Avond vol lantaarns
Op Halloween trok Wolfje zijn oranje sjaal strak om zijn hals. De lucht was fris en rook naar kaneel en natte bladeren. Overal brandden lampions in pompoenen. Hun glimlach danste in het donker. In de verte kraakte een hek. Niet eng. Gewoon wind.
Mama streek Wolfjes oren glad. “Denk eraan,” zei ze zacht, “vraag beleefd, zeg dankjewel, en blijf bij het licht. En als iemand geen snoep heeft, blijf toch vriendelijk.”
“Ik onthoud het,” zei Wolfje. Zijn staart tikte blij tegen de deur. “Ik ga snoep halen voor Mila de Muis. Ze is verkouden en kan niet mee.”
“Lief van je,” zei Mama. “Breng haar iets zoets. Iets warms voor het hart.”
Wolfje huppelde de straat op. Zijn mandje wiebelde. Voor het eerste huis stonden twee pompoenen met hoedjes. Wolfje klopte aan. “Fijne Halloween!” riep hij. “Mag ik een snoepje, alstublieft?”
De deur piepte open. Opa Bram droeg een skelettenpak. Hij knipoogde. “Boe!” zei hij. “Grapje.” Zijn botten rammelden als hij lachte. “Hier, karamellen. Voor jou en… voor wie was het ook?”
“Voor Mila,” zei Wolfje. “Ze is thuis met een sjaaltje en thee.”
“Dan krijgt Mila ook wat,” zei Opa Bram. Hij liet twee karamellen in Wolfjes mandje vallen. “Dapper hoor, kleine wolf.”
Op de stoep kwetterden kinderen. Een hond in een dinosauruspak snuffelde aan Wolfjes sjaal. “Haha, het kietelt,” zei Wolfje. Hij stapte door een tapijt van knisperende bladeren. De lantaarns knipten als lieve ogen.
Bij het volgende huis blafte de deurbel: waf-waf! Een mevrouw met een heksenhoed deed open. De geur van kruidnoten stroomde naar buiten.
“Snoep of ik zing!” zei Wolfje lachend.
“Zing dan eens?” vroeg ze.
Wolfje zong heel zacht: “Pompoen, pompoen, je lacht zo groen.” De mevrouw schaterde en gaf hem een handvol chocolademunten.
“Dankjewel!” zei Wolfje. Hij stopte ook een munt apart. Die was voor Mila.
Vlek de Vleermuis
Zo, stapje voor stapje, vulde Wolfje zijn mandje. Aan een lantaarnpaal hing een klein zwart bundeltje. Het bewoog. Wolfje stapte dichterbij. Het bundeltje spreidde vleugels uit. “Boe!” piepte het. Toen giechelde het. “Grapje! Ik ben Vlek de Vleermuis.”
Wolfje lachte. “Ik ben Wolfje. Ik haal snoep voor mijn vriendin. Ga je mee?”
“Alleen als we laag vliegen,” zei Vlek. “Ik hou van de lampjes.” Hij fladderde naast Wolfjes oor. Zijn vleugels klonken als zachte handjes. Flap-flap.
Ze kwamen bij een huis met een skelet naast de deur. Het skelet niesde. “Hatsjie!” Zijn kaak klapte open en dicht. Klak-klak.
“Gezondheid,” zei Wolfje beleefd.
Het skelet boog. Uit zijn borstkast rolde een zuurstok. “Oeps,” zei het skelet. “Voor jou.” Wolfje pakte de zuurstok en glimlachte.
“Dankjewel,” zei hij. “Ik geef hem aan Mila. Ze houdt van strepen.”
Verderop huilde een klein spookje. Zijn lakentje zat scheef. “Wat is er?” vroeg Wolfje.
“Mijn lolly viel in een struik,” snikte het spookje.
Wolfje kroop tussen de takken. De blaadjes kietelden zijn neus. “Hatsjie!” Hij kwam overeind met de lolly. “Alsjeblieft.”
Het spookje snikte niet meer. “Dankjewel,” fluisterde het. “Je bent aardig.”
“Graag gedaan,” zei Wolfje. “Op Halloween delen we toch?”
Mevrouw Spruit met de heksenhoed stond bij haar hek. Haar bezem stond rechtop en wiebelde als een staart. “Wie wacht zijn beurt?” riep ze.
Wolfje ging netjes in de rij. Toen hij aan de beurt was, zei hij: “Mag ik ook iets voor mijn vriendin? Ze is thuis.”
