Bezig met laden...
Verhalen van kleine onderzoekers 11/12 jaar Lezen 21 min.

Het mysterie van de verdwenen fluit tijdens de pluisbalfinale

Wanneer de scheidsrechtersfluit verdwijnt tijdens de Grote Pluisbalfinale, gebruikt het nieuwsgierige Marn luisteren en logisch denken om sporen en tegenstrijdige verhalen te vergelijken.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Marn, een klein harig zoogdier met twee gedraaide hoornachtige uitsteeksels en grote ronde oren, zit geconcentreerd gehurkt op houten latten met een vergrootglas in de poot terwijl hij een glanzende metalen fluit onderzoekt op een plank van een open sportkast; achter hem op de leuning staat Kiri, een slanke grijze vogel met een scheefhangende sjaal, nieuwsgierig voorovergebogen, Pip, een das met een grote rode muts, staat schuchter bij de kastdeur met een zakje natte snoepjes, Fazo, een pauw met blauwgroene glanzende veren, houdt verlegen maar trots een verloren veer vast op een trede boven Marn, en Tiks, een eekhoorn-timmerman met een gereedschapsriem en houtbevlekte vingers, hurkt bij een gebarsten plank; de scène speelt zich af op een versleten houten tribune met gekleurde sjaals en hoeden op de banken, een open sportkast vol ballen en linten, een snackkraam achteraan met omgevallen jam-pot en dropsnippers op de treden, gekleurde wimpels erboven, zachte avondverlichting, kleine aanwijzingen verspreid (blauwgroene veer, glanzende jamvlek, zwarte dropskruimel, voetafdrukken in het stof) en een gevoel van gezamenlijke ontdekking en lichte spanning, in de stijl van een acrylschilderij met warme kleuren, zichtbare penseeltextuur en expressieve lijnen, compositie gericht op de glanzende fluit in Marns poot. meld een probleem met deze afbeelding

Hoofdstuk 1: De verdwenen fluit

Ik heet Marn. Ik ben klein, harig, heb twee gedraaide hoorntjes en oren die alles horen, zelfs een gevallen kruimel. In het dorp Mosrand noemen ze me “die met de scherpe snuit”. Ik noem het liever: “iemand die oplet”.

Vandaag was de Grote Pluisbalfinale. Dat is het belangrijkste spel van het jaar: twee teams rollen een zachte bal over het veld, duwen hem door een poort en proberen ondertussen niet om te vallen van het lachen. Het publiek zit op de tribune, een houten trap vol knarsende planken en geroosterde nootjes.

Ik zat halverwege, precies boven de middenlijn. Naast mij zat Kiri, een slanke vogel met een sjaal die altijd scheef hing. Achter ons wiebelde Brom, een schildpad met een trommel op zijn buik. Voor ons zat Nella, een otter met een notitieblokje en een potlood dat ze overal op kauwde.

Toen, vlak voor het begin, klonk er géén fluit.

De scheidsrechter—een statige uil met een zwarte band om zijn vleugel—keek verward om zich heen. Hij wreef met zijn klauw over zijn snavel. “Mijn fluit,” bromde hij. “Hij lag hier net nog.”

Een rimpel ging door de tribune. Zonder fluit geen start. En zonder start… geen finale.

Ik sprong overeind. “Ik kan helpen.”

Kiri tikte met haar snavel tegen mijn oor. “Jij? Natuurlijk.”

De uil kneep zijn ogen samen. “Wie ben jij?”

“Marn,” zei ik. “En ik luister goed.”

De uil zuchtte, maar er zat iets hoopvols in. “Goed. Zoek hem. Maar maak geen paniek.”

“Paniek is slecht voor logisch denken,” mompelde Nella, alsof ze het noteerde voor later.

Ik knikte. “We beginnen bij feiten. Waar was de fluit voor het laatst gezien?”

De uil wees naar de rand van het veld, onder de tribune. “In mijn tas. Hier bij de trap. Ik haalde net mijn kaarten eruit. Toen riep iemand mijn naam. Ik draaide me om. En… nu is hij weg.”

