Bezig met laden...
Verhaal over zelfvertrouwen 11/12 jaar Lezen 41 min.

Kleine stappen, grote verhalen

Mats en Noor organiseren een kleine tentoonstelling bij de bushalte met een poster en mini-briefjes, waardoor ze ontdekken hoe belangrijk het is om nieuwsgierig te zijn en samen te delen. Terwijl de kinderen hun verhalen en vragen uitwisselen, leert Mats dat beginnen met iets kleins kan leiden tot grote avonturen.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Een 12-jarig jongen, genaamd Mats, staat met een zelfverzekerde glimlach op zijn gezicht, zijn ogen sprankelend van nieuwsgierigheid. Hij heeft rommelig bruin haar, een blauwe jas en een kleurrijke rugzak op zijn schouders. Hij houdt een groot bord met inspirerende woorden vast, zijn blik helder en vastberaden. Naast hem staat een 12-jarig meisje, Noor, met gevlochten zwart haar en een felgele sjaal, die hem aanmoedigt met een grote glimlach. Ze leunt iets naar voren, haar handen op haar heupen, en toont haar enthousiasme. De achtergrond is een drukke bushalte, omringd door grote bomen met heldergroene bladeren en houten banken. Kinderen spelen eromheen, en een kleurrijk bord hangt aan de muur, wat de aandacht van voorbijgangers trekt. De scène toont Mats en Noor die hun leesproject aan hun klasgenoten presenteren, met een vrolijke en dynamische sfeer, waarin opwinding en zelfvertrouwen in de lucht hangen. meld een probleem met deze afbeelding

De bus en de nieuwe dag

Mats stond vroeg op. Niet omdat iemand dat van hem vroeg, maar omdat de ochtend hem riep. De lucht was nog koel. De tuin rook naar natte aarde en citroenzeep van het gewassen stoepje. Hij streek met zijn hand langs de heg. Een pluisje spinrag bleef aan zijn vingers plakken. Hij lachte erom, veegde het af aan zijn spijkerbroek, en zette zijn tas recht op zijn rug.

Hij was elf. Niet heel groot, wel snel in zijn hoofd. Hij hield van proberen. Van net iets dichterbij kijken. Van vragen die aan zijn tong bleven hangen. Vandaag ook. Vandaag misschien wel extra.

Bij de bushalte hing een nieuwe poster. Fris blauw. Grote letters, beetje scheef geplakt. Boeken op Weg! stond erop. En kleiner, met een getekende bus naast een stapel boeken: Lezen tussen de haltes, tijdens de rit. Stil en gezellig. Durf iets nieuws te pakken. Mats tikte met zijn vinger tegen de hoek van de poster. Het papier ritselde. Zijn tas wiebelde op zijn rug, alsof die ook wilde weten wat er aan de hand was.

De bus kwam de hoek om. Oranje richtingbord. Ruiten die het eerste zonlicht vingeren. Binnen rook het naar rubber, naar broodtrommels, naar ochtend.

Mats ging op zijn vaste plek zitten, rechts achter de middendeur, tweede rij. Zijn knieën onder de stoel voor hem. Tas op schoot. Handen erop. Rust. Hij ademde in. Hij ademde uit. De motor zoemde. De bus trok zachtjes op. Hij liet zich mee duwen door de beweging. Hij hield ervan, die trilling die hem even kantelde, dan weer recht.

— Alles goed, Mats? riep chauffeur Omar in de spiegel, zijn ogen vriendelijk, diepe lachrimpels.

— Goed, meneer Omar, zei Mats, en hij knikte extra groot, zodat de chauffeur het kon zien terwijl hij reed.

Noor stapte binnen bij de volgende halte, een muts met een pompon half over haar ogen. Ze plofte naast hem, een broodje in haar hand en kruimels aan haar mouw.

— Kijk! broodje pindakaas met banaan, zei Noor. — Superkrachtvoer.

— Als je niet plakt aan je boek, lachte Mats.

