Hoofdstuk 1
Het begon met een leeg prikbord.
Op maandag hing het prikbord in de schoolgang er altijd een beetje slaperig bij: scheef geprikte tekeningen, een verloren briefje over zwemles, en een kalender met vlekken van lijm. Maar nu was er iets anders.
In het midden zat een rechthoek van schoner kurk. Alsof iemand daar net een poster had weggeplukt.
“De poster van het Speelpleinfeest,” fluisterde Noor, en ze wees naar de kleine gaatjes van punaises. “Die hing hier vrijdag nog.”
Noor was klein maar snel in haar hoofd. Als ze dacht, kneep ze haar ogen een beetje dicht, alsof ze een vergrootglas in zichzelf aanzette.
Naast haar stond Yara, met een notitieboekje dat ze overal mee naartoe sleepte. “Zonder die poster weet niemand hoe laat het begint,” mompelde ze. “En iedereen vergeet dan het toernooi touwtrekken. Dat kan niet.”
Mila leunde tegen de muur en tikte met haar vinger op de kurk. “Misschien is hij gewoon gevallen.”
“En dan precies netjes verdwenen?” vroeg Zoë. Zoë had altijd een grap klaar, maar haar wenkbrauwen stonden nu serieus. “Een poster loopt niet weg. Tenzij hij pootjes heeft. Kurken pootjes.”
Noor glimlachte kort. “Oké. We doen alsof het een echt raadsel is. Een zacht raadsel, maar toch. Wie heeft er belang bij dat het speelpleinfeest misloopt?”
Yara trok haar pen uit haar haar. “We beginnen met vragen stellen. En we maken niets kapot. We zoeken, we luisteren, we helpen. Afgesproken?”
“Afgesproken,” zei Mila.
“Afgesproken,” zei Zoë, en ze maakte een mini-saluut.
“Eén regel,” voegde Noor eraan toe. “Niemand beschuldigen zonder bewijs. We zijn geen roddeltornado.”
“Jammer,” zuchtte Zoë. “Ik had net een tornado-kapsel.”
Ze liepen naar het lokaal van juf Annelies om te melden dat de poster weg was. Voor de deur bleven ze even staan. Binnen klonk gedempte stem.
“...als die poster niet terugkomt, dan moeten we opnieuw printen,” zei juf Annelies. “Maar de printer doet raar.”
“En de punaises zijn ook bijna op,” zei een andere stem. “Ik heb al in de kast gekeken.”
Noor stak haar hand op, alsof ze wilde kloppen, maar stopte. Ze keek naar de anderen. “Even luisteren,” fluisterde ze.
Yara knikte, half schuldig, half nieuwsgierig. Mila beet op haar lip. Zoë deed alsof ze een geheim agent was en hield haar oor vlak bij de deur.
“Misschien heeft iemand hem meegenomen voor een grap,” zei juf Annelies. “Of om hem thuis op te hangen. Maar zonder te vragen… dat voelt niet fijn.”
“Een grap die niemand kan lachen,” mompelde Zoë.
Noor trok haar zachtjes weg van de deur. “Oké, we hebben genoeg gehoord. Nu kloppen.”
Toen ze binnenkwamen, keken juf Annelies en meester Bram op. Noor vertelde rustig wat ze gezien hadden. Juf Annelies zuchtte.
“Dank je dat je het meldt,” zei ze. “Ik wilde net naar de conciërge. Maar misschien… kunnen jullie ook helpen zoeken? Jullie zijn vier scherpe speurneuzen.”
Zoë grijnsde. “Wij zijn de Speelpleinbrigade.”
“Voorzichtig,” waarschuwde Yara meteen. “We zijn geen politie.”
“Precies,” zei juf Annelies. “Geen gedoe. Alleen kijken, vragen, en als je iets vindt: terugbrengen. We lossen dit netjes op.”
Buiten in de gang stond Noor stil. “Eerste vraag: waar kan een poster heen?”
“Overal waar mensen hem kunnen verstoppen,” zei Mila. “Kast. Tas. Prullenbak.”
Yara schreef “mogelijkheden” bovenaan haar blad.
Zoë wees naar het raam. “Of… naar het speelplein zelf. Daar hoort hij tenslotte.”
Noor knikte langzaam. “Dan beginnen we daar. Maar eerst: sporen. Op de kurk zaten nieuwe gaatjes. Dat betekent dat hij recent is weggehaald. Vrijdag na school of vanmorgen vroeg.”
“Wie was er dan hier?” vroeg Mila.
