Hoofdstuk 1: Roos en haar beste vriendje
Roos is zes jaar. Ze woont in een gezellig huis met haar mama, papa en haar kleine broertje Bram. Maar Roos heeft ook een bijzonder vriendje: haar konijn, Pluis. Pluis is wit met bruine vlekjes en heeft lange, zachte oren. Elke ochtend springt Roos uit bed, rent naar de tuin en roept: “Goedemorgen, Pluis!”
Pluis wipt altijd naar haar toe en tikt met zijn neusje tegen haar hand. Roos lacht dan en zegt: “Jij bent mijn beste vriendje, Pluis!” Samen eten ze worteltjes en Roos borstelt de zachte vacht van Pluis. Ze praat tegen Pluis over haar dag. “Vandaag ga ik naar school. Ik leer nieuwe woorden!” zegt Roos vaak. Pluis luistert stilletjes.
Roos houdt heel veel van Pluis. Pluis is haar vriend. Pluis is lief. Pluis is zacht. Pluis is altijd dichtbij.
Hoofdstuk 2: Pluis is ziek
Op een ochtend rent Roos naar de tuin. Ze roept: “Goedemorgen, Pluis!” Maar Pluis komt niet. Pluis ligt stil in zijn hok. Roos schrikt. “Pluis, wakker worden!” zegt ze zacht. Ze aait Pluis over zijn kopje, maar Pluis beweegt niet. Roos voelt zich verdrietig.
Mama komt erbij. Ze kijkt naar Pluis. Mama zegt: “Pluis is heel moe, Roos. Hij is oud en nu is hij ziek.” Roos kijkt naar Pluis. Ze fluistert: “Word je weer beter, Pluis?” Maar Pluis blijft stil liggen.
Mama tilt Roos op schoot. “Soms worden dieren ziek, lieverd. Soms worden ze zo moe dat ze niet meer beter worden.” Roos snikt zacht. “Gaat Pluis dood?” vraagt ze.
Mama knikt langzaam. “Ja, Pluis gaat dood. Pluis kan niet meer beter worden.” Roos knuffelt mama heel hard. Ze voelt zich boos en verdrietig tegelijk. “Waarom moet Pluis doodgaan? Dat wil ik niet!” roept Roos.
Mama streelt haar haren. “Het is niet jouw schuld, Roos. Pluis heeft een fijn leven gehad bij jou. Jij hebt heel goed voor hem gezorgd.” Roos veegt haar tranen weg. “Ik wil Pluis niet missen,” fluistert ze.
Mama zegt: “Het is oké om verdrietig te zijn. Je mag huilen. Je mag boos zijn. Dat is niet gek. Ik ben er voor je.” Roos snikt nog een beetje en knuffelt mama nog harder.
Die dag zit Roos lang bij Pluis. Ze praat tegen hem. Ze vertelt over haar lievelingsverhaal. Ze zegt: “Ik hou van jou, Pluis. Jij bent mijn vriendje. Altijd.” Pluis blijft zachtjes liggen.
Hoofdstuk 3: Dag lieve Pluis
De volgende ochtend is Pluis niet meer wakker geworden. Roos weet nu zeker: Pluis is dood. Ze voelt haar buik vol met verdriet. Alles lijkt stil. Alles lijkt anders. Ze wil Pluis aaien, maar Pluis beweegt niet meer.
Papa en mama helpen Roos. Samen maken ze een mooi doosje met zachte doeken. Ze leggen Pluis in het doosje. Roos stopt er een worteltje bij. “Voor als je honger krijgt in de dierenhemel,” zegt ze zacht. Papa graaft een klein kuiltje in de tuin. Roos kijkt toe. Ze voelt zich verdrietig, maar ook een beetje rustig. Pluis is nu veilig.
Iedereen staat stil bij het grafje van Pluis. Mama zegt: “We gaan Pluis nu begraven. We zeggen dag tegen Pluis.” Roos fluistert: “Dag lieve Pluis. Ik zal je nooit vergeten.” Ze legt een bloem op het grafje.
Oma komt langs. Ze geeft Roos een dikke knuffel. Oma zegt: “Het is heel normaal om te huilen, Roos. Soms helpt het om te praten over Pluis. Wat vond je het leukste aan Pluis?” Roos denkt even na. Ze zegt: “Hij sprong altijd zo grappig. En hij hield van worteltjes. En hij luisterde altijd naar mij.”
Oma glimlacht. “Dan blijft Pluis altijd een beetje bij jou. In je hart. In je hoofd. In je verhalen.” Roos knikt. Ze snapt het nog niet helemaal, maar het voelt een beetje fijn.
Die avond maakt Roos een mooie tekening van Pluis. Ze hangt de tekening boven haar bed. Elke avond kijkt ze naar de tekening en zegt zacht: “Dag lieve Pluis. Slaap lekker.”
Hoofdstuk 4: Verder gaan en herinneren
De dagen daarna voelt Roos zich soms blij, soms verdrietig. Soms wil ze lachen om de gekke sprongen van Pluis. Soms wil ze huilen omdat ze Pluis mist. Roos praat erover met mama, papa en Bram. “Ik mis Pluis, maar ik weet dat hij fijn heeft geleefd,” zegt ze.
Op school vertelt juf dat het goed is om over je gevoelens te praten. “Als je verdrietig bent, mag je dat zeggen. Je mag tekenen, praten of gewoon even stil zijn,” zegt juf lief. Roos tekent nog een konijn. Ze laat haar tekening zien aan haar vriendinnetje Noor. “Dit is Pluis,” zegt ze trots. Noor zegt: “Wat een mooie tekening! Ik mis ook mijn hondje soms. Zullen we samen spelen?” Roos knikt blij.
Op een zonnige dag plant Roos een klein bloemetje op het grafje van Pluis. Ze zegt: “Dit bloemetje is voor Pluis. Zo vergeet ik hem nooit.” Samen met mama giet ze water op het plantje. Het bloemetje groeit en groeit. Elke keer als Roos naar het bloemetje kijkt, denkt ze aan Pluis.
Soms is Roos nog verdrietig. Maar ze weet nu: het is goed om te huilen. Het is goed om te praten. Ze weet ook: Pluis blijft altijd in haar hart. Roos leert dat herinneringen heel waardevol zijn. Ze leert dat praten helpt. Ze leert dat het leven doorgaat, maar dat je altijd mag blijven denken aan wie je mist.
En elke avond zegt Roos zacht: “Dag lieve Pluis. Dankjewel voor alles. Jij blijft altijd mijn vriendje.” Zo voelt Roos zich weer een beetje blij. Ze weet: het is oké om verdrietig te zijn, maar het is ook oké om weer te lachen.
Roos weet nu: als je iemand mist, kun je altijd aan de mooie momenten denken. Dan voelt het alsof diegene toch een beetje dichtbij is.