Hoofdstuk 1: Het geurende atelier
Er was eens een kleine, vriendelijke heks. Ze heette Mirte. Mirte had een kort groen mantelpakje en lachte met haar ogen. Ze woonde in een huisje tussen twee grote lavendelstruiken. Binnen rook het altijd naar munt, tijm en iets wat naar sterren smaakte.
Het atelier van Mirte was haar favoriete plek. Er stonden glazen potten op de planken. Er hingen droogbundels met blauwe bloemen en zilveren blaadjes. Op de tafel borrelden potions in kleine ketels. Sommige potions knipperden als vuurvliegjes, andere floten zachtjes als een fluitje.
"Wat ga je vandaag brouwen?" vroeg haar kat, Pluis, die meer krullen had dan een wolk.
"Een vrolijkheidsdrankje," zei Mirte. "Voor de buurtfeestjes." Ze pakte een fijn trechtertje en een lepel met een hartje erin. Pluis spinte. Buiten begon de maan te glimmen tussen de bomen.
Op het midden van de tafel stond een oude kaars. Hij was kort en blauw. De vlam van de kaars flikkerde. Soms knipte hij. Soms zei hij "piep". Mirte keek naar de kaars en wiebelde met haar wenkbrauw.
"Een kaars moet niet giechelen tijdens het brouwen," zei Mirte. Ze liep naar de plank en pakte haar speciale kaarsenvork. Pluis sprong op de tafel en keek gespannen.
"Hup, hup," zei Mirte zacht. Ze wilde de kaars verwisselen voor een nieuwe, want een flikkerende kaars kan een liedje verkeerd zingen. Net toen ze de vlam wilde bedwingen, blies er een kleine windvlaag door het raam. De vlam danste en maakte figuurtjes: een konijn, een theepot, en ineens... een gezichtje met een puntneus.
"Hallo!" zei het gezichtje. Het was gemaakt van licht. Mirte schrok niet. Ze glimlachte. Mirte hield van verrassingen. Maar Pluis sprong naar achteren en maakte een klein, verbaasd miauw.
"Wie ben je?" vroeg Mirte tegen het vlammetje.
"Ik ben Fluitje," piepte het zachte licht. "Ik woon in kaarsvlammen. Ik hou van liedjes en sprankels."
Mirte lachte. "Wil je mee naar het vrolijkheidsdrankje?"
Fluitje stond op een speelse manier in de lucht te draaien. "Alleen als ik een nieuw lied mag leren!"
Mirte knikte. Ze nam een nieuw kaarsje, het was groen en rook naar appelmoes. Ze stak het aan met een zacht toverwoord dat klonk als belletjes. De nieuwe vlam was rustig. Fluitje fladderde rond de nieuwe kaars en probeerde een hoge noot. Hij hoestte een kleine vonk. Pluis kreeg glitter op zijn snuit en schudde zich uitbundig.
Alles leek goed, maar plotseling begon de grote pot met lach-siroop te pruttelen. De deksel sprong, en er kwam een wolk van bubbels. De bubbels rolden als kleine ballonnen over de tafel. Eén bel kopieerde Pluis en deed: "Miauw-bol!" Iedereen lachte.
Mirte klapte in haar handen. "Dat is het begin van een avontuur," zei ze vrolijk. "Laten we eens kijken wat er nog meer kan gebeuren."
Hoofdstuk 2: Potions die kietelen
Mirte zette haar lepel neer en koos drie bladvormen: één blauwe, één gouden en één die rook naar perzik. Ze knipte ze klein en gooide ze in de ketel. De ketel begon te bubbelen en plopte kleine hartjes eruit. Fluitje floot mee. Pluis deed alsof hij de ketel wilde bewaken.
Pling! Er kwam een brief op de deurmat. Mirte opende hem met haar tenen, want haar handen waren vol met rozenblaadjes. De brief was van meneer Uil. Hij schreef met grote ronde letters: "Kom snel naar het dorpsplein. Er is een wedstrijd: wie het vrolijkst kan spreuken, wint een... uilstickertje!"
Mirte lachte zo hard dat een roos van haar haar viel. "Een uilstickertje!" zei ze. Pluis spitste zijn oren. "Dat is perfect voor op jouw hengselmand," zei Mirte, terwijl ze naar haar oude mandje wees dat meestal vol met kruiden zat. Ze pakte haar cape en zette haar puntmuts scheef.
Op het plein stonden alle buren klaar. Er waren tovenaars met balpennen, kabouters met platte schoenen, en drie zingende geiten. Meneer Uil zat op een hoge paal en droeg een bril die groter was dan zijn hoofd.
"De wedstrijd begint," zei meneer Uil met een diepe, vrolijke stem. "Laat ons zien wat jullie kunnen."
Eerste was een tovenaar die confetti uit zijn hoed blies. De confetti werd papegaaien en vlogen weg. Iedereen applaudisseerde. Toen was het Mirte's beurt. Ze besloot een kleine, zachte spreuk te doen. Geen flitsen, geen harde knallen. Gewoon blote pret.
