Begin: De weerkoepel die kietelt
Milo was vijf en hij vond zichzelf een echte tovenaar-in-opleiding. Niet zomaar een tovenaar, nee: een met flair. Als hij zijn staf pakte, maakte hij er altijd een buiging bij, alsof er een publiek zat te klappen.
Vandaag stond hij in de Magische Weerkoepel. Dat was een grote, ronde glazen bol in het midden van het bos. Binnenin kon je het weer maken zoals je wilde. Zon met sprankels? Kon. Regen met regenbogen? Zeker. Sneeuw die naar pannenkoeken rook? Als je durfde.
Milo droeg zijn veel te grote tovenaarsmantel. Hij sleepte over de vloer als een slome slak. “Hup, mantel,” zei Milo streng. “Doe eens normaal.” De mantel deed alsof hij het niet hoorde.
In de koepel hing een bordje: “WEER AANRAKEN OP EIGEN RISICO. LACHEN VERPLICHT.”
Milo knikte. “Lachen kan ik.”
Naast het weerpaneel stond een glazen pot met een sticker: FEU FOLLETS. NIET OPENEN. Milo keek ernaar. In de pot zaten kleine lichtjes, als vuurvliegjes met suiker in hun buik. Ze stuiterden tegen het glas en maakten piep-piep-geluidjes.
“Jullie willen eruit,” fluisterde Milo.
De lichtjes knipperden heel onschuldig.
Milo deed zijn beste tovenaarsstem. “Ik ben Milo de Magnifieke. Ik maak vandaag… eh… een zachte bries met confetti!”
Hij tikte op het weerpaneel. Per ongeluk tikte hij ook tegen de pot.
KLIK.
Het deksel sprong open als een popcorn.
“Uh-oh,” zei Milo. “Dat was niet de bedoeling. Maar het was wel… spectaculair.”
De feufollets schoten eruit, zo snel als lachende raketjes. Ze draaiden rond Milo's hoofd, als een lichtkrans die niet stil kon zitten.
“Piep-piep!” deden ze, en toen maakten ze letters in de lucht: WIJ DOEN MEE!
“Oké,” zei Milo. “Maar wel netjes.”
De feufollets deden alsof ze heel netjes waren. Twee seconden lang.
Toen vlogen ze naar het weerpaneel en drukten met hun lichtbuikjes op alle knoppen tegelijk.
FWOESH!
In de koepel begon het weer door elkaar te dansen. Zonnestralen schoten als gele spaghetti door de lucht. Wolken kwamen binnen als dikke kussens. Een regenbui plopte neer in één hoek, precies op Milo's schoenen.
Milo keek naar zijn natte tenen. “Hé! Mijn sokken zijn niet waterdicht!”
Een feufollet ging op zijn neus zitten en kietelde hem. Milo moest niezen.
“HATSJÓE!”
Met zijn nies kwam er een kleine windvlaag. De wolken rolden om als schapen die omvallen van het lachen.
Milo moest zelf ook lachen. “Oké… dit wordt een avontuur.”
Midden: Abracadabra en bananennevel
Milo sprong op een krukje, want op een krukje voelde hij zich altijd extra belangrijk. “Luister,” zei hij tegen de feufollets. “We maken een show! Eerst: zon. Dan: regenboog. Dan: einde met applaus.”
De feufollets flitsten heen en weer. Ze maakten in de lucht een groot, glimmend vraagteken. Toen maakten ze een nog groter woord: NEE.
“Nou ja!” Milo zette zijn handen in zijn zij. “Ik ben de tovenaar. Jullie zijn… euh… lichtige helpers.”
De feufollets deden alsof ze diep nadachten. Toen vormden ze samen een kroon boven Milo's hoofd. De kroon zakte scheef, precies over zijn oren.
“Dank je,” mompelde Milo. “Maar ik kan nu niks horen.”
De feufollets gierden van het plezier en vlogen naar het weerpaneel. Dit keer trokken ze aan een hendel waar MILDE MIST op stond.