“Voor een vriendin?” vroeg Mevrouw Spruit. “Dat is lief.” Ze gaf dropveters. “Eén voor jou. Eén voor Mila. En één om te delen als je iemand tegenkomt die er geen kreeg.”
Vlek fladderde blij. “Zullen we nu naar het grote huis aan het plein?” piepte hij. “Ze zeggen dat daar maanlicht-karamellen zijn.”
Wolfje slikte. “Het huis met de zingende trappen?” Zijn oren wiebelden. “Ik durf wel. Als jij blijft.”
“Ik blijf,” zei Vlek. “Ik ben klein, maar ik ben dapper.”
Het Huis met de Zingende Trappen
Het grote huis aan het plein stond vol lampions. Ze knipoogden. De deur was rond, als een pompoenmond. Wolfje klopte. De klink voelde koel en glad.
“Kriiii…” zong de deur. Niet eng. Gewoon oud.
Binnen rook het naar appel en kaneel. Een kast zei “hmm” toen er een kop thee op werd gezet. De trap begon zacht te zingen: “La-la-lan-taarn, la-la-lan-taarn.” Vlek fladderde aan de leuning. “Ik ken de tweede stem,” fluisterde hij.
Een vrouw in een jurk met bladmotief knikte. Haar grijze haar was opgestoken als een pompoenkroon. “Welkom,” zei ze. “Ik ben Oma Pompoen. Kom rustig binnen. Schoenen uit? Dan kietelt de vloer minder.”
Wolfje deed zijn schoenen uit. De houten vloer was warm, alsof hij zonlicht had gedronken. Een bezem tikte hem tegen zijn tenen. “Hoi, bezem,” giechelde Wolfje.
Oma Pompoen keek naar Wolfjes mandje. “Voor wie zijn die zakjes apart?”
“Voor Mila,” zei Wolfje. “Ze is verkouden. Ik verzamel snoep voor haar.”
“Dat is respectvol en lief,” zei Oma Pompoen. “Wil je een handje helpen? Kater Spikkel heeft de toffees laten rollen.”
Wolfje hielp. Hij rolde toffees terug in een schaal. Vlek duwde met zijn neus een ontsnapte bonbon. De trap neuriede tevreden. “La-la-la.”
“Goed zo,” zei Oma Pompoen. Ze tikte met een vinger tegen een kleine pompoenlantaarn. Er ging een zacht lichtje in aan. “Voor helpers heb ik iets speciaals. Geen gewoon snoep, maar vrienden-snoep.”
“Vrienden-snoep?” vroeg Wolfje.
“Het smaakt het beste als je het samen eet,” zei Oma Pompoen. “Maar je moet het vinden.” Ze fluisterde: “Waar lichten knipogen, waar bladeren fluisteren, daar vind je wat je zoekt.” Ze legde de kleine pompoenlantaarn in Wolfjes poot. Aan de onderkant zat een sleutelvorm. “Luister naar de nacht. Vraag beleefd. Zeg dankjewel.”
Wolfje knikte. “Dankjewel, Oma Pompoen.”
“Graag gedaan,” zei ze. Ze gaf hem ook twee maanlicht-karamellen. “Eentje voor nu, eentje voor straks. Niet morsen, ze plakken aan de lach.”
De zoete ontdekking
Buiten wiegden de lantaarns in de wind. Ze leken echt te knipogen. Vlek fladderde naast de kleine pompoenlantaarn. “Ik hoor bladeren fluisteren,” piepte hij. “Hoor jij dat ook?”
Wolfje spitste zijn oren. De bladeren zuchtten zacht. Fluis-fluis. “Hierlangs,” zei Wolfje. Hij volgde het geluid over het plein, langs het hek dat kraakte, langs de hond in het dino-pak die sliep en snurkte als een klein motorbootje.
Ze kwamen bij een oude boomstronk. In de bast zat een klein gaatje, net zo groot als de sleutelvorm aan de onderkant van de pompoenlantaarn. Het rook naar bos en naar appel. Wolfje keek naar Vlek. “Zullen we?”
“Eerst vragen,” fluisterde Vlek. “Dat is netjes.”
Wolfje hield de lantaarn vast. “Alsjeblieft,” zei hij in de nacht. “Mogen we delen?”