Mirte pakte haar groene kaars en zei: "Lichtje tinkel, lach en kronkel, geef ons allen een vrolijk vonkel." De vlam kneep even en... poef! – er kwamen kleine sterretjes uit de vlam die in de lucht sprongen en vormden een grote glimlach boven het plein. De mensen lachten. De geiten lachten zelfs hun hoorns af (maar die rolden voorzichtig terug).
Plotseling rukte een bries. De glimlach viel van de lucht en landde op het hoofd van de burgemeester. De burgemeester begon zachtjes te giechelen en kon niet stoppen. Zijn laarzen maakten een dansje. Iedereen lachte nog harder. Pluis huppelde als een klein konijntje en Fluitje floot een deuntje.
Meneer Uil knikte goedkeurend. Hij pakte zijn pen en zei: "Dat is een slimme, vrolijke spreuk. Je hebt het plein laten blozen van plezier!" Mirte bloosde een beetje. Ze voelde zich trots en warm, alsof ze een warme chocolademelk vanbinnen dronk.
Maar toen gebeurde er iets onverwachts: de glimlach begon te groeien. Grote ogen verschenen bij de glimlach! Opeens had het plein een reusachtige lachbeer in de lucht. De lachbeer plofte zacht neer op de fontein en zette voorzichtig een poot op de bloemenperken.
"Oh jee," zei Mirte, maar in haar stem zat geen angst. Meer iets van: "O, hé, dat is nieuw."
Mirte stapte naar voren. "Kom op, lieve lachbeer," zei ze. Ze bewoog haar handen als een dirigent en zong een zacht liedje. Fluitje hield de toon. De lachbeer luisterde en begon te huppen op één poot. Iedereen deed mee. Het bleek dat de lachbeer gewoon wilde dansen, niet stelen of schreeuwen.
Meneer Uil gaf een keurige knipoog. "Dat was meest vermakelijke redelijke redding," zei hij. Het publiek juichte. Mirte voelde kietelplezier in haar buik en dacht: "Soms zijn kleine dingen grootser dan ze lijken."
Hoofdstuk 3: De kaars die alles wilde
Na de wedstrijd nodigde meneer Uil Mirte uit voor een kop warme kruidenthee. Ze liep terug naar haar atelier met Pluis in haar mandje en Fluitje op haar schouder. Het huisje rook nu extra naar feest; er lagen confetti-vlokken in de vensterbank.
Mirte keek naar de oude, flikkerende kaars. Hij was nieuwsgierig geweest, had gezongen en had flink wat geglimlacht. Mirte tilde hem omhoog. "Ssst," zei ze. "Wil je met me mee terug naar de plank?"
De kaars zuchtte en floreerde een klein vonkje dat klonk als een dankje. Het vonkje zweefde naar de nieuwe groene kaars en plakte zich eraan alsof het wilde zeggen: "Ik wil ook een uilstickertje."
Mirte lachte. "Een uilstickertje voor een kaars? Waarom niet!" Ze nam een mini-lintje en bond het rond de kaars. Ze plakte er een klein uiltje op, zo schattig dat zelfs Pluis zijn snuit afveegde.
Die avond zat Mirte bij de ketel, Pluis op haar schoot, Fluitje in de vensterbank. De kaars brandde zacht en rustig. Buiten was het stil, maar binnen klonken lichtjes van zachte geluksgeluiden. Mirte voelde zich tevreden. Ze dacht aan het plein, aan de lachbeer en aan het dansende publiek.
"Vandaag hebben we samen iets moois gemaakt," zei Mirte zacht. "Een beetje magie, een beetje kietel, en heel veel lachen."
Pluis knipperde en zei met zijn ogen: "Miauw." Dat klonk als: "Goedzo."
Mirte keek naar het uilstickertje op de kaars. Ze voelde zich blij en warm. Het stickertje glinsterde zacht in het licht van de ketels. Fluitje floot nog één laatste deuntje. Het deuntje ging omhoog en veranderde in een klein fonkelend hartje dat in de lucht bleef hangen.
Mirte putte een lepel thee en nam een slok. De thee smaakte naar perzik en knuffels. Ze legde haar hand op de kleine kaars en fluisterde: "Dank je wel, kleine vlam. Voor het dansen, het zingen en het lachen."
De kaars knipte liefjes. Pluis rolde naast haar en snorde als een klein motortje. Buiten lachte de maan en binnen voelde alles als een warme deken.
Mirte stond op, pakte haar mand en hing hem over haar arm. Ze nam nog één laatste blik op het uilstickertje. Het was klein, maar het deed grote dingen: het herinnerde haar aan de vreugde van samen zijn en van simpele pret.
Ze ging slapen die nacht met dromen over bubbels die praatten, sterren die knuffelden en een kleine kaars met een uilstickertje die zachtjes vertelde dat geluk overal kan zitten, zelfs op iets kleins. En als ze de volgende ochtend wakker werd, lachte de kaars weer, klaar voor een nieuwe dag vol kleine, sprankelende avonturen.