Ik keek naar de trap, de tas, de planken. Op de onderste trede lag een glanzend veertje. Op de reling zat een plukje wol. En in de lucht hing de zoete geur van honing.

Drie sporen. Drie verhalen, dacht ik. En ik moest ze vergelijken.

Hoofdstuk 2: Twee verhalen en een kruimelspoor

Ik knielde bij de tas. De gesp was open, maar niet kapot. Alsof iemand hem rustig had losgemaakt.

“Wie stond er vlakbij?” vroeg ik.

Brom trommelde zachtjes. “Ik! Maar ik rolde alleen maar mijn trommelriem recht. Eerlijk.”

Kiri snoof. “Iedereen zegt ‘eerlijk' als er iets verdwenen is.”

“Niet iedereen,” zei Nella. “Ik zeg meestal ‘waarschijnlijk'.”

Ik hield mijn poot omhoog. “Eerst luisteren, dan denken.”

Ik liep langs de rij. “Jij, Kiri, wat zag jij?”

Kiri zette haar borst vooruit. “Ik zag dat de uil naar links keek. Naar de snackkraam. Toen zag ik een schaduw bij de tas. Heel snel. En toen hoorde ik… iets metalen tikken.”

“Metalen tikken,” herhaalde ik.

Ik draaide me naar Brom. “En jij?”

Brom trok zijn kop iets in zijn schild. “Ik hoorde de uil zuchten. En ik rook honing. Heel sterk. Toen zag ik iemand met plakkerige vingers langs de trap. Meer niet.”

Nella stak haar poot op, alsof ze in een les zat. “Mag ik ook? Ik zag niets, maar ik vond dit.” Ze hield iets kleins omhoog: een kruimel, donker en glanzend.

“Drop,” zei ik meteen. “Zoet-zout.”

Nella knikte. “En deze kruimel lag op de derde trede. Net naast een natte vlek.”

“Dus,” zei ik, “we hebben: een veer, een pluk wol, honinggeur, een dropkruimel en een natte vlek. En twee verhalen: Kiri zag een schaduw en hoorde metaal tikken. Brom rook honing en zag plakkerige vingers.”

Ik keek naar de veer op de onderste trede. Het was lang en blauwgroen. Niet van Kiri; haar veren waren grijs met witte puntjes. Deze veer hoorde bij iemand anders.

Ik wees naar de natte vlek op de derde trede. “Water of sap. Het is niet kleverig. Dus niet honing.”

Kiri sloeg haar vleugels over elkaar. “Je denkt dat Brom liegt?”

“Ik denk dat we vergelijken,” zei ik. “Brom rook honing. Dat kan waar zijn, zelfs als de vlek water is. Geuren reizen.”

Brom keek opgelucht. “Dank je.”

Ik snoof langs de reling. De pluk wol was zacht en licht. Alsof iemand erlangs geschuurd had.

“Wie draagt wol?” vroeg ik.

Nella bladerde door haar geheugen alsof het een boek was. “Pip draagt altijd een wollen muts. En Zuzu heeft zo'n wollige sjaal.”

“En wie eet drop?” vroeg ik.

“Pip,” zei Kiri meteen. “Altijd. Hij heeft zelfs een geheime voorraad.”

Brom trommelde. “Zuzu eet honingkoeken.”

Ik keek naar de trap. “Dan doen we dit: we zoeken twee dingen. Iemand die drop kruimelt én iemand die honing ruikt. Maar de fluit is van metaal. En Kiri hoorde metaal tikken.”

Kiri knikte. “Tík-tík. Alsof iets tegen een houten plank stootte.”

Ik klopte op de trede. “Als iemand met de fluit rende, tikte hij tegen de trap. Logisch.”

Ik keek omhoog, over de tribune. Bovenaan hing een vlaggenlijn. Er onder stond een kleine kast met sportspullen. Een plek waar je iets snel kon verstoppen.

“Kom,” zei ik. “We gaan naar boven.”