“De ochtendopvang,” zei Yara. “En de conciërge. En misschien leerlingen die vroeg kwamen.”
Noor keek naar de klok. “We hebben pauze over tien minuten. Speelplein. Daar gaan we.”
Hoofdstuk 2
De plaine de jeux—Zoë zei altijd expres die Franse woorden omdat het belangrijker klonk—lag achter de school, tussen twee rijen bomen. Het was een plek die tegelijk druk en veilig voelde: klimrekken die piepten, een zandbak met geheimen, en een glijbaan die bij nat weer naar regen rook.
Tijdens de pauze waaierden kinderen uit als mieren bij een open broodtrommel. Noor en haar vriendinnen liepen niet meteen naar hun vaste bankje. Ze keken rond.
“Waar zou je een poster ophangen als je hem had?” vroeg Noor.
“Op het hek,” zei Mila. “Of bij de ingang, zodat iedereen hem ziet.”
“Of in het speelhuisje,” zei Zoë. “Dat is de beste geheime clubplek.”
Yara wees naar de prullenbak bij het veld. “Of… daar.”
Ze begonnen bij de ingang. Op het hek hing niets nieuws. Alleen een oud briefje dat half was opgelost in de regen. Noor bukte en zag modderige schoensporen bij de poort.
“Zie je dat?” fluisterde ze.
Mila knielde erbij. “Brede zool. Met een zigzagrand. Lijkt op sportschoenen.”
“Dat heeft ongeveer iedereen,” zuchtte Zoë.
“Maar niet iedereen komt met modder het speelplein op,” zei Yara. “Het heeft gisteren niet geregend.”
Noor keek naar de bomen aan de rand. “Daar is het altijd nat. Iemand kan daar gelopen hebben.”
Ze liepen naar het speelhuisje. Binnen rook het naar hout en oude krijtjes. Op de vloer lag een verloren elastiekje en een kapot stukje krijt. Geen poster.
“Leeg,” zei Mila.
Zoë tikte tegen de wand. “Als de poster hier was, dan zou ik hem voelen. Posters hebben een aura.”
Yara keek haar droog aan. “Jij hebt ook een aura. Die ruikt naar hagelslag.”
“Dank je,” zei Zoë tevreden.
Noor ging naar de prullenbak. Ze duwde het deksel op met een stok. Bovenop lagen bananenschillen en een verfrommeld servet. Geen poster.
“Oké,” zei Noor. “We hebben nog één plek: de kast bij het sporthok. Daar liggen spullen voor het speelpleinfeest.”
Het sporthok stond aan de zijkant van het plein, met een deur die altijd een beetje klemmend deed. Voor de deur stond meester Bram, met een sleutelbos die rammelde als een mini-orkest.
“Zoeken jullie iets?” vroeg hij.
“Noor,” begon Yara, maar Noor stapte al naar voren.
“De poster van het Speelpleinfeest is weg,” zei Noor. “We kijken of hij hier per ongeluk is neergelegd.”
Meester Bram trok zijn mondhoek op. “Netjes dat jullie helpen. Maar ik heb deze deur pas net open gedaan voor de ballen. Niemand heeft hem nog gebruikt.”
Hij draaide de sleutel om. De deur ging piepend open. Binnen lagen touwen, pionnen en een doos met krijt.
Zoë wees meteen. “Daar! Een rol papier!”
Mila pakte hem voorzichtig. Het was inderdaad een rol, maar toen ze hem uitrolde, kwam er een vel met rekensommen tevoorschijn.
“Teleurstelling,” zei Zoë plechtig. “Mijn hart maakt een U-bocht.”
Noor keek rond. Op een plank stond een stapel gekleurde kartonnen vellen, punaises in een bakje en… een lege plek.
“Daar kan een poster hebben gelegen,” zei Noor. “Maar dat is vaag.”
Yara bladerde in haar notitieboekje. “We hebben geen bewijs op het plein. Dat betekent: of hij is ergens anders, of iemand heeft hem meegenomen van school naar huis.”
Mila dacht hardop. “Wie zou zoiets doen zonder kwaad te willen?”
“Een jonger kind,” zei Noor. “Iemand die het mooi vond. Of iemand die dacht dat hij hem moest bewaren.”
Zoë stak haar vinger op. “Of iemand die hem wilde ‘verbeteren'. Met glitter. Zonder toestemming.”
Yara keek alsof ze al glitter in haar ogen voelde. “Alsjeblieft niet.”
