De grote ster verschijnt
Diep in het zachte bos woonde een klein wolvenjong. Hij heette Lumo.
Lumo had een grijze, pluizige vacht en heldere, nieuwsgierige ogen.
Hij was niet groot en niet sterk, maar hij was dapper in zijn hart.
Elke avond klom Lumo op een hoge steen bij de open plek.
Daar keek hij naar de hemel.
Hij zocht altijd naar één speciale ster: de grote avondster.
Die ster glansde feller dan alle andere sterren.
Op een avond kwam de ster tevoorschijn, groter en helderder dan ooit.
Ze leek dichterbij, bijna alsof ze boven het bos hing.
Het licht van de ster viel precies op de grond vóór Lumo, als een zilveren vlek.
Lumo voelde zijn hart sneller kloppen.
Hij fluisterde:
"Jij wilt me vast iets laten zien."
Op dat moment gleed er een lichtstraal van de ster langs de bomen.
De straal wees als een lange, lichte vinger in één richting, naar het diepe, donkere stuk van het bos dat Lumo nog nooit had bezocht.
Lumo slikte even.
Het bos daar was geheimzinnig.
De bomen stonden dicht bij elkaar.
De schaduwen waren donker.
Maar in zijn borst voelde Lumo een warm, klein vuurtje.
Hij dacht: Als de ster me iets wil tonen, dan ga ik. Ik ben klein, maar ik ben dapper.
Hij sprong van de steen af.
Zijn pootjes trilden een beetje, maar hij zette ze toch naar voren.
Hij liep recht in de richting van de lichtstraal.
De raadseltocht door het bos
Hoe verder Lumo liep, hoe stiller het bos werd.
Geen vogel floot meer, alleen de wind fluisterde zacht door de bladeren.
De ster boven hem bleef stralen en leek met hem mee te wandelen.
Na een tijdje zag hij iets in het mos glinsteren.
Het was een platte, ronde steen met een teken erop.
Er stond een ster in gekrast en eromheen een pijl.
Lumo ging dichterbij kijken.
"Dus… ik moet daarheen," mompelde hij.
De pijl wees naar rechts, naar een smal paadje tussen twee dikke struiken door.
Het paadje was krap.
Takken streelden zijn vacht en af en toe bleef hij met een pootje haken.
Maar hij dacht: Ik laat me niet tegenhouden. Ik kan dit.
Hij stapte rustig verder, één poot voor de andere.
Na een bocht zag hij een grote, kromme boom met wortels als kronkelende slangen.
In de stam zat een gat in de vorm van een maan.
Boven het gat was met oude letters iets in de bast gekrast.
Lumo vond het spannend.
Hij las hardop, langzaam, zoals hij het van zijn moeder had geleerd:
"‘Zoek… waar de ster… de aarde kust.'"
Hij keek om zich heen.
De ster hing nog steeds boven hem.
Haar licht viel op de grond, recht aan de andere kant van de boom.
Daar, tussen twee wortels, lag een glanzend steentje.
Lumo snapte het raadsel.
"De ster kust de aarde… waar haar licht valt," fluisterde hij trots.
Hij duwde dapper zijn snuit tussen de wortels door en schoof met zijn poten het mos opzij.
Onder het mos vond hij een klein, oud houten plankje met daaronder opnieuw een teken: een ster, en nu twee pijlen, één naar links en één naar rechts.
Lumo fronste.
"Wat nu?"
Hij voelde even twijfel.
Links leek het pad donkerder, rechts leek het lichter.
Zijn hart klopte snel.
Hij sloot zijn ogen en luisterde.
In de verte, aan de linkerkant, hoorde hij vaag het zachte kabbelen van water.
Aan de rechterkant was het stil.
Lumo herinnerde zich iets wat zijn moeder altijd zei:
"Luister naar wat je hart en je oren je vertellen."
Hij fluisterde:
"Mijn hart zegt: volg het water."
Dus koos hij het donkere pad naar links.
Waar hij liep, werd de grond zachter en koeler.
Uiteindelijk kwam hij bij een kleine, heldere beek.
Het water glinsterde in het licht van de avondster.
Op een steen in het midden van de beek lag een derde teken: weer een ster, nu met een cirkel eromheen.
Lumo keek naar de steen in het midden van het water.
