De eerste dag
Er was eens een zwarte kraai. Zijn veren glansden als een nachtzee. Zijn naam was Karel. Karel woonde op een oude eik. De eik stond op een heuvel. Karel keek altijd naar de horizon. Hij fluisterde: "Ik wil verder, voorbij de heuvel."
Op een ochtend zei Karel tegen de wind: "Ik ga op reis." De wind lachte zacht. "Kom maar mee," zei hij. Karel pakte een kleine sjaal. De sjaal was rood als een appel. Hij voelde zich warm en dapper.
Karel vloog naar beneden. Onder de eik woonde een konijn, Liesje. Liesje zat te knabbelen. "Waar ga je heen?" vroeg ze met grote ogen. "Verder," zei Karel. Liesje lachte. "Ik ga mee," zei ze. En samen sprongen en fladderden ze heen.
De rivier van spiegel
Bij de rivier stond een eend, Daan. De rivier leek op een spiegel. In de spiegel zag Karel een zwarte vogel, maar ook een vriend. Daan keek naar Karel en zei: "Jij bent anders, maar ik houd van je lied." Karel voelde zich blij. "Anders," zei hij. "Dat is goed."
Ze kwamen bij een brug. Onder de brug zat een egel, Ella. Ella had stekels als een borstel. Ze was rustig en wijs. "Pas op," zei Ella. "Soms is de weg hobbelig." Karel knikte. "Ik wil leren," zei hij zacht.
Ze kruisten de brug. Daar zagen ze een vos, Vinnie. Vinnie glimlachte als zonlicht. Hij rook naar bessen en ham. "Waar gaan jullie heen?" vroeg Vinnie. "Voorbij de heuvel," zeiden de vrienden. Vinnie haalde zijn schouders op. "Ik ga niet ver," zei hij, "maar ik kan jullie gidsen tot het bos." Vinnie liep mee.
De dieren praatten en praatten. Ze deelden brood en water. Ze zongen kleine liedjes. "Samen is fijn," zei Liesje. "Ja," zei Karel. "Samen is warm."
Het bos van fluisterende bomen
Het bos was vol bomen die fluisterden. De bomen vertelden oude verhalen. Karel luisterde. Hij hoorde over vogelstammen, over regen en over de maan. In het bos ontmoetten ze een uil, Oma Ula. Ze had grote ogen als lampen. "Wees vriendelijk," zei Oma Ula. "Luister naar elkaar. Iedereen is anders, en dat is mooi."
Op het pad stond een klein muisje. Het muisje keek bang. "Kan ik mee?" piepte het. Karel boog neer. Zijn snavel was zacht. "Natuurlijk," zei hij. "Iedereen is welkom." De groep lachte. Ze pakten het muisje op en droegen het zacht.
De zon daalde langzaam. Een regenboog verscheen boven de heuvel. De vrienden keken omhoog. "Is de heuvel groot?" vroeg Liesje. Karel keek naar de regenboog en zei: "Elke heuvel is een verhaal. Elke vriend is een kleur."
Ze kwamen bij een plek waar de grond zacht was. Daar stond een poort gemaakt van takken en bloemen. Aan de ander kant lag het land waar Karel van droomde. Het leek op een zachte deken, vol bloemen en vogels die anders klonken.
Karel voelde zenuwen. "Wat als ik niet hoor," fluisterde hij. "Wat als ik anders wil zingen?" Oma Ula schoof haar veren iets omhoog. "Anders zingen is goed," zei ze. "Anders zijn is een lied."
Karel pakte de rode sjaal. Hij ademde in. Zijn hart klopte als een trommel. Hij sprong en vloog. De vrienden juichten. "Hoera!" riepen ze. "Hoera!"
Aan de andere kant van de heuvel vonden ze nieuwe vrienden. Een lammetje met vlekken, een schildpad met een klein huisje op zijn rug, en een merel die zacht fluisterde. Ze keken naar Karel, zwart en trots. "Welkom," zeiden ze. "Kom bij ons."
Karel voelde zich warm. Hij leerde dat verschillen zachte kleuren maakten in het grote plaatje. Hij leerde dat tolereer en delen deuren opent. Hij leerde dat moed niet altijd groot maakt, maar aardig.
Die avond lagen ze onder de sterren. De wind zong een wiegelied. Karel nestelde zich in de rode sjaal. Hij keek naar de vrienden. "Ik dacht dat ik ver weg moest gaan," zei hij zacht. "Maar ik had jullie nodig." Iedereen lachte en knikte.
En zo sliepen ze, veilig en samen. De heuvel bewaarde hun dromen. Morgen zou een nieuwe dag zijn, vol kleine avonturen en zachte verschillen.