Noor, Sara en Lila spelen in de tuin. Het is winter. De lucht is koel. Hun adem wordt wit. Ze dragen warme mutsen. Ze dragen zachte wanten. Ze lachen. Ze stampen in de sneeuw.
Noor wijst naar de bomen. "Kijk," zegt ze. "De takken zijn licht." Sara voelt de sneeuw. "Brr," zegt ze, maar ze lacht ook. Lila kijkt naar de lucht. De zon zakt langzaam. De middag wordt zacht. Het licht wordt goud. Het licht wordt later blauw. "De dag wordt kort," zegt Noor. "Het licht verandert," zegt Sara. Ze kijken samen.
Ze maken kleine voetstappen. Eén, twee, drie. Ze maken kringetjes met hun laarzen. Ze bouwen een klein heuveltje. Het heuveltje wordt een stoel. Ze zitten samen op het heuveltje. Hun neuzen zijn rood. Hun wangen zijn warm van het lachen.
"Zullen we iets maken?" vraagt Lila. Ze nemen een pluk sneeuw. Ze drukken het in een vorm. Ze drukken nog een keer. Ze voelen de sneeuw tussen hun vingers. De sneeuw is koud, maar zacht. Ze maken een kleine ster van sneeuw. De ster is niet perfect. Dat geeft niet. Ze noemen het een flonkerflak. Ze houden het flonkerflak dicht bij elkaar.
De zon glijdt lager. De tuin wordt rustiger. Het licht wordt oranje en paars. Het is zo mooi dat ze stil worden. "Kijk naar het licht," fluistert Noor. Het licht maakt hun schaduwen lang en smal. Ze lopen langzaam naar binnen. Hun moeder roept zacht: "Kom binnen, kleintjes." Binnen is warm. Er is een deken op de bank. Er is warme melk met een beetje koek. De meisjes zetten hun laarzen netjes weg. Dat is een klein, dapper gebaar.
Ze zitten samen onder de deken. De kamer is zacht verlicht. De meisjes praten over de dag. Ze zeggen: "De winter is koud, maar lief." Ze zeggen: "Het licht verandert en dat is mooi." Ze sluiten hun ogen en denken aan de kleine ster van sneeuw. In hun hoofd blijft een vorm hangen. Een zacht, simpel flake-vorm. Het flake-flonkertje is warm in hun hart. Ze ademen rustig. De nacht komt zacht. Ze dromen van sneeuw, licht en samen zijn.