De steen lag ver weg.
Het water kabbelde snel om hem heen.
Hij voelde zich ineens heel klein.
Maar hij dacht: Ik ben tot hier gekomen. Ik kan nog een stap verder.
Hij zocht met zijn ogen naar stenen in het water en zag een rijtje, net groot genoeg om op te springen.
"Voorzichtig… rustig… één sprong tegelijk," fluisterde hij tegen zichzelf.
Hij zette zijn poot op de eerste steen.
Die wiebelde een beetje, maar hij bleef staan.
Toen de tweede, toen de derde.
Zijn hart bonsde, maar hij hield zijn ogen op de glanzende steen in het midden.
Eindelijk sprong hij naar de laatste steen.
Hij haalde diep adem.
Hij had het gehaald.
Op de steen in het midden van de beek lag een klein, blikkerend muntje met daarop een ster.
Toen Lumo het muntje met zijn poot aanraakte, begon de ster aan de hemel nog helderder te schijnen.
Haar licht vormde een rechte, zachte lichtweg, verder het bos in.
De schat onder de avondster
Lumo sprong voorzichtig terug naar de oever.
Hij was een beetje nat, maar hij glimlachte breed.
Hij volgde opnieuw het licht van de ster, die hem nu als een vriendelijke gids leidde.
Na een tijdje werden de bomen dunner.
Voor hem lag een kleine open plek die hij nog nooit had gezien.
In het midden stond een oude, lage boomstronk, helemaal begroeid met mos.
De avondster hing recht boven de open plek, stil en rond als een grote, glanzende munt in de lucht.
Het licht viel precies op de boomstronk.
Lumo voelde dat hij bijna bij de schat moest zijn.
Hij liep ernaartoe en hoorde zijn hart in zijn oren bonzen.
Voorzichtig begon hij met zijn poten het mos van de stronk te krabben.
Onder het mos zat een rond, houten deksel met daarop weer dezelfde ster gegraveerd.
"Dit is het," fluisterde Lumo.
Hij duwde.
Het deksel zat vast.
Hij zette zijn hele kleine lichaam ertegen, duwde nog harder, en eindelijk schoof het met een zacht kraakgeluid open.
Onder het deksel lag geen goud, geen juwelen, geen fonkelende kronen.
In plaats daarvan zag Lumo een zachte, blauwe doek.
Hij tilde de doek op met zijn tanden.
Onder de doek lag een houten kistje.
Hij maakte het voorzichtig open.
Binnenin lagen:
Een klein, zilveren sterretje aan een touwtje,
een gladde, ronde steen die warm aanvoelde,
en een opgerold briefje.
Lumo rolde het briefje open met zijn poot.
De letters waren oud, maar hij kon ze lezen:
"Voor wie de moed heeft het pad van de ster te volgen:
Jij bent de schat.
Deze dingen herinneren je eraan hoe dapper, slim en sterk je bent."
Lumo's ogen werden vochtig.
Hij voelde zich warm vanbinnen, van zijn oren tot aan zijn staart.
Hij deed het sterretje om zijn hals en hield de warme steen tegen zijn wangen.
Uit de struiken naast de open plek kwam opeens een zacht geritsel.
Een ander klein dier stapte naar voren: een jong vosje met oranje vacht en grote, vriendelijke ogen.
Het vosje had de hele tijd in stilte gekeken hoe Lumo het raadsel oploste.
Het vosje glimlachte verlegen.
"Ik durfde niet zelf op zoek te gaan," zei het zacht.
"Maar ik heb gezien hoe jij het hebt gedaan. Je was echt heel moedig."
Lumo voelde zich nog warmer vanbinnen.
Hij stapte naar het vosje toe.
"Ik was soms bang," zei hij eerlijk.
"Maar ik ging toch verder. Misschien kunnen we de volgende keer samen gaan."
Het vosje knikte blij.
Ze keken samen omhoog naar de grote avondster, die nu rustig en tevreden leek te glanzen.
Toen draaiden Lumo en het vosje zich naar elkaar toe.
Ze staken allebei een poot uit.
Hun pootjes raakten elkaar in een stevige, trotse handdruk.
Zo eindigde de nacht:
met een ster boven hen,
een schat in hun hart,
en een nieuwe vriendschap in hun poot.