Hoofdstuk 1
Milo was negen en noemde zichzelf graag “detective in opleiding”. Dat klonk belangrijker dan “jongen die overal zijn neus insteekt”. Op woensdagmiddag fietste hij naar de bibliotheek om een nieuw speurboek te halen. Toen hij aankwam, stond mevrouw De Vries, de bibliothecaresse, met rode wangen bij de balie.
“De sleutel van de leestoren is weg,” fluisterde ze. “Zonder die sleutel kan ik de deur niet open. En vanavond komt de voorleesclub!”
De leestoren was het ronde torentje achter de bibliotheek. Bovenin lag een klein kamertje met kussens en een klok die zacht tikte. Milo was er dol op.
Milo keek naar de deur van de toren. Het slot glom alsof iemand er net aan had gezeten. En toen merkte hij iets anders: een frisse geur, alsof iemand net zijn handen had gewassen.
“Ruikt u dat?” vroeg Milo.
Mevrouw De Vries snuffelde. “Zeep? Citroenachtig… Ja! Raar, hè?”
Milo knikte. Een sleutel die verdwijnt, en een spoor van zeep. Dat was geen toeval. Of… misschien juist wel. Milo besloot: eerst kijken, dan denken, dan pas roepen.
Hoofdstuk 2
Milo haalde zijn notitieboekje uit zijn rugzak. Op de eerste pagina schreef hij:
1) Sleutel weg.
2) Geur van citroenzeep.
3) Torendeur dicht.
Hij liep naar de kapstokhoek. Daar hing altijd een klein handdoekje voor de knutseltafel. Vandaag was het kletsnat.
“Wie heeft net geknutseld?” vroeg Milo aan een meisje dat strips zat te lezen.
“Niemand,” zei ze. “Maar Tim van de conciërge was net hier. Hij mopte over modderige voetstappen.”
Modderige voetstappen… Milo keek naar de vloer. Er waren bruine vegen, maar ze stopten bij de trap naar de toren. Alsof iemand daar had stilgestaan.
Bij de wasbak stond een pompje handzeep. Milo drukte erop. Citroengeur. Precies dezelfde.
Hij hoorde een zacht gerinkel. In de leeshoek zat Noor, zijn buurmeisje van tien. Ze had altijd haar haar vast met twee speldjes: één ster en één maan.
“Milo,” fluisterde Noor, “ik zag iets geks. Iemand deed haastig de deur van de schoonmaakkast dicht. Toen viel er iets metaalachtigs.”
“Wie?” vroeg Milo.
Noor haalde haar schouders op. “Ik zag alleen een blauwe mouw.”
Milo schreef erbij:
4) Natte handdoek.
5) Modderstrepen stoppen bij torentrap.
6) Blauwe mouw bij schoonmaakkast.
7) Metaalgeluid.
“Oké,” zei Milo. “We hebben sporen. Nu hebben we… gedachten nodig.”
Hoofdstuk 3
Milo en Noor liepen naar de schoonmaakkast. De deur was dicht, maar niet helemaal in het slot. Milo duwde heel zacht. De kast ging een kiertje open. Er kwam een wolk van schoonmaaklucht uit. En daaronder… weer die citroenzeep.
Noor trok een gezicht. “Als mijn sokken zo roken, zou ik ze ook verstoppen.”
Milo grinnikte, maar bleef serieus. Op de grond in de kast lag een blauwe rubberen handschoen. Aan de vingertoppen zat schuim, al half opgedroogd.
“Handschoenen,” fluisterde Milo. “Dus iemand maakte schoon. Met zeep.”
Hij keek naar de onderste plank. Daar stond een emmer met water. In het water dreef iets dat glom. Milo kneep zijn ogen samen. “Zie jij dat ook?”
Noor knikte. “Iets… met een ring?”
Milo pakte een grijper die naast de bezem stond en viste het glimmende ding eruit. Het was een sleutel. Groot, met een ronde kop. Maar hij durfde niet meteen te juichen. Er hingen nog druppels aan, en de sleutel rook… naar zeep.
Op de kop stond een kleine letter: T.
“Torensleutel?” fluisterde Noor hoopvol.
