Deel 1
Kapitein Bram was een piraat. Maar hij was een lieve piraat. Hij droeg een rode sjaal en laarzen die piep zeiden: “Piep-piep!” Als hij liep, moest iedereen lachen.
Bram voer met zijn boot, De Zoete Zeester. De zee glinsterde blauw. De meeuwen riepen hoog in de lucht.
Aan dek stond zijn bemanning: Mies de muis, Koko de papegaai en Oom Dolf de dikke dolfijn. Ja, een dolfijn op een boot. Oom Dolf zat in een natte houten bak en spoot soms een klein fonteintje. “Plop,” deed het water.
Bram hield een rol papier vast. “Dit is mijn kaart,” zei hij. “Maar er mist een stuk. Een geheim stuk.”
“Waar is het?” vroeg Mies.
“Op een eiland met drie palmen,” zei Bram. “We gaan het vinden. Dapper en slim.”
Koko flapte met zijn vleugels. “En een beetje ondeugend, kra-kra!”
De wind blies zacht. De boot ging wieg-wieg. Bram keek naar de horizon. “Vooruit, maatjes. Op naar het eiland!”
Deel 2
Na een poosje werd de lucht grijs. De zee maakte grotere bobbels. “Oei,” zei Mies zacht.
Bram knikte. “Een kleine storm. Maar wij kunnen dit.”
De regen tikte: tik-tik-tik. De wind floot: ffffoe! De boot schommelde: boem… boem…
Koko riep: “Ik ben niet bang! Ik ben… een natte held!”
Bram lachte. “Goed zo. Kijk naar mij. We blijven samen.”
Bram deed iets slims. Hij zei: “Iedereen een taak.”
“Mies, hou het touw vast.”
“Aye,” piepte Mies.
“Koko, kijk naar de wolken. Zie je een rustige plek?”
Koko kneep zijn ogen. “Daar! Een licht gat!”
“Oom Dolf,” zei Bram, “spuit water over het dek, dan glijden we niet uit.”
Oom Dolf grijnsde. “Plop-plop, komt goed.”
Bram stuurde rustig. Hij ademde in en uit. “Eén… twee… drie,” telde hij. De boot ging door de golven, als een dappere eend.
En toen… werd het stiller. De regen stopte. De wolken gingen open. De zon zei weer hallo.
Mies sprong blij. “We hebben het gedaan!”
Bram wreef over zijn sjaal. “Zie je? Dapper, slim, samen.”
Voor hen verscheen een eiland. Drie palmen zwaaiden: zwaai-zwaai-zwaai. “Daar is het!” riep Bram.
Ze stapten aan land. Het zand was warm. Er lagen schelpen, roze en wit. Er stond een rots met een krul, als een grote letter S.
Bram rolde zijn kaart uit. “De krul-rots… ja. Dan moeten we naar de lachende kokosnoot.”
“Lachende kokosnoot?” vroeg Mies.
Koko tikte op een kokosnoot. Die rolde weg. “Hihi!” deed Koko. “Ik lach al!”
Ze liepen tussen struiken. Ze vonden een boom met een kokosnoot die echt leek te glimlachen. Onder de boom lag een platte steen.
Bram voelde even. “Hier klopt het.”
Hij tilde de steen op. Daaronder zat een kleine houten kist. Niet groot. Niet zwaar. “Spannend,” fluisterde Bram, maar zijn stem bleef warm.
Bram deed de kist open. Geen goud. Geen enge dingen. Alleen een nieuw stuk kaart, netjes opgerold, met een blauw lint.
Mies klapte. “Een kaart-schat!”
“De beste schat,” zei Bram. “Want nu kunnen we de geheime plek tekenen.”
Koko zette het lint op zijn snavel. “Ik ben de kaart-koning, kra-kra!”
Oom Dolf blies een vrolijke straal. “Plop!”
Deel 3
Terug op de boot legde Bram de twee stukken bij elkaar. Het paste precies. “Kijk,” zei hij. “Een geheime baai. We gaan hem op onze kaart zetten. Dan weten we altijd de weg.”
De zee was weer rustig. De lucht was zacht oranje. Bram gaf iedereen warme koekjes. Ook Oom Dolf kreeg een vis-koekje.
Mies knabbelde. “Kapitein Bram, jij was heel moedig.”
Bram glimlachte. “Jij ook. En Koko. En Oom Dolf. We deden het samen.”
Koko legde zijn kop scheef. “Wat nu, kapitein?”
Bram keek naar de sterren die één voor één kwamen. “Nu varen we naar huis. Morgen weer een avontuur. Maar eerst… rustig wiegen.”
De boot deed wieg-wieg. De bemanning zat dicht bij elkaar. De wind zong zacht.
Bram keek naar zijn kaart. “Geheime plek, we komen later,” fluisterde hij.
En De Zoete Zeester voer verder, kalm en blij, met vrienden aan dek en een nieuwe kaart in de kist.