Er was eens, op een avond met zachte sneeuw, een klein vosje. Het vosje heette Vesper. Zijn vacht was rood als een warme sjaal. Zijn ogen glansden als twee kleine sterretjes. De sneeuw lag als een zachte deken op het bos. De lucht was blauw en stil, als een grote tent.
Zachtjes sneeuwt het, zachtjes, zachtjes.
Tingeling, tingeling doen de belletjes.
De dennenboom ruikt zo fijn.
De kaarsjes gloeien warm en klein.
Vesper woonde bij de rand van het dorp. In het dorp stond een plein. Op het plein had vroeger een grote boom gestaan. Daar klonken eens belletjes. Daar brandden eens kaarsjes. Vesper had het gehoord van Oma Vos. Zij had verteld over de Krans van Licht. Elk jaar, vlak voor Kerst, brachten iedereen een klein lichtje. Ze zeiden iets liefs. Ze dachten aan elkaar. En de boom knikte en glimlachte.
Maar nu deed niemand het meer. Het plein was stil. De boom was klein en jong. De mensen waren druk. Ze vergaten het even. Niet omdat ze niet lief waren, maar omdat ze het even niet wisten.
Vesper snoof de koude lucht. Hij dacht aan Oma Vos. Hij dacht aan warme kaarsjes en vriendelijke woorden. Hij dacht aan een kring van licht. Zijn hart werd warm. Hij fluisterde: "Ik wil de traditie wakker maken."
Zachtjes sneeuwt het, zachtjes, zachtjes.
Tingeling, tingeling doen de belletjes.
De dennenboom ruikt zo fijn.
De kaarsjes gloeien warm en klein.
Vesper huppelde naar zijn vrienden. Haas sprong uit de struiken. "Wat is er, Vesper?" zei Haas. "Ik wil lichtjes brengen," zei Vesper. "Ik wil dat het plein weer lacht." Haas knikte. "Dat is mooi," zei Haas. "Ik help."
Roodborstje kwam aangevlogen. Zijn borstje was als een klein vuur. "Zal ik zingen?" vroeg hij. "Ja," zei Vesper. "Zing zacht en vrolijk." Eekhoorn klom uit de den. "Ik breng denneappels," zei hij. "Ze ruiken naar bos." Egel rolde dichterbij. "Ik heb bessen," zei Egel. "Ronde, rode bessen."
Zachtjes sneeuwt het, zachtjes, zachtjes.
Tingeling, tingeling doen de belletjes.
De dennenboom ruikt zo fijn.
De kaarsjes gloeien warm en klein.
In het mos lag een klein belletje. Het glansde alsof het sliep in de maan. Vesper tikte er zachtjes tegen. Tingeling. Het klonk als een herinnering. "Dit belletje is als Oma's stem," fluisterde Vesper. "Het zegt: samen, samen."
Ze gingen naar het plein. De lucht rook naar den en kaneel. In het midden stond de jonge boom. Hij was niet groot, maar hij stond dapper rechtop. Vesper aaide de stam. "Dag, boompje," zei hij. "Wil je ons helpen?" De boom leek te knikken. Een heel klein takje bewoog. Het was net een glimlach.
Haas legde mos aan de voet. Eekhoorn hing dennenslierten in de takken. Egel rolde bessen tot een krans. Roodborstje zong een zacht lied. Vesper haalde kleine kaarsjes tevoorschijn. "Voor elk vriendje één," zei hij. "Voor elk lief woord één."
Zachtjes sneeuwt het, zachtjes, zachtjes.
Tingeling, tingeling doen de belletjes.
De dennenboom ruikt zo fijn.
De kaarsjes gloeien warm en klein.
Vesper keek naar de huizen om het plein. "Zullen de mensen komen?" fluisterde hij. Roodborstje wiegde met zijn kopje. "Ja," zong hij heel zacht. "Licht roept licht. Vriend roept vriend."