Milo draaide de sleutel om. Aan de andere kant zat een kras in de vorm van een klein driehoekje. Milo kende die kras. Hij had hem zelf ooit gezien toen mevrouw De Vries de sleutel liet vallen.
“Het is hem,” zei Milo. “Maar waarom lag hij in een emmer?”
Ze hoorden voetstappen. Milo schoof de kast snel dicht. Noor hield haar adem in.
Een stem klonk dichtbij: “Waar is die sleutel nou… Ik ben hem écht niet kwijt, hoor!”
Het was Tim, de conciërge.
Hoofdstuk 4
Tim kwam de hoek om, met—jawel—een blauwe werkjas. Milo stapte naar voren. “Tim, mag ik iets vragen?”
Tim schrok. “Jij weer, detective?”
“Noem me maar Milo,” zei Milo netjes. “We hebben de torensleutel gevonden. In de schoonmaakkast. In een emmer. Met zeep.”
Tim staarde even en begon toen te zuchten alsof zijn rugzak vol stenen zat. “O nee. Laat me raden. Ik heb hem in mijn eigen emmer laten vallen.”
Mevrouw De Vries kwam erbij, met haar handen in haar zij. “Tim!”
“Ik wilde helpen,” zei Tim snel. “Er waren modderstrepen op de vloer. Ik pakte de sleutel om de toren open te doen, zodat ik ook daar kon vegen. Toen gleed hij uit mijn natte handschoen. Plons. In de emmer met sop. Ik dacht: ik vis hem er straks wel uit. Maar toen riep iemand me bij de ingang. En toen… vergat ik het.”
Milo keek naar de modderstrepen die bij de torentrap stopten. “Dus jij stond daar met natte handschoenen, en de sleutel glipte weg. Daarom rook het naar zeep bij de deur.”
Tim knikte. “En ik probeerde die zeepgeur weg te krijgen door extra te dweilen. Slim, hè?”
Noor schudde haar hoofd. “Dat is geen slim. Dat is… extra schoon.”
Milo glimlachte. “Weet u wat wél slim is? Als je iets vergeet, kun je het beter meteen zeggen. Dan hoeven we niet te speuren.”
Tim krabde achter zijn oor. “Je hebt gelijk. Ik wilde alleen niet dat mevrouw De Vries boos zou worden.”
Mevrouw De Vries zuchtte, maar haar ogen werden zachter. “Ik word liever een beetje boos dan dat de voorleesclub niet doorgaat. Volgende keer: gewoon eerlijk.”
Milo schreef in zijn boekje:
Oplossing: sleutel viel in sop door natte handschoen. Zeepgeur = schoonmaakspoor.
Hij keek Noor aan. “Zie je? Eerst kijken, dan denken. Niet zomaar gokken.”
Noor knikte trots. “En vooral: ruiken.”
Hoofdstuk 5
Samen liepen ze naar de torendeur. Milo gaf de sleutel aan mevrouw De Vries. Ze stak hem in het slot. Klik. De deur ging open en de smalle trap krulde omhoog, alsof hij een geheim bewaarde.
Boven in de toren was het warm en rustig. Het raam liet strepen zonlicht binnen. De klok tikte alsof hij meedeed aan het onderzoek: tik… tik… tik.
Mevrouw De Vries legde extra kussens neer. Tim dweilde nog één keer, maar nu zonder paniek. Noor zette een kan water klaar.
Milo ging op de bovenste trede zitten en keek naar zijn notitieboekje. Hij had geleerd dat niet elk mysterie een boef nodig had. Soms had het gewoon… natte handen en een drukke dag.
Toen de kinderen van de voorleesclub binnenkwamen, fluisterde Noor: “Detective Milo, zaak gesloten?”
Milo keek naar de torendeur, die nu open stond, en naar de sleutel die veilig aan een haakje hing. Hij rook nog een heel klein beetje citroenzeep, maar nu vond hij het bijna gezellig.
“Zaak gesloten,” zei Milo. “En de les ook: sporen zijn handig, maar eerlijk zijn is nog handiger.”
Noor grijnsde. “En zeep is verdacht.”
“Alleen als je er een sleutel in wast,” zei Milo.
Boven in de toren begon mevrouw De Vries te lezen. Milo leunde achterover. Het mysterie was opgelost, iedereen was blij, en de klok tikte tevreden verder.