Hoofdstuk 1: De magische bibliotheek
Mats is zes jaar. Mats houdt van boeken. Hij houdt van lezen, heel veel. De bibliotheek is zijn favoriete plek. In de bibliotheek zijn de boeken netjes op hun plek. Alles is rustig. Alles is stil. Dat vindt Mats fijn. Voor Mats is elke dag een beetje hetzelfde. Hij houdt van zijn routines. Mats weet dat hij autisme heeft. Dat betekent dat hij sommige dingen anders doet. Hij vindt het fijn als dingen altijd hetzelfde zijn. Zo voelt hij zich veilig.
Elke woensdagmiddag gaat Mats met zijn moeder naar de bibliotheek. Hij draagt altijd zijn blauwe trui. In zijn linkerhand heeft hij zijn favoriete boek over treinen. In zijn rechterhand houdt hij de hand van zijn moeder vast. Mats lacht als hij de grote, rode deur van de bibliotheek ziet. De geur van boeken maakt hem blij.
De bibliotheek is groot. Er zijn lange rijen boeken. De tafels zijn rond. De stoelen zijn zacht. Overal zijn kleuren: rode boeken, blauwe boeken, gele boeken. Op de muur is een grote tekening van een lachende draak met een bril. Mats kijkt altijd eerst naar de draak. Daarna loopt hij naar zijn speciale plekje bij het raam.
Vandaag is het weer woensdag. Vandaag is Mats weer blij. Alles is zoals altijd. Dat is fijn.
Hoofdstuk 2: Nieuwe gezichten en oude vrienden
Op deze woensdag is er iets nieuws. In de leeshoek zit een jongen. De jongen heet Amir. Amir is ook zes jaar. Hij heeft donkere krullen en grote, nieuwsgierige ogen. Amir houdt van verhalen over de ruimte. Amir is vrolijk en praat graag.
Mats ziet Amir zitten. Mats vindt het spannend als er iemand nieuw is. Hij kijkt eerst even naar zijn boek. Dan kijkt hij terug naar Amir. Amir zwaait. Mats glimlacht, een klein beetje.
Even later komt Jesse erbij. Jesse is Mats' buurjongen. Jesse is grappig. Jesse houdt van voetbal en van lachen. Jesse komt vaak in de bibliotheek, net als Mats. Jesse roept altijd zachtjes 'Hoi Mats!'. Vandaag zegt Jesse: “Hoi Mats, mag ik bij je zitten?” Mats knikt. Dat vindt hij fijn. Met Jesse is het altijd gezellig.
Nu zitten ze met z'n drieën in de leeshoek. Mats, Amir en Jesse. Mats voelt zich rustig, want zijn vriend is er. Amir kijkt Mats en Jesse aan. “Willen jullie samen een boek lezen?” vraagt Amir zacht. Mats knikt. Jesse lacht en roept bijna te hard: “Ja, leuk!” Ze pakken een boek over vriendschap.
Samen bladeren ze door het boek. Mats wijst naar de plaatjes. Amir leest de zinnen voor. Jesse lacht om de grapjes. Het is gezellig. Mats voelt zich warm van binnen.
Hoofdstuk 3: Een bijzondere opdracht
De bibliothecaresse, mevrouw Van Dalen, komt naar de jongens toe. Ze heeft een grote, stevige bril en een rode sjaal. Ze glimlacht vriendelijk. “Zouden jullie mij willen helpen?” vraagt ze. “Er is een meisje dat haar lievelingsboek kwijt is. Ze is verdrietig. Kunnen jullie haar helpen zoeken?”
De jongens kijken elkaar aan. Mats vindt het spannend. Hij houdt van zoeken. Maar hij vindt het ook spannend als iets niet op de juiste plek ligt. Jesse springt op. “Wie is het meisje?” vraagt hij. Amir kijkt rond en ziet een klein meisje met blonde vlechtjes in de hoek zitten. Ze veegt een traan weg.
Mats denkt na. Hij wil graag helpen. Hij weet hoe verdrietig je kan zijn als je iets kwijt bent. Hij weet hoe fijn het is als iemand je helpt. Mats pakt zijn boek stevig vast voor een beetje moed. Dan staat hij op. “We gaan helpen,” zegt hij zacht. Amir en Jesse knikken. Samen lopen ze naar het meisje toe.
Hoofdstuk 4: Het grote zoeken
Het meisje heet Lotte. Ze is vier jaar. Lotte vertelt zachtjes dat ze haar boek over honden kwijt is. Ze houdt heel veel van honden. Ze las het boek elke woensdag. Nu is het weg.
Mats vraagt waar ze het boek voor het laatst heeft gezien. Lotte zegt: “Bij de rode stoel.” De jongens gaan samen op zoek. Amir kijkt bij de tafels. Jesse zoekt tussen de stoelen. Mats kijkt bij het raam.
Mats let goed op. Hij kijkt naar alle boeken. Rode boeken, blauwe boeken, gele boeken. Hij kijkt naar de kaften en de plaatjes. Maar het hondenboek is nergens te zien. Mats voelt zich een beetje onrustig. Zijn handen friemelen. Alles moet op zijn plek liggen, denkt Mats. Een boek hoort niet kwijt te raken.