Noor keek naar de schoolramen. “We gaan terug. We zoeken in de gang. En we vragen rond—zonder gedoe.”
Net toen ze weg liepen, zag Mila iets glimmen bij de zandbak. Ze bukte en haalde een punaise uit het zand.
“Punaise,” zei ze. “En hij is blauw.”
Noor nam hem aan. “Op het prikbord zaten rode punaises. Dat zag ik.”
“Dus deze komt ergens anders vandaan,” zei Yara. “Of iemand heeft een blauwe gebruikt.”
Zoë knikte ernstig. “Blauw is de kleur van mysterieuze daden.”
Noor stopte de punaise in Yara's notitieboekje, tussen twee pagina's, als bewijs. “Oké. Dit is onze eerste echte aanwijzing. Nu: waar zijn de blauwe punaises?”
Hoofdstuk 3
In de middag gingen ze op onderzoek in de school.
Ze begonnen bij het magazijnkastje naast de lerarenkamer, waar meestal knutselspullen lagen. De deur stond op een kier. Noor keek om zich heen. Niemand in de gang.
“Niet zomaar in iemands kast rommelen,” zei Yara streng. “We vragen eerst.”
Alsof de school hen gehoord had, kwam juf Annelies net naar buiten met een stapel schriften. Noor zwaaide met een beleefde glimlach.
“Juf, weet u waar de blauwe punaises zijn?” vroeg Noor.
Juf Annelies knipperde. “Blauwe? Die zitten in het knutselkastje, denk ik. Maar… waarom?”
Mila liet haar hand zien, waar de blauwe punaise op haar handpalm lag. “We vonden deze bij de zandbak.”
Juf Annelies keek verrast. “Die zijn van de knutselclub. Ze gebruiken ze voor hun prikmuur in het handvaardigheidslokaal.”
Zoë grijnsde. “Dus de knutselclub is verdacht.”
“Niet verdacht,” verbeterde Yara onmiddellijk. “Alleen… interessant.”
“Mag ik even kijken in het handvaardigheidslokaal?” vroeg Noor.
Juf Annelies knikte. “Als het na school is en met mij erbij. Nu is het les.”
Noor knikte. Ze voelde een klein prikkeltje ongeduld, maar ze slikte het weg. Een speurder zonder geduld is als een fiets zonder ketting: je komt nergens.
Toen de bel ging, verzamelden ze bij de deur van het handvaardigheidslokaal. Juf Annelies had een sleutel en een nieuwsgierige blik.
Binnen rook het naar lijm, karton en een beetje naar verf die nooit helemaal weggaat. Aan de muur hing een prikmuur vol knutselwerkjes. Met blauwe punaises.
Yara wees meteen. “Zie je? Hier zijn ze.”
Noor keek naar de prikmuur. Haar ogen scanden de ruimte: tafel, kast, rek met papierrollen. En toen zag ze het.
Op een stoel lag een tas. Niet van een leerling; meer een grote stoffen tas. Uit de tas stak een hoek papier. Wit. Met een rand van felgroen.
“De poster had een groene rand,” fluisterde Noor.
Zoë maakte een geluid alsof ze een trompet inslikte. “Oeh.”
Juf Annelies liep naar de tas. “Dat is van mevrouw Linde, de knutseljuf. Ze komt zo terug.”
Noor voelde haar hart sneller kloppen. “Mogen we… even kijken?”
Juf Annelies dacht na. “We doen het netjes. We halen alleen het papier eruit als het los zit. We gaan niet in de tas rommelen.”
Mila hield haar adem in terwijl Noor voorzichtig het papier bij de hoek vastpakte en een beetje omhoog trok.
Het was de poster. Ze zagen meteen de grote letters: SPEELPLEINFEEST. En daaronder de tekeningen van een springtouw, een voetbal, en een pannenkoek.
Maar er was iets veranderd.
In de hoek zat een nieuwe tekening bij: een klein muisje met een detectivehoed. En er zat… glitter op het woord “feest”.
Zoë sloeg haar hand voor haar mond. “Ik wist het. Glitter.”
Yara kreunde zacht. “Glitter… verspreidt zich. Het is het onkruid van de knutselwereld.”
Noor keek naar juf Annelies. “Dus iemand heeft hem meegenomen om hem te versieren. Maar zonder te vragen.”
“Dat is niet de bedoeling,” zei juf Annelies. Ze klonk niet boos, meer teleurgesteld. “We moeten weten wie dit deed, zodat we het kunnen uitleggen en herstellen.”
“Herstellen,” herhaalde Mila. “Dat is belangrijk.”