Vesper tilde het belletje op. Tingeling, tingeling. Het klonk heel vriendelijk. Geen hard geluid. Een zacht, warm belletje. De sneeuw ving het geluid op en droeg het rond. De ramen gingen open. Gezichten keken naar buiten. Kleine voeten tikten op de trap. De deur ging open.
Een meisje kwam aan de hand van haar mama. Een opa en een oma kwamen met mutsen op. De bakker kwam met warme melk. De buurvrouw bracht appels. De timmerman droeg een doosje met kaarsjes. "Wat is dit voor moois?" vroeg het meisje. Vesper glimlachte. "Een herinnering," zei hij. "Een krans van licht. Samen."
Zachtjes sneeuwt het, zachtjes, zachtjes.
Tingeling, tingeling doen de belletjes.
De dennenboom ruikt zo fijn.
De kaarsjes gloeien warm en klein.
"Mag ik ook een lichtje?" vroeg het meisje. "Ja," zei Vesper. "Zeg er iets liefs bij." Het meisje fluisterde: "Voor mijn vriend in de klas." Ze zette het kaarsje neer. De vlam wiebelde blij. De papa zei: "Voor de buren." De oma zei: "Voor wie alleen is." De bakker zei: "Voor iedereen die warm brood wil delen." Elke vlam was als een klein zonnetje. Elke vlam zei: ik zie jou.
Roodborstje zong. Eekhoorn klapte met zijn pootjes. Egel knikte. Haas sprong een rondje. Vesper keek. Zijn hart werd groot en licht. Een opa keek naar Vesper en zei: "Mijn moeder vertelde dit ook. We deden dit vroeger. Hoe fijn dat het weer leeft." Hij aaide zacht over Vespers oor. "Dank je, vriend."
Zachtjes sneeuwt het, zachtjes, zachtjes.
Tingeling, tingeling doen de belletjes.
De dennenboom ruikt zo fijn.
De kaarsjes gloeien warm en klein.
De boom stond stil en trots. Het leek of de takken fluisterden. De kaarsjes gloeiden rustig. De sneeuw viel zacht als suikervlokken. Iemand gaf Vesper warme melk in een klein kopje. Het was zoet en mild. "Samen is warm," zei Vesper. Iedereen knikte. "Samen is warm," herhaalden ze. "Samen is licht."
Ze maakten een kring rond de boom. Hand in hand. Poot in hand. Poot in poot. Niemand was bang. Niemand was alleen. De belletje klonk nog één keer. Tingeling. En het plein herinnerde zich het lied.
Zachtjes sneeuwt het, zachtjes, zachtjes.
Tingeling, tingeling doen de belletjes.
De dennenboom ruikt zo fijn.
De kaarsjes gloeien warm en klein.
De avond werd diep en blauw. De sterren keken vriendelijk. De vlammetjes werden klein en rustig. Mensen gaapten. Dieren gaapten. Het meisje fluisterde: "Tot morgen, boompje." Vesper geeuwde. Hij zocht een plekje bij de wortels. Het mos was zacht als een kussen. De boom voelde als een rustige vriend.
"De traditie slaapt niet meer," fluisterde Vesper. "Ze is wakker. Ze is licht. Ze is vriendschap." Zijn vrienden gingen dicht bij hem liggen. Haas tegen zijn rug. Egel aan zijn poot. Eekhoorn op een tak. Roodborstje onder een groen blaadje.
De sneeuw maakte alles zacht en stil. De belletjes rustten. De boom ademde langzaam. De kaarsjes gaven nog een laatste kus van licht.
Zachtjes sneeuwt het, zachtjes, zachtjes.
Tingeling, tingeling doen de belletjes.
De dennenboom ruikt zo fijn.
De kaarsjes gloeien warm en klein.
En zo sliep het plein in vrede. En Vesper glimlachte in zijn droom. Alles was warm. Alles was goed. En de nacht hield iedereen zachtjes vast. Samen, samen. En morgen weer licht.