Hoofdstuk 3: De tribune als doolhof

De tribune leek van bovenaf op een doolhof van banken, treden en jassen die over leuningen hingen. Overal klonk geritsel, gefluister en af en toe een lach, alsof het mysterie stiekem ook spannend was.

Nella liep naast me en schreef in haar notitieblok: “Sporen: veer, wol, honing, drop, nat. Verhalen: schaduw+metaal, geur+plakkerig.”

“Schrijf ook: geen paniek,” zei ik.

“Staat er al,” zei ze droog.

Bij de sportkast stond een lijn met bezems, ballen en een net vol lintjes. Ik keek naar de grond. Daar lag nog een veer. Dezelfde kleur.

Kiri floot zacht. “Dus de veerpersoon is hier geweest.”

Brom boog zich naar een bank. “Hier! Een plakkerige vingerafdruk.” Hij wees naar een glimmend plekje op het hout.

Ik rook eraan. Zoet. Maar niet honingkoek-zoet. Eerder… jam.

“Jam?” vroeg ik.

Nella knikte. “Van bessen. Dat verkopen ze bij het snackkraam.”

Kiri sprong op de bank en keek over de rand naar het kraam beneden. “Daar staat Zuzu nu. Met… een potje bessenjam.”

“Zuzu,” mompelde ik. “Die met de wollige sjaal.”

“En Pip is daar ook,” zei Brom. “Met drop.”

Dus twee verdachten bij elkaar. Handig… en gevaarlijk voor een eerlijk oordeel.

Ik kneep mijn ogen tot spleetjes. “We moeten niet gokken. We moeten testen.”

“Hoe test je zoiets?” vroeg Kiri.

“Met een vraag die maar één verhaal kan dragen,” zei ik.

We daalden de trap af, trede voor trede. Op de vierde trede vond ik nog een dropkruimel. Op de vijfde: een klein rond vlekje, alsof iets metaal had geraakt. Tík-tík.

Bij het snackkraam stonden Zuzu en Pip inderdaad. Pip was een dikbuikig dasje met een felrode, wollige muts. Zuzu was een lange geit met een sjaal zo pluizig dat je er een vogel in kon verliezen.

Ik stapte op hen af. “Hallo. Mag ik jullie iets vragen? Het is belangrijk.”

Pip slikte hoorbaar. “Ik heb niks gedaan.”

“Dat zei ik niet,” antwoordde ik. “Eerste vraag: wie heeft de uil geroepen?”

Zuzu trok zijn wenkbrauwen op. “Ik niet. Ik praat niet met uilen. Ze kijken altijd alsof ze je huiswerk beoordelen.”

Pip wees met een dropvinger naar het veld. “Ik hoorde iemand roepen, maar ik zag niet wie.”

“Goed,” zei ik. “Tweede vraag: wie is net op de tribune geweest? Bovenaan? Bij de sportkast?”

Pip schudde zo hard dat zijn muts bijna afvloog. “Nee! Ik… ik was hier. Altijd hier. Vraag het de verkoper van nootjes.”

Zuzu haalde zijn schouders op. “Ik ben even naar boven gegaan om mijn sjaal te zoeken. Hij was weg van mijn bank.”

Ik keek naar zijn sjaal. “Maar je draagt hem nu.”

“Ja,” zei Zuzu. “Ik vond hem terug. Hij lag… op de reling bij de trap.”

Ik dacht aan de pluk wol op de reling. Dat paste.

Nella fluisterde: “Zuzu's verhaal verklaart de wol. Maar niet de veer. En niet de drop.”

Ik knikte. “Derde vraag,” zei ik hardop. “Zuzu, toen je naar boven ging, hoorde je metaal tikken?”

Zuzu knipperde. “Metaal? Eh… ik hoorde iemand rennen.”

Pip keek opeens heel geïnteresseerd naar zijn drop. Te geïnteresseerd.

Kiri leunde naar me toe. “Pip hoorde het tikken. Hij heeft het alleen niet gezegd.”

Ik keek Pip recht aan. “Pip. Ik ga twee verhalen vergelijken. Jouw verhaal: je was altijd hier. Zuzu's verhaal: hij ging naar boven, vond zijn sjaal. Op de trap liggen dropkruimels. En er zijn tiksporen van metaal. Als jij altijd hier was… hoe komen jouw kruimels op de trap?”