PLOEF.
Er kwam mist, maar niet mild. Het was dikke, romige mist. En hij rook… naar bananen.
Milo snoof. “Bananennevel? Wie heeft dat ooit bedacht?”
Uit de mist kwamen zachte “boing, boing”-geluiden. Milo keek om zich heen. Op de vloer sprongen kleine wolkjes als trampolines.
Milo stapte erop. BOING! Hij ging een klein stukje de lucht in en landde op zijn billen.
“Mijn billen!” riep Milo dramatisch. “Ze zijn verrast!”
De feufollets maakten een rijtje van lach-letters: HAHA.
Milo stond op, maakte een diepe buiging en zei: “Dank u, dank u. Ik doe dit elke dag. Niet.”
Hij wilde de mist stoppen, maar hij zag het paneel amper. Alles was wit, bananenwit. Milo zwaaide met zijn staf. “Abracadabra, mist naar… eh… weg!”
De mist werd niet weg. De mist werd… glitters.
Nu zweefden er glitters overal. Op Milo's mantel, op zijn wimpers, zelfs op zijn tong.
“Mmm,” zei Milo, “glitter smaakt naar… niks.”
Toen hoorden ze een plons. In de hoek was de regenbui groter geworden en had hij een mini-meertje gemaakt. En in dat mini-meertje dobberde… een eend. Een gele rubberen eend. Met een tovenaarsmuts.
Milo knipperde. “Waarom is er een eend?”
De eend zei: “KWAAK.” Het klonk een beetje als: “Ik heb ook flair.”
De feufollets vlogen rond de eend en maakten een klein spotlicht. De eend draaide rondjes. Milo kon niet anders: hij klapte.
“Oké,” zei Milo. “Dit is eigenlijk best leuk.”
Maar toen ging het mis op een vriendelijke manier. De feufollets drukten op een knop met: SUPERWIND.
WHOESJ!
De wind pakte de bananennevel, de glitters en zelfs de wolk-trampolines. Alles draaide rond in de koepel als een reusachtige soep. Milo's mantel vloog omhoog en ging over zijn hoofd.
“Ik zie niks!” riep Milo. “Ik ben een vliegende gordijn!”
Hij voelde iets kietelen: een feufollet zat nu op zijn oor. Milo probeerde rustig te ademen. Maar de wind maakte hem wiebelig. Hij holde naar het paneel, bots-bots-bots, tegen een wolk-trampoline, BOING, en landde precies voor de knoppen.
“Stop!” riep Milo. “Ik bedoel: pauze! Ik wil… eh… even ademhalen!”
De feufollets werden heel even stil. Hun lichtjes dimden. Misschien luisterden ze toch.
Milo trok zijn mantel van zijn hoofd. Zijn haar stond alle kanten op, alsof het zelf ook wilde toveren. Milo keek naar de rondvliegende glitters en de eend die nu in een cirkel werd geblazen.
“Oké,” zei Milo zacht. “Ik kan dit proberen te controleren… maar ik word er moe van.”
Hij liet zijn schouders zakken. Hij deed iets heel dappers: hij stopte met streng zijn.
Hij ging op de grond zitten, midden in de rommelige magie. “Weet je wat,” zei hij. “We hoeven niet perfect. We kunnen ook… gewoon even gek doen. Maar wel veilig.”
De feufollets flikkerden nieuwsgierig. Ze kwamen dichterbij, als kleine zaklampjes die willen knuffelen.
Milo glimlachte. “We maken er een spel van. Als ik klap, doen jullie rustiger. Als ik fluit, mogen jullie één grap.”
Milo klapte één keer. KLAP.
De wind werd zacht, alsof hij opeens verlegen was.
Milo floot. FIEUW!
De feufollets schoten naar het paneel en drukten op… ZACHTE SNEEUW.
PLOP.
Er viel sneeuw. Maar de sneeuwvlokjes waren warm. Ze smolten op Milo's neus en kietelden hem.
