De zon maakte de stenen warm en goud. Timo de tyrannosaurus rekte zich uit. Zijn staart zwaaide zacht door het hoge gras. Vandaag voelde zijn buik kriebelig van zin. Voor hem lag het plateau, hoog en plat, alsof de wereld daar een groot tafelblad had neergelegd.
“Dag, plateau,” fluisterde Timo. “Ik kom kijken.”
Bij de voet van de rots stond Lila de langnek. Ze plukte blaadjes en kauwde rustig. “Waar ga je heen, Timo?”
“Naar boven,” zei Timo. “Ik wil alles zien. De lucht. De wolken. De grote verte.”
Lila glimlachte. “Kijk naar je poten. Stap, stap. Rustig. Je kunt het.”
Timo zette één poot op een brede steen. Toen nog één. Stap, stap. De rotsen waren warm, alsof ze hem aanmoedigden. Een kleine pterosaurus, Piep, cirkelde boven zijn kop.
“Ik vlieg mee!” riep Piep. “Ik kan vooruit kijken.”
“Goed,” zei Timo. “Zeg maar als het pad fijn is.”
Piep dook omlaag. “Hier is een glad stukje. Maar daar is ook een diepe plas modder.”
Timo bleef staan. Zijn hartje tikte sneller. Modder kon plakken. Plak, plak. Dat vond hij niet fijn.
Lila kwam dichterbij. “Het is oké,” zei ze zacht. “Modder is maar modder. We doen het samen.”
Timo knikte. “Samen.”
Ze liepen om de modder heen, langs stenen die glinsterden. In een spleet groeiden paarse bloemen. Ze wiegden in de wind. Timo boog zijn grote kop en rook eraan.
“Ruikt als zoete regen,” zei hij.
Piep lachte. “En kijk! Een trap van stenen. Alsof de aarde hem zelf heeft gemaakt.”
Stap, stap. Timo ging omhoog. Zijn adem pufte, maar zijn glimlach werd groter. Bovenaan waaide de wind zacht langs zijn wangen. Het plateau lag open en rustig. Het voelde als een grote, stille kamer onder de lucht.
“Wauw,” fluisterde Timo.
Over het plateau liepen ronde, glanzende keien. Ze waren rood, geel en groen, als snoepjes, maar dan van steen. In het midden lag een klein meertje. Het water was blauw als de hemel. Wolken dreven erin, maar dan ondersteboven.
Timo keek in het water. “Hallo, wolken,” zei hij.
“Hallo, Timo,” zei Piep. “Je hebt het gehaald.”
Lila stapte naast hem. “Wat zie je?”
“Ik zie… ruimte,” zei Timo. “En ik voel mij groot en klein tegelijk.”
Ze gingen liggen in het zachte mos. Timo luisterde naar de wind: woei, woei, woei. Het klonk als een liedje dat je altijd al kent.
“Zullen we teruggaan?” vroeg Timo na een tijdje.
“Ja,” zei Lila. “Stap, stap. Rustig.”
Piep fladderde voor hen uit. “Ik wijs de weg!”
Samen daalden ze af. Beneden was het gras nog steeds warm. Timo keek nog één keer omhoog naar het plateau. Zijn buik kriebelde weer, maar nu van blij.
“Morgen weer,” zei hij zacht.
En de zon knipoogde, rustig en vriendelijk, terwijl de dinosaurusvrienden dicht bij elkaar bleven.