelde Puk met vogels?" zegt Noor. "Of iemand nam hem mee naar de vijver."
Ze volgen de paden en komen bij een klein bosje. Daar ligt een stuk touw en een rode wol. Lotte kruipt dichterbij en ruikt aan de wol. Het ruikt naar appelmoes. "Dat is raar," zegt Noor. "Wie eet appelmoes in het bos?"
Lotte tekent het touw en de wol. De kaart begint vol te raken met kleine tekeningen en vraagtekens. Ze stapt over een omgevallen boom en vindt een plukje wit haar vast aan een tak. "Puk!" fluistert ze. Het is een aanwijzing, maar het is nog geen bewijs.
Net dan hoort ze gelach. Twee kinderen zitten op een houten brugje en gooien brood naar de eendjes. Eén van de kinderen draagt laarzen met sterren. Lotte gaat naar hen toe. "Hebben jullie een hondje gezien?" vraagt ze.
Het kind met de laarzen schudt. "Nee, alleen onze boneka," zegt hij en wijst naar een knuffel op zijn rug. De andere jongen houdt een bal vast. "We vonden een klein botje naast de vijver," zegt hij. Hij geeft het botje aan Lotte. Het botje is klein en wit.
Lotte bekijkt het botje door haar vergrootglas. "Het is van een speelgoedknuffel," zegt ze. "Of van een klein stuk van iets dat op een hond lijkt." Ze voegt het botje toe op haar kaart. Haar lijntjes vormen nu een pad door het park naar de vijver.
Hoofdstuk 3
Bij de vijver klapt een grote eend op het water. Noor wijst naar een klein houten huisje aan de rand. "Daar wonen de opa's van het plein," zegt ze. "Misschien weten zij iets."
De twee oude mannen zitten op het bankje en knopen vislijnen. Ze zien vriendelijk uit. Lotte vraagt zacht: "Heeft iemand Puk gezien?" Eén van de opa's glimlacht. "Ja," zegt hij. "Een wit hondje kwam gisteren naar mij toe. Hij was nat en trilde. Hij volgde een klein meisje met een rugzak. Ze liep snel weg richting het labyrint van struiken."
Lotte tekent het labyrint. Ze voelt haar hart een beetje sneller kloppen. Het labyrint is een doolhof van lage heggen naast het plein. Ze rent erheen met Noor.
In het labyrint vinden ze kleine stukjes papier met tekeningen: een bloem, een ster, een appel. De tekeningen lijken op iets dat kinderen zouden achterlaten. Lotte knielt neer en verzamelt de papiertjes. "Deze zijn als een route," zegt ze. "Alsof iemand aanwijzingen neerlegde."
Ze volgen de papiertjes en komen bij een houten hut. Voor de hut ligt een mand met knuffels. En daar, tussen de knuffels, zit Puk. Hij kwispelt en blaft blij. Naast de hut staat een klein meisje met een rugzak met speelgoed. Ze ziet verdrietig maar opgelucht uit.
Lotte knielt neer en aait Puk. "Gevonden!" roept ze. Het meisje begint te huilen. "Ik vond hem gisteren op het plein," zegt ze. "Hij trilde. Ik dacht dat hij van mij was. Ik nam hem mee naar huis en wilde hem niet kwijt. Ik wilde geen problemen. Ik verstopte hem, zodat niemand hem zou vinden."
Noor legt een hand op de schouder van het meisje. "Maar Puk hoort bij de bakker," zegt ze zacht. "Hij is geliefd. Hij mist zijn huis." Lotte kijkt naar het meisje en ziet dat ze bang is. "Ben jij ook bang geweest?" vraagt Lotte.
Het meisje knikt. "Ik was bang om alleen te zijn," fluistert ze. "Ik denk dat ik zo wilde dat iemand van mij hield."
Lotte voelt medeleven. Ze pakt haar potlood en tekent snel een hartje op haar kaart. "We moeten eerlijk zijn," zegt ze. "Maar we kunnen ook vriendelijk zijn. Kom met ons mee, en we zorgen dat Puk veilig terugkomt. Jij mag mee naar de bakker als je wilt."
Het meisje kijkt op, verrast. Ze veegt haar tranen weg en knikt. Samen lopen ze naar het plein. Onderweg praat Lotte zacht en vrolijk zodat het meisje zich minder bang voelt.
Bij de bakker staan mensen. De bakker ziet Puk en rent naar hen toe. "Puk!" lacht hij en tilt hem op. Puk likt de bakker en het meisje. Iedereen lacht en klapt. De bakker bedankt Lotte en Noor. Hij geeft het meisje een klein broodje en zegt: "Dank je dat je zo eerlijk bent nu. Iedereen maakt fouten. Het belangrijkste is dat je goed doet."
Lotte voelt haar borst warm worden. Ze was dapper. Ze vroeg, ze luisterde en ze hielp. Het meisje kijkt naar Lotte en zegt timide: "Dank je."
Hoofdstuk 4
Op het bankje bij de linde tekenen Lotte en Noor de laatste lijnen van hun kaart. De kaart toont het hele onderzoek: de bakker, het plein, de pootafdrukken, de markt, de veer, het touw, de papiertjes die een pad vormden en de hut in het labyrint. Rondom tekenen ze kleine symbolen: een ster voor de laars, een veer voor de vijver, een hart voor de vriendschap.
De mensen van het plein komen samen. Opa Jan zegt: "Wat een slimme kleine onderzoeker." De bakker geeft Lotte een warme bol met suiker. Noor deelt het in tweeën.
Lotte voelt trots. Ze hangt de kaart aan een houten prikbord naast het bakkerijbord. Iedereen kan de kaart zien. Het meisje staat ernaast en houdt Puk vast. Ze glimlacht naar Lotte.
"Waarom teken je altijd kaarten?" vraagt Noor. Lotte kijkt naar haar kaart en zegt: "Kaarten helpen mij denken. Ze laten waar we zijn en waar we heen moeten. En ze laten zien hoe vrienden elkaar kunnen vinden."
De dag zakt langzaam naar avond. De linde geeft schaduw en de fontein flikkert. Lotte pakt haar potlood en schrijft iets onderaan de kaart. Ze schrijft haar naam en een kleine tekening van een vergrootglas. Dan zet ze een handtekening: "Lotte, kleine onderzoeker."
Ze voegt er een klein bericht bij: "Als je ooit iets verliest, vraag om hulp. Samen vinden we het." Ze stempelt het met een tekening van een ster.
Het plein voelt nu nog gezelliger. Mensen praten zacht en lachen. Het meisje geeft Puk een laatste aai. "Dank je," zegt ze tegen Lotte. Lotte glimlacht en voelt zich dapper en warm van binnen. Ze weet dat moed soms betekent vragen stellen en zeggen wat je voelt.
Voordat ze naar huis loopt, vouwt ze de kaart nog één keer fijn. Ze plakt een klein papiertje op de kaart met haar handtekening erover: "Getekend door Lotte." Ze hangt de kaart goed vast in haar rugzak. "Voor als iemand hulp nodig heeft," zegt ze.
Die nacht, in bed, denkt Lotte aan het plein, aan de fontein en aan de kleine voetafdrukken die alles begonnen. Ze sluit haar ogen en droomt van nieuwe kaarten en nieuwe vriendschappen. Ze weet dat er altijd meer mysteries zullen zijn. Maar ze weet ook dat ze dapper genoeg is om ze op te lossen, met potlood, kaart en een vriend aan haar hand.