Amir vindt een boek over katten. Jesse vindt een stripboek. Maar geen hondenboek. Lotte wordt verdrietig. Ze snikt zacht. Mats kijkt naar haar. Hij wil haar graag troosten, maar weet niet goed hoe. Hij pakt zijn favoriete treinboek en laat het aan haar zien. “Kijk, mijn lievelingsboek,” zegt hij zacht. Lotte kijkt naar de plaatjes. Ze glimlacht een beetje.
Dan krijgt Mats een idee. Soms, als hij iets kwijt is, zoekt hij op een speciale manier. Hij kijkt overal, maar altijd met een vaste volgorde. Eerst kijkt hij bij de A, dan bij de B, dan bij de C. Altijd hetzelfde. Dat helpt hem.
Mats zegt tegen Amir en Jesse: “Zullen we bij de H kijken? H van honden.” Amir knikt. Jesse lacht. “Goed idee!” Samen lopen ze naar de kast met de letter H.
Hoofdstuk 5: Het misverstand
Bij de letter H ligt geen hondenboek. De jongens zoeken verder. Dan ziet Mats iets vreemds. Bij de letter D ligt een boek met een hond op de kaft. Mats fronst zijn wenkbrauwen. “Waarom ligt dit boek hier?” vraagt hij zich af.
Jesse kijkt op het label. Op het label staat “De hond en zijn baasje”. Jesse zegt: “Misschien dacht iemand dat het bij de D moest.” Amir kijkt naar Mats. Mats schudt zijn hoofd. “Boeken horen op de juiste plek. Anders kan niemand ze vinden.”
Lotte komt erbij staan. Ze ziet haar hondenboek. Ze roept blij: “Daar is het!” Ze pakt het boek en knuffelt het. Maar dan zegt ze: “Waarom lag het bij de D? Dat is niet goed.” Mats voelt zich een beetje boos. Alles hoort op de juiste plek.
Dan komt mevrouw Van Dalen erbij. Ze lacht. “Soms maken mensen een vergissing,” zegt ze. “Soms denken ze dat het boek bij de D hoort, omdat de titel met een D begint. Maar eigenlijk hoort het bij de H, omdat het over honden gaat.”
Mats denkt na. Hij begrijpt het niet helemaal. Voor hem moet alles altijd hetzelfde zijn. Toch ziet hij dat Lotte blij is. Lotte heeft haar boek terug. Amir glimlacht. Jesse is trots. Ze hebben goed samengewerkt.
Hoofdstuk 6: Samen sterk
Mats voelt zich nog steeds een beetje onrustig. Maar dan kijkt hij naar zijn vrienden. Samen hebben ze het probleem opgelost. Samen hebben ze Lotte geholpen. Mats denkt aan zijn routines. Soms helpen zijn routines hem. Soms kunnen dingen anders gaan. Maar samen met zijn vrienden voelt hij zich sterk.
Amir legt zijn hand op Mats' schouder. “Goed gedaan, Mats,” zegt hij zacht. Jesse lacht en zegt: “Jij bent de beste zoeker van allemaal!” Mats lacht ook. Hij voelt zich warm van binnen.
Lotte bedankt de jongens. Ze zegt: “Jullie zijn mijn helden.” De jongens zwaaien naar haar. Mevrouw Van Dalen geeft ze allemaal een sticker in de vorm van een boek. Mats kiest een blauwe sticker. Blauwe stickers zijn het mooist, vindt hij.
Mats denkt aan de draak op de muur. De draak kijkt vrolijk naar hem. Mats voelt zich als een draak met sterke vleugels. Hij is blij dat hij heeft geholpen. Hij is blij dat hij zichzelf mocht zijn. Zijn routines zijn als een zachte deken die hem beschermt. Maar zijn vrienden zijn als zonnestralen die hem laten groeien.
Hoofdstuk 7: Een mooie afsluiting
De middag in de bibliotheek is bijna voorbij. Mats, Amir en Jesse lezen nog één boek samen. Ze lachen om de plaatjes. Ze praten zachtjes over hun avonturen. Mats voelt zich blij. Alles is goed.
Op de weg naar huis denkt Mats aan de dag. Hij heeft iemand geholpen. Hij heeft samen met zijn vrienden gezocht. Er was een misverstand, maar samen hebben ze het opgelost. Mats weet nu dat niet alles altijd op dezelfde plek hoeft te liggen. Soms is het goed om samen te zoeken, samen te lachen, samen te leren.
Iedereen is anders. Iedereen heeft iets moois. Mats weet dat zijn manier van denken speciaal is. Zijn vrienden vinden dat ook. Ze zijn blij met elkaar. Vrienden maken alles makkelijker.
Mats denkt: vandaag was een fijne dag. Vandaag was hij een held, samen met zijn vrienden. En morgen? Morgen komt hij weer terug in de bibliotheek, op zoek naar nieuwe avonturen, met zijn blauwe trui, zijn favoriete boek, en zijn grote glimlach.