Milo lachte. “Oké, dat is een goede grap.”
De eend dobberde tevreden en zei: “Kwaak.” Dat klonk nu als: “Meer kietels graag.”
Einde: De grote glimlach onder regenbooglicht
Milo stond weer op zijn krukje, maar nu niet om de baas te spelen. Nu om te dirigeren, zoals een muziekmeester.
“Feufollets,” zei Milo. “We doen het samen. Rustig aan. Eerst maken we de mist weg. Dan maken we een regenboog. En daarna… warme choco-weer. Als dat bestaat.”
De feufollets vormden in de lucht het woord: OKÉ! Met een uitroepteken zo groot als Milo's staf.
Milo klapte twee keer. KLAP-KLAP.
De bananennevel werd dunner. De glitters gingen netjes naar beneden als sterretjes die naar bed moesten. Milo ademde opgelucht. “Ah. Ik kan mijn eigen knieën weer zien.”
Hij tikte op het paneel, heel voorzichtig, alsof het een slapende kat was. “Zon, klein beetje. Regen, klein beetje. En dan… regenboog.”
De koepel werd goudgeel. Een vriendelijk buitje viel, precies in het mini-meertje, zodat de eend niet eenzaam was. En toen boog er een regenboog door de lucht, van de ene kant van het glas naar de andere.
De feufollets dansten langs de regenboog alsof het een glijbaan was. Ze gleden, maakten salto's, en één feufollet deed alsof hij viel, maar landde netjes op Milo's schouder.
Milo grinnikte. “Jij bent echt een clown-lichtje.”
De feufollet knipperde trots.
Milo dacht aan het begin, toen hij alles perfect wilde. Hij keek naar de wolk-trampolines, die nu rustig in een hoek lagen te dutten. Hij keek naar zijn mantel, die eindelijk netjes om hem heen hing, alsof hij ook had geleerd om los te laten.
“Oké,” zei Milo hardop, “ik snap het. Als ik te hard duw, gaat alles stuiteren. Als ik adem en lach, dan wordt het… leuk.”
De feufollets maakten een klein applaus: tik-tik-tik, met hun lichtjes.
Milo tikte op een laatste knop: WARM EN GEZELLIG.
Er kwam geen choco uit de lucht. Gelukkig maar, want dat zou plakkerig zijn. Maar er kwam een warme bries die rook naar koekjes. Milo's buik zei: “Hoi.”
De eend dobberde naar Milo toe. Milo pakte hem op en zette hem op zijn hoofd. De eend-muts keek scheef, maar heel stoer.
“Ben ik nu Milo de Magnifieke én Milo de Eend?” vroeg Milo.
De feufollets schreven in de lucht: JA.
Milo maakte zijn grootste buiging ooit, met eend op zijn hoofd en glitter op zijn wimpers. De feufollets maakten een rond spotlicht en de regenboog werd net iets feller, alsof hij mee wilde lachen.
Toen gebeurde er nog één mini-rebonding: een sneeuwvlokje landde op Milo's neus en zei zacht “plop” voordat het smolt.
Milo keek scheel naar zijn neus. “Zelfs de sneeuw maakt grapjes.”
De feufollets gierden. De eend zei: “Kwaak.” Het klonk als een tevreden trompet.
Milo strekte zijn armen uit naar de ronddansende lichtjes. “Dank jullie wel,” zei hij. “Jullie hebben me geleerd dat ik niet alles hoef te sturen. Soms is loslaten het beste toverspreuk.”
De feufollets flitsten warm. Ze maakten één groot, stralend gezicht in de lucht: een glimlach.
Milo glimlachte terug, zo breed dat zijn wangen een beetje pijn deden. De eend glimlachte ook, op eendenmanier. En zelfs de koepel leek te glanzen van plezier.
Samen stonden ze onder het regenbooglicht, met rustige wind, warme koekjeslucht en een klein meertje dat zachtjes plonsde.
En toen deelden ze, allemaal tegelijk, een grote glimlach.