De lantaarn lichtte op, warm en zacht. Wolfje stak de sleutel erin. Klik. De boomstronk zuchtte. Een klepje ging open, heel langzaam, alsof de boom voorzichtig glimlachte.
Binnenin lag een klein mandje met snoepjes die glansden als kleine maantjes. Ze roken naar honing en appel en een beetje naar vanille. Rond het mandje dansten glimwormpjes. Hun licht was zacht en vrolijk. Wolfjes ogen werden groot.
“Wauw,” fluisterde hij. “Vrienden-snoep.”
Vlek landde op de rand. “Ze lijken te lachen,” zei hij.
“Eén voor Mila,” zei Wolfje. “Eentje voor mij. En de rest om te delen.”
Hij vulde twee zakjes: een voor Mila, met de maan-snoepjes en een paar dropveters en chocolademunten. Een voor zichzelf en om uit te delen. Hij sloot de stronk weer. “Dankjewel,” zei hij tegen de boom. De bladeren klapten zacht, als handen die applaudisseren.
Wolfje huppelde naar Mila's huis. Het raam stond op een kiertje. Binnen zat Mila in een grote sjaal met sterren. Haar neus was rood, maar haar ogen glommen.
“Wolfje!” piepte ze. “Ben jij dat?”
“Ja,” zei Wolfje. “Kom, als je kunt. Doe je jas aan. Ik wil je iets laten zien.”
Mila stapte naar buiten. Wolfje sloeg zijn sjaal even om haar heen, half voor hem, half voor haar. “Samen warm,” zei hij. Vlek fladderde voor hen uit als een klein lintje in de lucht.
Bij de boomstronk knielde Wolfje. “Kijk,” fluisterde hij. Hij tikte met de lantaarn. “Alsjeblieft?” vroeg hij nog eens zacht.
Het klepje ging open. De glimwormpjes vlogen op, als sterren die wakker worden. Mila sperde haar mond open. “Ooooh.”
“Ruik je het?” vroeg Wolfje.
“Honing en appel,” zei Mila. “En iets wat ik niet ken. Het ruikt naar… lachen.”
Wolfje lachte. “Pak er één. We eten samen.” Ze namen ieder een klein maantje. Het snoep smolt op hun tong. Warmte kroop van hun wangen naar hun tenen. De lantaarns om hen heen flonkerden. De nacht leek te glimlachen.
Kinderen kwamen voorbij met mandjes. Wolfje stak zijn poot op. “Wil je proeven?” vroeg hij. “Als je alstublieft zegt.”
“Alstublieft,” zeiden ze in koor. Wolfje deelde. “Dankjewel!” zongen de kinderen. Bij elk dankjewel werden de glimwormpjes een beetje feller. De boom leek zacht te giechelen.
Het kleine spookje met het scheve laken kwam ook. “Mag ik ook?” vroeg het verlegen.
“Alsjeblieft,” zei Wolfje. “En dankjewel dat je zo netjes vroeg.”
Het spookje nam een snoepje en straalde. “Ik ga er eentje naar mijn broer brengen,” zei het. “Hij is bang in het donker.”
“Zeg hem dat de lampions knipogen,” zei Vlek. “Niet eng. Gewoon vriendelijk.”
Mila keek naar Wolfje. “Bedankt dat je aan mij dacht,” zei ze. “Je bent de beste vriend.”
Wolfje voelde zijn hart groot en warm worden. “Jij ook,” zei hij. “Zullen we straks samen nog een laatste ronde lopen? Heel even. We blijven bij het licht.”
Mila knikte. Ze stopten de snoepjes veilig weg. Wolfje keek nog een keer naar de boomstronk. De lantaarn in zijn poot brandde zacht. Boven hen vormden de lampions langs de straat opeens een patroon. Het leek een hart dat naar de stronk wees. Wolfje tikte Mila. “Zie je dat?”
Mila keek, wreef in haar ogen, en lachte. “Ik zie het echt,” fluisterde zij. “Het hart wijst naar de plek waar je deelt.”
Ze stonden even stil. De wind fluisterde vriendelijk. De trap van het grote huis zong in de verte een laatste la-la. Wolfje pakte Mila's pootje. Samen stapten ze terug naar het licht, hun zakjes vol, hun harten nog voller. En overal waar ze “alsjeblieft” en “dankjewel” hoorden, gloeiden de lampions net een beetje helderder. Zo eindigde de nacht met een zoete ontdekking die iedereen kon zien. Delen maakte alles nog mooier.