In een land van zachte bergen en glinsterende rivieren woonde een kleine prins. Zijn naam was Bram. Bram hield van lichtjes. Bram hield van muziek. Maar het kasteel was stil. De grote feestzaal was leeg. De gouden slingers hingen als slaapliedjes. Het dorp miste de dans. Het dorp miste het lachen.
Bram had een wens. Hij wilde het feest doen herleven. Hij sprak zacht. "Ik wil de feestdag terug," zei hij. Zijn stem was als een klokje. Hij klonk hoopvol.
Op een morgen liep Bram naar de tuin. De bomen wiegden als oude vrienden. Een oude eik boog zijn tak. Hij fluisterde: "Zoek de kleine vonk." Bram knikte. Hij dacht aan lichtjes in de nacht. Hij dacht aan voeten die stampen. Hij dacht aan handen die klappen.
Bram ging naar de markt. De markt was vol kleuren, maar nog zonder muziek. Hij zag een vioolmaker. De man glimlachte met zachte ogen. "Een lied?" vroeg Bram. "Ja," zei de man. Hij gaf Bram een kleine viool. De viool leek op een lach. Bram hield hem vast als een vogel.
Hij liep verder en vond een bakker met warme broodjes. De bakker zei: "Feest is delen." Hij gaf Bram een zoete bol. Bram deelde de bol met een visser. De visser gaf Bram een schelp die klonk als de zee. Bram vond een bloem bij een tuinvrouw. De bloem ruikte naar zon. Bram hield alles tegen zijn borst. Alles voelde als een belofte.
Bram volgde een lint van kleine lichtjes. Het lint leidde naar het bos. In het bos stonden lampjes tussen de bladeren. Ze knipperden als vuurvliegjes. Bram fluisterde: "Kom, lichtjes." De lichtjes sprongen op. Ze draaiden in een kring. Ze dansten langzaam.
Bram speelde op de viool. De noten waren zacht en helder. De noten zwommen als vissen door de lucht. Mensen kwamen luisteren. Ze kwamen uit hun huizen. Ze kwamen met hun handen vol kleine dingen: een trom, een sjaal, een glimlach. Ze brachten verhalen. Ze brachten hoop.
Samen maakten ze een versleten vlag weer nieuw. Samen hingen ze slingers aan de wanden. Samen bakten ze brood en deelden ze liedjes. De feestzaal vulde zich met licht en warmte. De gouden slingers hingen niet meer als slaapliedjes. Ze hingen als juwelen.
Die avond dansten de mensen. Het kasteel lachte zacht. Bram voelde een warmte in zijn borst. Het was als zon op een winterdag. Hij keek naar de sterren. De sterren knikten terug.
"De feestdag leeft," zei Bram. Zijn stem was vol hoop.
En iedereen voelde iets klein en groot tegelijk: hoop groeit als een bloem als je hem zacht water geeft. Het rijk sliep vredig. De volgende ochtend zongen vogels. Het feest bleef in de harten. En Bram wist: met vriendelijkheid en een klein lied kan een hele wereld oplichten.