Pip opende zijn mond. Sluit. Open. Sluit. “Ik… ik mors.”

“Dan mors je heel gericht,” zei Nella. “Op precies dezelfde route als iemand die haast had.”

Brom trommelde een spannend ritme, alsof hij niet kon helpen.

Pip zuchtte. “Oké! Ik ben even naar boven geweest. Maar niet voor de fluit! Ik zocht… een plek om rustig drop te eten. Iedereen staart.”

“Niemand staart naar drop,” zei Kiri. “Ze staren naar jouw rode muts.”

Pip trok de muts dieper. “Precies.”

Ik knikte langzaam. “Dus je was op de trap. En je hoorde metaal tikken.”

Pip keek op. “Ja. Iemand botste tegen me aan, heel snel. Ik viel bijna. En toen… toen had ik even iets glimmends in mijn poot. Ik schrok. Ik dacht: ‘O nee, ik krijg de schuld!' Dus ik… ik stopte het ergens.”

“Waar?” vroeg ik.

Pip wees, met een dropvinger, naar de tribune. “In de sportkast. Achter het net met lintjes.”

Zuzu blies zijn wangen op. “Dus jij verstopte de fluit?”

“Niet gestolen!” riep Pip. “Ik wou hem terugbrengen, echt. Maar toen begon iedereen te roepen.”

Ik keek naar de uil op het veld. Hij stond nog steeds te wachten, waardig en steeds geïrriteerder.

“Kom,” zei ik. “We halen hem op. En dan lossen we ook de rest op.”

“De rest?” vroeg Zuzu.

Ik wees naar zijn sjaal. “Wie heeft jouw sjaal op de reling gelegd? En wie riep de uil? Dat is misschien dezelfde.”

Hoofdstuk 4: Het veerbewijs

Boven bij de sportkast trok Pip het deurtje open. Het kraakte alsof het ook een geheim wilde bewaren. Achter het net met lintjes lag de fluit, glimmend en ongeschonden.

Pip pakte hem met twee poten, alsof het een hete aardappel was. “Zie je? Ik heb hem niet kapotgemaakt.”

Ik nam hem aan. “Goed. Maar nu: de veer.”

Kiri bukte en pakte de blauwgroene veer op. “Van wie is die?”

Op dat moment landde er naast ons een pauw met een staart als een waaier. Zijn veren glansden blauwgroen, precies zoals de veer. Hij keek ons aan met grote, dramatische ogen.

“Wat doen jullie met mijn veer?” vroeg hij gekwetst. “Dat is een topveer. Die verlies je niet zomaar.”

Nella keek in haar notities. “Jij bent… Fazo. De vlaggenlijn-versierder.”

Fazo boog, alsof hij applaus verwachtte. “Inderdaad. Zonder mij geen feestelijke sfeer.”

Ik hield de fluit omhoog. “We zochten deze. Was jij bij de tas van de uil?”

Fazo kneep zijn snavel dicht. “Ik? Nee. Ik was boven. Bij de vlaggenlijn. Ik moest een knoop leggen. Toen hoorde ik iemand roepen: ‘Scheids! Scheids!' En toen zag ik beneden… chaos.”

“Wie riep dat?” vroeg ik.

Fazo wees met zijn vleugel naar de hoek van de tribune, waar de omroeper zat: een ekster met een microfoon van hout en touw. “Die. Spikkel. Hij roept altijd. Dat is zijn werk.”

Ik knikte. Dat verklaarde waarom de uil zich omdraaide: de omroeper riep hem.

Maar hoe kwam Fazo's veer op de trap? En waarom was er jam?

Ik rook nog eens aan de plakkerige vlek op de bank. “Fazo, eet jij bessenjam?”

Fazo trok zijn snavel omhoog. “Jam is vreselijk voor veren. Plakt. Nee.”

Zuzu kuchte. “Ik wel.”

Pip zei: “Ik niet. Ik heb drop.”