Net op dat moment ging de deur open. Mevrouw Linde kwam binnen, met verfspatten op haar mouw en een vrolijk gezicht dat meteen stopte toen ze de poster zag.
“O nee,” zei ze. “Niet weer.”
“Niet weer?” herhaalde Zoë.
Mevrouw Linde zuchtte en zette haar spullen neer. “Vorige maand nam iemand een tekening van de gang mee om hem ‘mooier' te maken. Het was lief bedoeld, maar het gaf gedoe.”
Noor rechtte haar rug. “We willen niemand in de problemen brengen. We willen begrijpen wat er is gebeurd. En het goedmaken.”
Mevrouw Linde knikte langzaam. “Goed. Dan help ik jullie. Ik heb de poster vanmorgen niet gezien. Maar de knutselclub was hier vroeg, voor de les. Vier kinderen uit groep zeven kwamen extra oefenen.”
“Wie?” vroeg Yara, pen al klaar.
Mevrouw Linde noemde namen. Noor luisterde, maar één naam bleef plakken: Finn. Een jongen die bekendstond om zijn tekeningen van dieren met hoedjes.
“Het muisje,” fluisterde Noor. “Dat lijkt op zijn stijl.”
Zoë trok een gezicht. “Dus Finn heeft onze poster ontvoerd om een muisje detective te tekenen. Ironisch.”
Mila keek bezorgd. “Maar we moeten zeker zijn. Geen beschuldigingen.”
Noor knikte. “We zoeken nog één aanwijzing. Iets wat alleen de maker weet.”
Yara wees op de glitter. “Of… we kunnen vragen wie glitter in de klas heeft laten vallen.”
Mevrouw Linde lachte schamper. “Als je iemand zoekt op glitter, vind je de helft van de school.”
Noor keek naar de deur van de voorraadkast in het lokaal. “Mag ik even… daar kijken? Alleen of er groen papier mist of zo.”
Mevrouw Linde opende de kast voor haar. Binnen lagen rollen papier en bakjes met punaises. Noor zag een open potje met… zilveren glitter. De deksel lag ernaast. En er lag een klein stukje groen randpapier, afgescheurd, op de grond.
Mila bukte en pakte het op. “Dit hoort bij de poster.”
Yara noteerde: “glitterpot open - groen randje op grond - muisje detective.”
Noor sloot de kast weer. “Oké. Nu praten we met Finn. Rustig. En we geven hem een kans om het zelf te vertellen.”
Hoofdstuk 4
Finn zat na school in de bibliotheekhoek, met zijn neus in een tekenboek. Zijn potlood ging snel, alsof het wist waar het heen moest zonder te twijfelen.
Noor liep voorop. Yara hield haar notitieboekje dicht, zodat het niet leek alsof ze hem ging ondervragen als in een politieprogramma. Mila keek vriendelijk. Zoë keek… alsof ze elk moment “Aha!” wilde roepen, dus Noor kneep even in haar arm.
Finn keek op. “Hoi.”
“Hoi,” zei Noor. “Mooie tekening.”
Hij trok het boek iets dichter naar zich toe. “Dank je.”
“Wij zoeken iets,” zei Mila zacht. “De poster van het Speelpleinfeest is weg.”
Finn knipperde. “O.”
Noor ging naast de tafel staan, niet te dichtbij. “We vonden hem in het handvaardigheidslokaal. Met een muisje met een detectivehoed.”
Finn's wangen werden rood. Zijn ogen schoten naar het raam, toen naar zijn handen.
Zoë kon het niet laten. “En glitter. Héél veel glitter. Glitter die overal komt en nooit meer weggaat, ook niet in 2087.”
Finn slikte. “Ik… ik wilde hem alleen leuker maken.”
Yara hield haar stem kalm. “Heb je toestemming gevraagd?”
Finn schudde zijn hoofd. “Ik dacht… het is toch voor iedereen. Dan mag ik toch helpen?”
Noor knikte langzaam. “Je wilde helpen. Dat is goed. Maar je nam hem weg zonder te zeggen waar hij was. Daardoor wisten mensen niet meer waar het feest was. Juf Annelies werd bezorgd.”
Finn keek naar zijn schoenen. “Ik dacht dat ik hem vanmiddag terug kon hangen. Maar toen kwam ik er niet aan toe. En… ik was bang dat iemand boos zou worden.”
Mila boog iets naar voren. “Boos worden gebeurt soms. Maar we kunnen dingen ook repareren. Dat is beter dan verstoppen.”
