De eerste sneeuw
Kleine Eekhoorn wordt wakker. Buiten is alles wit. De bomen hebben zachte mutsen van sneeuw. De lucht is koel en helder. Kleine Eekhoorn voelt het op zijn neus. "Brrr," zegt hij zacht. Zijn huisje is warm. Een deken ligt klaar. Hij ademt diep. In, uit. Zijn hart wordt rustig.
Kleine Eekhoorn kijkt naar buiten. Hij ziet zijn vriendjes. Grote Uil zit op een tak. Mees fladdert langs. Haas rolt in de sneeuw. Iedereen lacht. Kleine Eekhoorn wil ook spelen. Maar hij voelt zich een beetje bang. De sneeuw is nieuw. De dag is kort. De zon is laag.
Kleine Eekhoorn staat op. Hij doet zijn warme jas om. Zijn pootjes tintelen. "Kom," zegt Grote Uil vriendelijk. "We spelen zacht." Kleine Eekhoorn knikt. Hij loopt voorzichtig. Zijn pootjes knisperen op de sneeuw. Het geluid is zacht en vreemd.
Het nieuwe spel
Ze maken een kring. "Wat doen we?" vraagt Kleine Eekhoorn. Mees zegt: "Sneeuwengel maken." Haas rolt en lacht. Kleine Eekhoorn wil het proberen. Hij gaat liggen. De sneeuw voelt koud. Zijn adem maakt wolkjes. Opeens voelt hij verdrietig. Zijn buik knijpt. Hij mist de zon van de zomer.
Kleine Eekhoorn haalt adem. In, uit. Hij telt tot drie. Hij denkt aan zijn warme deken. Zijn vriendjes wachten. "Probeer iets anders," zegt Grote Uil zacht. Kleine Eekhoorn bedenkt een nieuw spel. "Laten we lichtjes zoeken," zegt hij. Zijn stem is klein maar blij. "Ja," zeggen de vriendjes.
Ze lopen verder. Onder een struik glinstert iets. Het is een stukje ijs. Het vangt het licht. Kleine Eekhoorn houdt het voorzichtig vast. Het voelt koud, maar mooi. Zijn handen tintelen niet meer zo erg. Zijn hart voelt minder bang. Hij glimlacht.
Ze vinden meer lichtjes. Kleine Mos verandert in een mini-iglo. Ze leggen takjes en hopen. Ze zingen zachtjes. Het zingen maakt de koude dag warm van binnen. Kleine Eekhoorn voelt trots. Hij heeft een nieuw spel bedacht. Hij deelt het met de vriendjes. Ze klappen en zingen.
Terug naar huis
De lucht wordt oranje. De dag wordt korter. Kleine Eekhoorn voelt moe worden. Zijn ogen worden zwaar. "Nog één spel?" vraagt hij zacht. Haas zegt: "Nog één." Ze spelen tikkertje met zachte pasjes. Ze bewegen langzaam. Ze helpen elkaar. Als iemand valt, helpt een vriendje opstaan.
Dan zegt Kleine Eekhoorn: "Kunnen we het spel opnieuw doen, of iets anders spelen morgen?" Hij voelt zich veilig om dat te vragen. Grote Uil lacht. "Natuurlijk," zegt hij. "Wij spelen samen en we kiezen samen." Kleine Eekhoorn voelt zich blij en gerust.
Ze lopen naar huis. De paden zijn zacht. De sneeuw maakt kleine knisperingen. Thuis wacht de warme deken. Kleine Eekhoorn stopt zijn koude pootjes in warme sokken. Hij drinkt warme thee. Het voelt als een knuffel.
Kleine Eekhoorn praat nog even. "Vandaag was nieuw," zegt hij. "Soms voelde ik bang. Maar ik zei het. Ik ademde. Ik vroeg om hulp. En ik vond iets moois." Hij glimlacht en sluit zijn ogen.
Het huis kraakt zacht. De vloer zucht een beetje. Het geluid is bekend. Het klinkt als een wieglied. Kleine Eekhoorn luistert. Zijn adem gaat langzaam. Zijn hart klopt rustig. Buiten is het stil. Binnen is het warm.
Kleine Eekhoorn slaapt met een klein lachje. De sneeuw buiten schittert onder de maan. De vrienden dromen ook. Morgen is er weer een dag. Vandaag leerde Kleine Eekhoorn dat hij dingen kan proberen. Dat hij mag vragen. Dat de winter koud kan zijn en toch vol warmte. Het huis kraakt nog een keer, zacht en geruststellend. Kleine Eekhoorn voelt zich veilig.