Ik keek naar Kiri. “Wie eet wél jam en heeft veren?”

Kiri's ogen werden groot. “Spikkel.”

We liepen naar de omroepplek. Spikkel de ekster zat er met een potje bessenjam naast zich en een lepel die eruit stak als een vlaggenmast.

Spikkel grijnsde. “Komen jullie mijn stem bewonderen? ‘En daar gaat team Wolkenwip!'”

“Later,” zei ik. “Eerst: heb jij aan de tas van de uil gezeten?”

Spikkel legde zijn lepel neer. “Nee hoor. Ik heb alleen geroepen dat de uil klaar moest staan. Dat moet ik. Anders beginnen ze zonder hem en dan fluit hij… eh… niet.”

Kiri rolde met haar ogen. “Sterk.”

Ik hield de blauwgroene veer omhoog. “Deze lag op de trap. Jij hebt zwarte veren. Dit is niet van jou. Maar er lag ook jam op de bank, en jij hebt jam.”

Spikkel keek naar het potje. “Oké, ik heb geknoeid. Maar dat was gisteren al.”

Nella tikte met haar potlood. “Gisteren was het droog. Vandaag is het hout nog plakkerig. Dus het is vers.”

Spikkel slikte. “Nou… oké. Vanmorgen. Ik had honger.”

“En je was bij de trap,” zei ik. “Dus je zag iemand bij de tas.”

Spikkel keek naar links en rechts, alsof de tribune oren had. Dat had hij mis: mijn oren waren genoeg.

“Ik zag Pip,” fluisterde hij. “En Zuzu. En… ik zag Fazo ook. Fazo rende naar beneden met een lint in zijn snavel.”

Fazo flapte zijn vleugels open. “Dat lint was losgeraakt! Ik moest het redden!”

“En toen?” vroeg ik.

Spikkel zuchtte. “Toen botsten Pip en Fazo bijna tegen elkaar. Fazo draaide weg, zijn staart zwaaide… en een veer viel. Ik lachte. Toen zag ik iets glimmen bij de tas. Pip pakte het op. En toen stopte hij het weg.”

Ik knikte. “Dus Fazo heeft de veer verloren door het botsen. Spikkel heeft jam geknoeid. Zuzu verloor zijn sjaal op de reling toen hij langs de trap schoof. En Pip raapte de fluit op uit angst.”

“Maar wie nam hem uit de tas?” vroeg Kiri.

Stilte.

Ik keek naar de tas. De gesp was niet kapot. Wie kon hem openen zonder te prutsen? Iemand met handige vingers… of klauwen.

Mijn oren pikten een zacht, ritmisch geluid op. Niet Broms trommel. Een tikkend geluid, alsof iets kleins op hout tikte.

Onder de omroepplek zat een eekhoorn met een gereedschapsriem, druk te frunniken aan een losse plank.

“Wat doe jij?” vroeg ik.

De eekhoorn keek op, ogen als knikkers. “Ik repareer. Plank kraakt. Iedereen klaagt. Ik ben Tiks.”

“Tiks,” herhaalde ik. “Jij maakt tik-geluiden.”

Tiks glimlachte trots. “Ja! Ik tik goed.”

Ik wees naar de tas. “Heb jij die gesp geopend?”

Tiks keek naar zijn gereedschap. “Ik… ik moest erlangs. Mijn schroefjes rolden. Toen zag ik die mooie fluit. Ik dacht: metaal! Past bij mijn gereedschap. Ik wilde hem alleen even vasthouden. Heel even. En toen riep Spikkel de uil. De uil draaide zich om. Ik schrok. Ik legde de fluit op de trede. Toen kwam Pip, botste, pakte hem op… en weg was hij.”

Daar was het. Het derde verhaal, dat de gaten vulde.

Ik ademde uit. “Dus niemand wilde echt stelen. Iedereen wilde alleen… iets anders.”

“Jam,” mompelde Spikkel.

“Drop,” zei Pip.

“Een sjaal,” zei Zuzu.

“Vlaggen,” zei Fazo.