Finn keek op, hoop in zijn ogen. “Echt?”
Noor wees naar zijn tekenboek. “Je tekent goed. Dat muisje is grappig. Maar we moeten de poster terug. En misschien moeten we de glitter een beetje… temmen.”
Zoë knikte serieus. “Glitter temmen is een heldendaad.”
Finn zuchtte. “Ik kan hem terughangen. Nu.”
“Niet alleen terughangen,” zei Yara. “Ook uitleggen. Dan is het eerlijk.”
Finn trok zijn schouders op. “Maar dan krijg ik vast straf.”
Noor keek hem aan. “Misschien krijg je een gesprek. Maar het is beter om zelf te zeggen wat je deed. En je kunt aanbieden om het goed te maken. Repareren. Bijvoorbeeld een nieuwe poster maken, of helpen opruimen.”
Finn dacht na. “Ik kan een extra poster tekenen. Zonder glitter.”
Zoë fluisterde: “Zonder glitter is altijd een goed idee.”
Finn hoorde het en glimlachte heel even.
Noor keek naar de anderen. “Oké. Plan. We gaan met Finn naar juf Annelies. Finn vertelt het. Wij blijven erbij. We helpen met een oplossing.”
“Deal,” zei Finn zacht.
Onderweg naar het lokaal van juf Annelies kwamen ze langs de gang met het lege prikbord. Noor voelde een klein tintje trots, maar ook opluchting. Dit was geen grote misdaad. Het was een misverstand met goede bedoelingen. En toch was het belangrijk.
Bij de deur van het lokaal bleef Finn staan. Zijn hand trilde een beetje.
Mila fluisterde: “Je kunt dit.”
Finn knikte en klopte.
Juf Annelies keek op van haar stapel papier. “Ah, daar zijn jullie.”
Finn haalde diep adem. “Juf… ik heb de poster meegenomen. Ik wilde hem mooier maken. Met een muisje detective. En… glitter. Maar ik heb het niet gevraagd. Het spijt me.”
Het was even stil. Zoë hield haar adem in alsof ze bang was dat stilte zou breken.
Toen zei juf Annelies: “Dank je dat je eerlijk bent. Ik ben niet blij dat je hem meenam zonder te vragen. Maar ik ben wel blij dat je het vertelt. Dat is moedig.”
Finn's schouders zakten, alsof er een rugzak afgleed.
Noor voegde eraan toe: “We vonden hem in het handvaardigheidslokaal. Hij is nog heel. Alleen… extra versierd.”
Juf Annelies liep naar de kast en haalde de poster tevoorschijn die mevrouw Linde haar al had gegeven. Ze bekeek de glitter alsof ze probeerde te beslissen of het haar vijand was of gewoon een irritante vriend.
“Oké,” zei ze. “We hebben twee problemen: de poster moet terug, en de glitter mag niet op de vloer in de gang belanden. En we moeten duidelijk maken dat je niet zomaar spullen meeneemt, zelfs niet om te helpen.”
Finn knikte snel. “Ik kan helpen schoonmaken. En een nieuwe versie maken. Zonder glitter. Of met… heel weinig.”
Zoë stak twee vingers op. “Nul is ook een hoeveelheid.”
Juf Annelies glimlachte ondanks zichzelf. “Goed. Dan doen we dit: we hangen deze poster terug—met het muisje. Het is eigenlijk best leuk. Maar we plakken er een transparant vel overheen zodat de glitter blijft zitten. En Finn, jij maakt samen met mevrouw Linde nog een tweede poster voor bij het hek op het speelplein.”
Yara's ogen glommen. “Twee posters. Dan ziet iedereen het.”
Mila vroeg: “En we ruimen samen de gang op als er glitter valt.”
Juf Annelies knikte. “Precies. Repareren, niet verstoppen.”
Finn keek naar Noor. “Mag ik… het zelf ophangen?”
Noor stapte opzij. “Graag.”
Hoofdstuk 5
Ze hingen de poster terug op het prikbord. Finn prikte hem vast met rode punaises, heel zorgvuldig, alsof elke punaise een belofte was. Noor lette erop dat hij de randen goed recht trok.
Zoë hield een papieren doekje klaar “voor het geval de glitter ontsnapt”. Yara las hardop de informatie op de poster, om te checken of alles nog klopte.
“Vrijdag, half vier,” zei Yara. “Touwtrekken, stoepkrijt, pannenkoeken… ja. En het muisje detective. Oké, dat is nieuw, maar het liegt niet.”
