Er was eens drie kleine meisjes van drie: Lila, Noor en Mira. Het was bijna kerst. Buiten lag de sneeuw als een zachte deken. Belletjes klingelden tinkel-tinkel. De boom stond groen en stil als een vriendelijke reus. Kaarsjes glimlachten warm.
"Vandaag geven we een glimlach," zegt Lila.
"Een kleine glimlach," zegt Noor.
"Een glimlach als een kaarsje," fluistert Mira.
Mama staat bij de deur en lacht. "Ik kijk naar jullie," zegt ze. Dat is fijn en veilig.
De meisjes trekken sjaals aan. Ze stappen naar de stoep. Sneeuwvlokken dansen als veertjes. Ze houden elkaars hand vast.
Sneeuw valt zacht en wit. Belletjes klingelen tinkel-tinkel. De boom ruikt groen en stil. Kaarsjes glimlachen warm.
Eerst zien ze een sneeuwpop. Hij heeft een wortelneus. "Hoi, sneeuwpop," zegt Noor. De meisjes geven hem drie glimlachjes. De sneeuwpop lijkt te knipogen. "Hij lacht terug," zegt Mira blij.
Op het hek zit een klein vogeltje. Het trilt als een pluim. Lila breekt een koekje. "Hier is een kruimel," zegt ze zacht. Het vogeltje zingt een piep-lied. Het liedje glanst als een ster.
Verderop zwaait Oma Roos bij het raam. Haar ogen zijn moe. Noor lacht breed. "Fijne avond, Oma Roos!" roept ze. Oma Roos lacht. Haar lachen is licht als een bel. "Dank je, zonnetjes," zegt ze. De meisjes glimmen, maar ze springen niet hoog. Ze maken zich klein. Hun harten zijn stil en warm.
Aan de hoek veegt Meneer Bram sneeuw. Zijn rug is rond als een maan. "Hallo," zegt Mira. "Wilt u een glimlach?" Ze zingen heel zacht: "Sneeuw valt zacht en wit, belletjes klingelen tinkel-tinkel." Meneer Bram stopt even. Zijn gezicht wordt ochtend. Hij lacht. "Die glimlach is mijn mooiste cadeau," zegt hij.
Sneeuw valt zacht en wit. Belletjes klingelen tinkel-tinkel. De boom ruikt groen en stil. Kaarsjes glimlachen warm.
De meisjes nemen de glimlach mee naar huis. Ze leggen hem op de tafel, naast een appel en een ster van papier. "Onze glimlach is klein," zegt Lila. "Maar klein licht is ook licht," zegt Noor. "Licht wandelt," fluistert Mira, "van mond naar mond."
Binnen knippert de boom zacht. Kaarsjes wiegen als kleine zonnen. Mama schenkt warme melk. De nacht legt een dikke deken van vrede. De meisjes sluiten hun ogen. Hun glimlach blijft aan, heel zacht, heel licht. En alles is stil, warm en goed.