“Planken,” piepte Tiks.

Ik keek naar Nella. “Logica redt de dag.”

Nella glimlachte. “En notities.”

Hoofdstuk 5: De start en het kleine cadeau

We brachten de fluit terug naar de uil. Zijn ogen werden rond, toen smal, toen weer rond. “Aha.”

Ik vertelde het rustig, stap voor stap, zonder iemand belachelijk te maken. Over de omroep, de schrik, de trede, de angst om de schuld te krijgen. Over hoe de sporen bij elkaar hoorden als puzzelstukjes.

De uil knikte langzaam. “Jullie hebben vergeleken. Jullie hebben getest. En jullie hebben geluisterd.”

Pip wiebelde. “Krijg ik straf?”

De uil schudde zijn kop. “Een les is soms genoeg. Breng voortaan dingen meteen terug. Angst maakt je slim op de verkeerde manier.”

Pip knikte heftig. “Snap ik.”

De uil hief de fluit. Iedereen op de tribune hield de adem in. Toen klonk er een heldere toon, scherp en vrolijk, als een snee in stilte.

De finale begon. De Pluisbal rolde. Team Wolkenwip en Team Modderstap maakten de vreemdste duiken en de mooiste reddingen. Brom trommelde ritmes die zelfs de bal sneller deden lijken. Kiri schreeuwde aanwijzingen die niemand opvolgde, maar het klonk indrukwekkend. Nella noteerde de score, maar ook: “Conclusie: feiten > vermoedens.”

Ik zat weer halverwege op de tribune. Het hout knarste geruststellend, alsof het zei: alles zit weer vast.

Na afloop kwam de uil naar ons toe. Hij keek in zijn tas en haalde er iets uit: vier kleine houten muntjes met het teken van de finale erin gebrand.

“Geen goud,” zei hij, “maar wel echt.”

Hij gaf er één aan mij, één aan Kiri, één aan Brom en één aan Nella. “Voor logisch denken en kalm blijven.”

Ik rolde het muntje tussen mijn vingers. Het voelde warm, alsof het trots was.

Kiri grijnsde. “Ik ga het aan mijn sjaal hangen. Dan ziet iedereen dat ik bijna-detective ben.”

“Bijna?” zei ik.

Nella keek op. “Volgende keer doen we het sneller.”

Brom trommelde zacht. “En met minder drop.”

Pip stond een paar treden lager en hield zijn handen achter zijn rug. Hij kwam dichterbij en stak iets uit: een klein zakje drop, netjes dichtgebonden.

“Voor jou,” zei hij tegen mij. “Als… bedankt. En sorry.”

Ik nam het aan. “Ik deel,” zei ik. “Dat is ook logisch. Anders eet ik alles op en word ik sloom.”

We lachten. De tribune liep leeg. De zon zakte achter het veld. En in mijn zak voelde het kleine houten muntje als een bewijs: zelfs een zacht mysterie kan je scherp laten denken, als je maar goed kijkt, goed luistert en twee verhalen durft te vergelijken.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Tribune
Hoge rij zitplaatsen bij een sportveld waar mensen naar een wedstrijd kijken.
Scheidsrechter
Persoon die beslist of spelers de regels volgen tijdens een spel.
Statige
Die rustig en belangrijk lijkt, met waardigheid en nette houding.
Knarsende
Geluid van iets dat schurend of krakend beweegt, zoals oude planken.
Gesp
Metalen of plastic sluiting waarmee je iets vast kunt maken of sluiten.
Plakkerige
Iets dat kleeft en aan je vingers blijft plakken, zoals honing of jam.
Gereedschapsriem
Riem met vakjes om kleine gereedschappen dichtbij te dragen.
Frunniken
Iets voorzichtig of zenuwachtig met je handen proberen vast te zetten.
Omroeper
Persoon die met een stem of microfoon iets aankondigt voor iedereen.
Pluizig
Zacht en met veel kleine losse draadjes, zoals een wollige sjaal.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Onderwerpen gerelateerd aan dit verhaal:

vriendschap samenwerking dorp mysterie

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.