Mila wees naar een klein hoekje waar een glittersliertje loshing. “Daar. Als we dat vastplakken, blijft het netjes.”
Juf Annelies kwam terug met een transparant plastic vel. Samen plakten ze het eroverheen. Het maakte de poster een beetje glanzend, alsof hij nu officieel was.
Finn keek opgelucht. “Hij ziet er… professioneel uit.”
“Alsof de muis nu echt werkt voor de school,” zei Zoë. “Detective Muis, afdeling Feest.”
Finn lachte zacht. Het klonk alsof hij het oefenen moest, maar het was echt.
Na school gingen ze naar het handvaardigheidslokaal om een tweede poster te maken. Mevrouw Linde hielp met papier. Noor en Mila zorgden dat de tekst duidelijk bleef. Yara controleerde de tijden en liet Finn de tekening maken. Zoë werd belast met één taak: geen glitter.
“Ik bewaak de glitter,” zei Zoë plechtig. “Ik zet hem in mijn hart-gevangenis.”
“Laat hem daar maar,” mompelde Yara.
Finn tekende opnieuw het muisje, maar dit keer hield hij het rustig. Alleen kleurpotlood. Geen glimmende rampen. Noor zag hoe geconcentreerd hij werkte, en hoe hij af en toe naar de tekst keek om zeker te zijn dat hij niets bedekte.
“Je leert snel,” zei Noor.
Finn knikte. “Ik dacht altijd: als ik iets mooier maak, dan is het altijd goed. Maar nu snap ik… je moet eerst vragen. Anders maak je het voor iemand anders moeilijk.”
Mila schoof een bakje punaises dichterbij. “En als je toch iets fout doet, dan kun je het herstellen.”
Yara schreef in haar notitieboekje, maar deze keer was het geen bewijs. Het was een soort les die ze wilde bewaren.
Toen de tweede poster af was, liepen ze met z'n allen naar het speelplein. De zon hing laag, warm als een broodje uit de oven. Bij het hek prikten ze de nieuwe poster vast.
Noor keek rond. Het plein was bijna leeg. Alleen een paar kinderen van de opvang speelden nog. De bomen maakten zachte schaduwen op het zand.
“Daar hoort hij,” zei Yara tevreden.
Finn keek naar de poster en toen naar zijn handen. “Ik wil nog iets doen. Voor het goedmaken.”
Juf Annelies, die mee was gelopen, keek hem aan. “Wat dan?”
Finn wees naar de zandbak. “We vonden daar een blauwe punaise. Dat was van mij. Ik heb er één laten vallen toen ik met de poster liep. Ik wil de rest zoeken. Straks prikt iemand zich.”
Noor knikte meteen. “Goed plan. We doen een punaise-zoekactie.”
Zoë keek opgewonden. “Een echte speuractie op de plaine de jeux!”
Ze gingen in een rij langs de rand van de zandbak. Mila had een klein magneetje van de techniekdoos gehaald—niet heel sterk, maar genoeg om punaises aan te trekken als je dichtbij kwam. Yara had handschoenen van het schoonmaakkarretje gevraagd.
“Geen vingers in het zand zonder te kijken,” zei Yara, alsof ze een expeditieleider was.
Na vijf minuten vonden ze nog twee blauwe punaises. Finn stopte ze in een doosje.
“Oké,” zei Noor. “Nu is het veilig. En eerlijk.”
Juf Annelies keek naar de groep. “Jullie hebben dit knap aangepakt. Niet roepen, niet beschuldigen. Wel luisteren en oplossen.”
Zoë stak haar kin omhoog. “Wij zijn de Speelpleinbrigade. Met een muis.”
Finn grinnikte. “Met Detective Muis.”
Mila keek naar Finn. “Voel je je beter?”
Finn knikte. “Ja. Het was stom, maar… nu is het rechtgezet.”
Noor keek nog één keer naar de posters: eentje in de gang, eentje aan het hek. Het mysterie was opgelost. Maar belangrijker: niemand was kapotgemaakt. Alleen een fout, en daarna een reparatie.
Op weg naar huis liep Noor naast haar vriendinnen. Ze voelde de frisse lucht in haar longen, en de rust van een afgerond verhaal.
“Volgende keer,” zei Zoë, “onderzoeken we wie altijd mijn gum steelt.”
Yara zuchtte. “Dat ben jijzelf.”
“Dat is precies wat een dader zou zeggen,” antwoordde Zoë.
Noor lachte. “Wat het ook is, we lossen het op. Netjes.”
Dank je.