In het Wonderrijk stond een paleis van zachte steen, wit als melk. Op de hoogste toren hing een gouden klok. Die klok heette Klara. Elke ochtend zong ze: bim-bam, bim-bam, alsof ze de zon een kus gaf.
Maar op een dag klonk er geen lied. Alleen: tik… tik… alsof de stilte een dikke deken was. Prinses Linde keek omhoog. Haar hartje voelde als een klein vogeltje dat zijn lied kwijt was.
“Lieve klok,” fluisterde ze, “waarom ben je zo stil?”
Ze stapte naar de toren. Haar schoenen tikten zacht op de trap. In de torenkamer zag ze het: de kleine zilveren klepel was losgeraakt. Hij lag in een hoekje, als een gevallen sterretje.
Prinses Linde wilde het meteen maken. Maar het was hoog en glad. Ze kon er net niet bij. Ze haalde diep adem. “Ik ben dapper,” zei ze zacht. “En ik kan hulp vragen.”
Beneden in de paleistuin glinsterde de fontein. Er zwommen eenden. Er groeiden rozen die naar honing roken. Linde liep langs de paden en riep vriendelijk: “Wie wil mij helpen? De klok moet weer zingen.”
Eerst kwam Muis, klein en grijs, met snorhaartjes als draadjes. “Ik kan door smalle gaatjes,” piepte Muis.
Toen kwam Duif, wit als wolkjes. “Ik kan hoog vliegen,” koerde Duif.
Toen kwam de oude tuinman, met handen die naar aarde en appel roken. “Ik heb een ladder,” zei hij. “Een ladder is een brug naar boven.”
Samen gingen ze naar de toren. De ladder stond stevig. Linde klom rustig. Duif fladderde naast haar, als een zachte waaier. Muis rende alvast naar de hoek.
Boven was het licht geel, als boter. De klok hing stil, maar ze leek te luisteren. Muis duwde de klepel met zijn neusje naar Linde. “Hier,” piepte hij trots.
“Dank je wel, Muis,” zei Linde. Ze hield de klepel vast. “Hij voelt koud, maar hij hoort bij warm geluid.”
Duif liet een veertje vallen, precies op de plek waar Linde moest kijken. “Hier zit het haakje,” koerde Duif.
“Dank je wel, Duif,” zei Linde. “Jij wijst als een ster in de lucht.”
De tuinman hield de ladder vast. “Rustig,” zei hij. “Ik ben er.”
“Dank u wel,” zei Linde. “U bent als een boom. Sterk en stil.”
Met kleine, zachte handen klikte Linde de klepel terug. Eén keer duwde ze voorzichtig. De klok trilde, alsof ze wakker werd uit een dutje.
Toen klonk het: bim-bam… bim-bam…
Het geluid rolde over het Wonderrijk, als een gouden lint. De rozen leken te glimlachen. De eenden wiebelden vrolijk. Zelfs de wolken dreven net iets lichter.
Prinses Linde legde haar hand op de klok. “Dank je wel, Klara,” fluisterde ze.
En toen draaide ze zich naar haar helpers. “Dank je wel,” zei ze nog eens, heel langzaam, zodat elk woord kon landen als een zachte veer. “Jullie maakten dit samen met mij.”
Die avond aten ze in de tuin kleine koekjes met jam. De klok zong rustig boven hen, niet te hard, niet te zacht. Prinses Linde keek naar de sterren en voelde haar hart warm worden.
Ze dacht: als je dankjewel zegt, wordt het donker minder donker. En wordt het goede groter. In het Wonderrijk sliep iedereen tevreden, terwijl Klara zacht bleef zingen: bim-bam, bim-bam.