Vos de vos wandelde door het bos. Het was een zachte ochtend. De zon was warm als een deken. Vos neuriede: “La-la-la, la-la-la.”
Hij zag een boomstam met een bordje erop: “NIEUWE KORTERE WEG.”
“Een korte weg? Dat klinkt lang niet slecht,” zei Vos.
Hij stapte naar de boomstam toe. Maar het was geen gewone boomstam. Het was een muur. Een muur van post-its. Geel, roze, groen, blauw. Zó veel! Het leek op een regenboog van plakpapiertjes.
Vos knipperde met zijn ogen.
“Post-its in het bos? Hoor ik dat goed?” vroeg hij zacht.
De muur ritselde. Alsof de briefjes fluisterden.
“Plak-plak-plak,” deed de muur, heel vrolijk.
Vos deed één pootje vooruit. Toen nog één. En plop… hij zat er middenin. Niet eng. Helemaal niet. Het voelde als een kussen van papier. Zacht en kriebelig.
“Welkom!” piepte een blauw briefje.
“Welkom!” piepte een groen briefje.
“Welkom!” piepte een geel briefje.
Vos lachte. “Jullie zijn beleefd.”
Een groot roze briefje hing voor zijn neus. Daar stond met dikke letters:
“STEL HIER JE VRAAG.”
Vos krabde achter zijn oor. Hij dacht aan een vraag. Hij dacht aan tien vragen. Hij dacht aan honderd vragen. Zijn hoofd werd er wiebelig van.
“Mag ik ook een kleine vraag?” vroeg Vos.
“Ja!” riep de muur. “Klein is fijn! Klein is fijn!”
Vos deed zijn snuit dichterbij. “Waar zijn mijn sokken?” vroeg hij.
Vos had helemaal geen sokken. Dat wist hij ook. Maar het was zo'n grappige vraag.
De muur begon te trillen van plezier. De post-its dansten.
“Zoek-zoek-zoek!” zongen ze. “Sokken voor een vos, sokken voor een vos!”
Een groen briefje plakte plots aan Vossens staart.
“Tik!” zei het briefje.
Vos keek om. “Hé!”
Nog een briefje plakte aan zijn poot.
“Plak!” zei het.
Nog één op zijn neus.
“Plof!” zei dat briefje.
Vos stond nu vol post-its, alsof hij een wandelende puzzel was.
“Ben ik… een post-it-vos?” vroeg hij.
“Ja!” riep de muur. “Een post-it-vos! Een post-it-vos!”
En weer: “Een post-it-vos! Een post-it-vos!”
Vos schudde. De briefjes bleven zitten. Hij liep een rondje. De briefjes hupten mee. Hij deed een klein dansje. De briefjes maakten muziek: “Plak-plak, tik-tik, plof-plof.”
Vos moest zo lachen dat hij bijna omviel. “Ik ben kietel-papier!”
Toen kwam er een heel klein, wit briefje aanwaaien. Het landde netjes op zijn voorhoofd. Daarop stond:
“SOKKEN ZIJN NIET NODIG. MAAR JE KUNT WEL SOKKEN-VOETJES SPELEN.”
“Sokken-voetjes spelen?” herhaalde Vos.
De muur fluisterde: “Probeer maar. Probeer maar.”
Vos tilde zijn voorpoot op. “Dit is mijn sokkenvoet.”
Hij tilde zijn andere voorpoot op. “En dit is mijn andere sokkenvoet.”
Hij stapte voorzichtig: één… twee… één… twee…
De post-its telden mee.
“Eén!”
“Twee!”
“Eén!”
“Twee!”
Vos liep alsof hij onzichtbare sokken droeg. Dat voelde gek. En ook heel grappig. Hij deed alsof de sokken strepen hadden. En stippen. En een klein belletje.
“Tring!” zei Vos zelf, want er was geen echt belletje.
De muur vond het prachtig. Een blauw briefje riep: “Nog eens!”
“Nog eens!” riepen de anderen.
“Oké,” zei Vos. “Nog eens.”
Hij stapte weer: één… twee… één… twee…
“Eén!”
“Twee!”
“Eén!”
“Twee!”
Toen zei Vos: “Maar hoe kom ik hier weer uit?”
Meteen werd het rustig. Niet stil-stil. Maar zacht rustig. De muur ritselde vriendelijk. Een groot geel briefje schoof naar voren, als een deur van papier.
“Uitgang,” stond erop.
Vos aaide de post-it-deur met zijn poot. “Dank je wel, muur.”
De briefjes fluisterden: “Graag gedaan. Graag gedaan.”
En nog eens: “Graag gedaan.”
Vos stapte door de deur. Plop. Daar was hij weer in het bos. De zon was nog steeds warm. De vogels floten.
Hij keek naar zichzelf. De post-its waren weg. Alleen het kleine witte briefje zat nog op zijn staart.
“SOKKEN-VOETJES KUN JE ALTIJD SPELEN,” stond erop.
Vos glimlachte. “Dat ga ik doen.”
Hij liep naar huis, rustig aan. Eén… twee… één… twee…
In zijn hoofd klonk het zacht: “Plak-plak, tik-tik.”
En in zijn hart klonk het nog zachter: “Alles is goed.”