Lisa doet haar sportschoenen aan. Ze lacht. Haar broek is groen en haar shirt is blauw. Lisa is voetbalster. Buiten is het veld groot en groen. De zon schijnt zacht. Vogels zingen.
Lisa rolt de bal met haar voet. “Kom op, bal!” roept ze blij. De bal rolt vrolijk over het gras. Haar vriendinnen staan klaar. Ze lachen samen.
Lisa rent naar de bal. Ze tikt hem zacht naar haar vriendin. “Goed gedaan!” zegt haar vriendin. Lisa klapt in haar handen. Haar coach kijkt trots. “Samen spelen is leuk!” zegt de coach.
Het spel begint. Lisa loopt, stopt en schiet de bal met haar voet. De bal rolt naar het doel. De keeper pakt de bal. “Wat knap!” roept Lisa. De keeper lacht. Iedereen is blij.
Lisa valt even op het gras. Haar knie doet een beetje pijn. Ze kijkt naar haar knie. Haar vriendin komt snel. “Alles goed?” vraagt ze. Lisa knikt. Haar vriendin helpt haar op. Samen lachen ze weer.
De bal is weer bij Lisa. Ze deelt de bal met haar team. Ze roept: “Hier, neem jij!” Haar vriendin schiet en… het is bijna een doelpunt! Iedereen klapt en juicht. Ook als de bal er niet in gaat, blijft iedereen blij.
Na het spel drinken ze water. Lisa zegt: “Met elkaar spelen is fijn. We helpen elkaar.”
Lisa zwaait naar haar vriendinnen. Ze voelt zich sterk en vrolijk.
Samen spelen is fijn, want dan ben je nooit alleen.