Hoofdstuk 1: De Eerste Zomerdag
Het was eindelijk zomervakantie. Kleine Wolf lag op zijn rug in het gras, vlak naast het huis. De zon prikte zachtjes op zijn neus. Er was geen school, geen huiswerk, alleen tijd. Maar toch voelde Kleine Wolf zich een beetje alleen. Zijn vrienden waren op vakantie naar verre landen, met auto's en vliegtuigen. Zelf bleef hij thuis, samen met mama Wolf en zijn kleine zusje.
Elke ochtend vroeg hij: “Mama, gaan we nog ergens heen? Gaan we op reis? On arrive bientôt?” Mama lachte en aaide hem over zijn kop. “We zijn al op onze eigen reis, Kleine Wolf,” zei ze. “Elke dag in de zomer is een avontuur.”
Kleine Wolf zuchtte. Hij wilde wel graag een echt avontuur, iets groots. Maar in plaats daarvan hoorde hij alleen het ruisen van de bomen, het zingen van vogels en het zachte snurken van zijn zusje, die nog sliep.
Hoofdstuk 2: De Grote Reis naar de Zolder
Op een warme namiddag, toen de lucht trilde van de hitte, kwam mama Wolf met een idee. “Wat dacht je van een reis naar de zolder?” vroeg ze. “Daar liggen nog oude spullen van vroeger. Misschien vinden we wel iets spannends!”
Kleine Wolf sprong op. “On arrive bientôt?” vroeg hij nieuwsgierig. Mama knikte. “We zijn er bijna.”
Samen klommen ze de krakende trap op. De zolder rook naar stof en herinneringen. In een hoek stonden dozen vol boeken, dekens en oude kussens. Kleine Wolf vond een grote, zachte deken met sterren erop. “Kijk, mama! Kunnen we hier iets van maken?”
Mama knikte. “Bouw maar een hut. Dan zijn we op reis in ons eigen huis.”
Kleine Wolf bouwde met dekens, stoelen en kussens een echte wolfencabane. Binnen was het donker en koel. Door een spleet in de deken viel een streepje zonlicht naar binnen. Het voelde veilig en een beetje spannend. Zijn zusje kroop erbij. Ze lachten samen en fluisterden geheime verhalen.
Hoofdstuk 3: Het Avontuur in de Cabane
In de cabane was alles anders. Kleine Wolf stelde zich voor dat hij in een verre jungle was, op zoek naar schatten. Hij hoorde het tikken van de regen op het dak, het zachte gekraak van het huis, en het zachte ademhalen van zijn zusje. Ze speelden dat ze ontdekkingsreizigers waren, met een oude zaklamp als hun enige licht.
Af en toe riep Kleine Wolf: “On arrive bientôt?” Dan lachte zijn zusje. “We zijn er al, gekkie!” zei ze. Toch voelde Kleine Wolf soms dat knoopje in zijn buik. Waarom voelde hij zich nog steeds een beetje alleen?
Mama kwam koekjes brengen en kroop ook even in de cabane. Ze vertelde over haar eigen zomers, vroeger, toen ze ook thuisbleef. “Niet iedereen gaat op vakantie,” zei ze. “Soms zijn de mooiste avonturen gewoon dichtbij.”
Kleine Wolf luisterde. De cabane rook naar koekjes en warme wol. Het voelde als een echt zomerkamp.
Hoofdstuk 4: Een Dag als Geen Ander
De volgende dag scheen de zon nog feller. Kleine Wolf nam zijn potloden en papier mee de tuin in. Hij tekende de cabane, zichzelf als ontdekkingsreiziger, en zijn zusje met een grote glimlach. Hij hoorde kinderen lachen in de verte, de geur van vers gemaaid gras hing in de lucht.
Hij dacht aan de vrienden die ver weg waren. Misschien misten zij hun huis wel, of hun eigen bed. Kleine Wolf besloot een brief te schrijven. “Ik ben niet op vakantie,” schreef hij, “maar ik heb een cabane gebouwd. Het is hier net zo spannend als in een ander land.”
Zijn zusje kwam bij hem zitten. Samen maakten ze een picknick met boterhammen en limonade. Ze deelden de laatste koekjes. Kleine Wolf voelde zich minder alleen. Hij merkte dat hij eigenlijk veel avonturen beleefde, gewoon thuis.
Hoofdstuk 5: Samen Sterk
's Avonds, toen de lucht oranje kleurde en het wat koeler werd, zaten Kleine Wolf en zijn familie samen in de tuin. De vogels zongen hun laatste liedjes. Mama Wolf sloeg haar arm om hem heen. “Soms lijkt het alsof je iets mist,” zei ze zacht, “maar als je goed kijkt, zie je dat er veel moois is, zelfs dichtbij.”
Kleine Wolf knikte. Hij voelde zich warm vanbinnen. “We zijn samen op reis,” zei hij. Zijn zusje giechelde en gaf hem een knuffel.
Die nacht sliep Kleine Wolf in zijn cabane op zijn kamer. Hij hoorde het zachte geluid van de wind en voelde zich niet meer alleen. Zijn hart was vol van kleine, bijzondere herinneringen.
Hij dacht aan de zomer, aan de cabane en aan zijn familie. “On arrive bientôt?” fluisterde hij nog één keer. Maar deze keer wist hij het antwoord al: hij was precies waar hij moest zijn.