Jan was een jonge piraat. Hij had korte haren en een grote lach. Hij woonde op een klein schip. Het schip heette De Zeebries. "Ahoy!" riep Jan elke ochtend. "Ahoy!" riepen de meeuwen.
Jan hield van de zee. De zee was blauw en groot. De zee was zacht en soms wild. Jan leerde roeien. Jan leerde kijken naar de sterren. Jan leerde luisteren naar de wind. Hij leerde veel. Hij was dapper. Hij was slim. Hij was vriendelijk.
Op een dag zag Jan een kaart. De kaart was oud en geel. Er stond een eiland op. Het eiland had een palmboom en een rood stipje. "Een schat!" zei Jan zacht. Zijn ogen glansden. Hij pakte zijn kompas. Hij pakte zijn hoed. "We gaan op avontuur," zei hij blij.
Jan riep zijn vrienden. Er was Kaat, de kok. Ze droeg altijd een rood sjaaltje. Er was Bram, de trommelaar. Hij lachte veel. En er was kleine Muis, een kat met een pleister op haar oor. "Klaar?" vroeg Jan. "Klaar!" zeiden ze samen.
De Zeebries zeilde weg. De golven wiegden zacht. "Hup, hup," zong Jan. De wind blies door de touwen. De zee spatte een beetje. Iedereen lachte. De meeuwen floten mee. De zon scheen warm.
Na een tijdje zagen ze wolken. De wolken werden dik. "Een storm," zei Bram. Zijn stem was rustig. "We blijven samen," zei Jan. "Samen is veilig." Ze hielden de touwen vast. Ze werkten hard. Kaat rolde de zeilen in. Bram bond de vaten vast. Muis kroop dicht bij Jan. Jan sprak zacht. "Adem in. Adem uit." Ze ademde samen. De storm blies hard. De boot wiegde. De boot danste op de golven.
Jan keek naar de mast. Een tros touw zat in de knoop. Jan klom omhoog. Zijn handen waren sterk. Zijn voeten zochten klemmen. Hij vond de knoop. "Eén, twee, drie," telde hij. Hij loste de knoop. De zeilen gingen open. De boot kreeg wind. De boot vond rust. De storm praatte nog even. Toen liep alles stil. De zon kwam terug. Iedereen juichte. "Goed gedaan, Jan!" zei Kaat. "Goed gedaan," zei Bram. Muis gaf een kopje en spinde.
Ze volgden de kaart. Ze zag pelikanen, en een dolfijn sprong. De dolfijn maakte een rondje. "Hoi!" riep Jan. "Dag!" zei de dolfijn met een plons. De zee was vrolijk.
Eindelijk zagen ze het eiland. Het had groene palmen en geel zand. Het rode stipje was dichtbij. Ze gingen aan land. Hun voeten voelden warm zand. Ze namen een grote stap. "Wat zie je?" vroeg Kaat. "Een pad!" zei Jan. Het pad was gemaakt van schelpen. Het pad ging tussen bloemen door. Vlinders fladderden.
Het bos op het eiland was zacht en niet eng. Er waren gekke bomen met glimlachende bladeren. Jan voelde zich een beetje moe. Bram legde een hand op zijn schouder. "Kom," zei hij. Ze liepen verder. Plots hoorden ze een geluid. "Plop, plop." Het was een stapel kokosnoten. Een aapje zat bovenop. Het keek nieuwsgierig. "Hoi aapje," zei Jan. Het aapje maakte geluidjes. Het gooide geen kokosnoten. Het gaf een knipoog. "Mag ik mee?" vroeg Jan zacht. Het aapje sprong van boom naar boom. Het volgde.
Het pad boog naar een kleine grot. In de grot lag iets glansends. "Is dat de schat?" fluisterde Kaat. Ze klopte met haar hand op het zand. Jan durfde even niet. Hij nam een diepe adem. Hij stapte naar binnen. Zijn voeten waren warm. Het licht was zacht. Binnen lag een kist. De kist was versierd met sterren. Jan opende de kist langzaam. "Oef," zei hij. De deksel piepte. Binnen lagen geen gouden munten. Binnen lagen liedjes, tekeningen en een kaart met nieuwe avonturen. Er lag ook een glanzende schelp.
Jan lachte. "Een schat van verhalen," zei hij. "Een schat om te delen." Kaat klapte in haar handen. Bram trommelde een vrolijk deuntje. Muis sprong in de kist en vond een zacht deken. Het aapje sprong erbij en piepte blij.
Jan pakte de schelp en hield hem tegen zijn oor. Hij hoorde de zee zingen. Hij hoorde de wind vertellen over vrienden. "Dit is de mooiste schat," zei hij. "Het is een schat van samen." Ze namen de kist voorzichtig. Ze stapten terug naar De Zeebries. De zon ging langzaam onder en verfde de lucht oranje en roze.
Die avond zaten ze op het dek. Kaat maakte warme soep. Bram speelde op zijn trommel. Jan vertelde een verhaal uit de kist. "Lang, lang geleden," begon hij, en iedereen luisterde. De sterren knipperden. De zee fluisterde zacht. Muis lag op Jans schoot en spinde. Het aapje sliep tegen Kaat aan.
Jan keek naar zijn vrienden. Zijn hart voelde warm. Hij was moe maar gelukkig. Hij dacht aan de storm en aan de knoop in de mast. Hij dacht aan het aapje en aan de schelp. Hij wist dat hij dapper was geweest. Hij wist dat hij slim was geweest. Hij wist dat samen alles kon.
"Wat zullen we morgen doen?" vroeg Bram slaperig. "Nog meer avonturen," zei Jan zacht. "Maar nu slapen." Ze legden zich neer. De boot wiegde. De maan hield een oogje in het zeil. De golven zongen een zacht liedje. Iedereen droomde van nieuwe eilanden.
Jan praatte zacht in zijn slaap. "Ahoy," zei hij en lachte. De nacht was rustig en warm. De avontuur was niet voorbij. Het zou morgen verdergaan. Maar voor nu waren ze samen. Dat was het fijnste van alles.