Ze keken naar de poster, die ze ook door het raam konden zien, even maar, toen de bus langs de halte gleed. Noor kneep haar ogen samen.

— Boeken op de bus? vroeg Noor.

— Klinkt als stil plezier, zei Mats. — Klinkt nieuw.

Hij zei het zacht. Nieuw. Hij proefde het woord nog eens, zonder te spreken. Nieuw kan groot zijn, dacht hij. Nieuw kan klein zijn. Nieuw kan spannend zijn. Nieuw kan gewoon een andere kleur broodtrommel zijn. Hij hield van nieuw, als hij eraan mocht wennen zoals je aan een liedje went: eerst het refrein, dan de coupletten, dan durf je mee te zingen.

De stad trok langs. Fietsers. Een hond die een blaadje nakeek. Een meisje in een rode jas op de stoep met krijt, die een zon tekende. Mats telde gele regenjassen. Hij telde tot drie en stopte, omdat tellen leuk is als je zelf mag stoppen.

Vooraan in de bus hing een klein prikbord. Meestal vol met briefjes over gevonden handschoenen en verloren knuffels. Deze keer zat er een karton tussen met het logo van een boekhandel, in sierlijke letters. Boekwinkel De Warme Bladzij. Vrijdag bezoek om 10.00 uur, klas 6. Mats las het. Hij las nog eens. Er was iets aan het woord 'bezoek'. Het rolde.

— Heb je geoefend met je spreekbeurt? vroeg Noor, die zomaar in zijn gedachten plukte.

— Bijna, zei Mats. — Over hoe je begint met iets. Niet groot beginnen, maar klein. En dan groeien. Zoals met een plant. Zoals met... dit? Misschien.

— Trouwens, ik ga een nieuwe sport proberen, fluisterde Noor. — Hoelahoepen met vuur.

— Zonder vuur, hoop ik, zei Mats, en hij trok zijn wenkbrauw op.

— Voorlopig, zei Noor. Ze grijnsde. — Klein beginnen. Jij zei het.

Ze wiegden synchronisch met de bochten. De bus zong een voorzichtige bromtoon. Mensen fluisterden. Een baby ergens achterin kwaakte even en viel weer stil. Het was een gewone ochtend, en toch, er zat iets in de lucht. Niet zwaar. Licht als confetti. Als het eerste zinnetje van een nieuw boek.

Toen ze uitstapten voor school, bleef Mats nog een tel staan bij de poster. Hij streek de rimpel in de hoek glad. De lijm was nog nat. Het rook naar papier en belofte. Hij glimlachte naar de letters, alsof ze terug konden glimlachen. Misschien konden ze dat wel. Letters konden veel, had hij gemerkt. Goede letters konden je hand optillen, een deur open doen, je laten zitten en toch laten reizen.

— Kom je? riep Noor.

— Ik kom, zei Mats. Hij zette zijn voet op de stoep. Stap één. Nog zoveel stappen te gaan. Maar dat was nu net de lol.

De schooldeur piepte. Binnen was het warm. Hun jassen gleden van hun schouders. Tassen tegen de muur. Lopen, lachen, groeten. Leraar Jip tekende met krijt al een cirkel op het bord. Vandaag, dacht Mats, vandaag begint misschien iets. Iets wat klein is en groeit. Iets wat past in een tas en toch groot voelt in je borst.

De verrassingsbezoeker

Leraar Jip had de gewoonte om de maandag te laten ruiken naar plannen. Hij schreef woorden op het bord die smaakten naar week. Rekenen met rechte lijnen. Spelling met zachte g. Werelddingen met vragen. En dan, met een stift in de lucht, keek hij naar de klas met lichtjes in zijn ogen.

— Ik heb nieuws, zei hij. — En niet zomaar nieuws.

Een ritselen ging door de klas. Stoelen schoven. Ruggen rechten. Mats voelde zijn vingers tintelen, alsof er kleine motortjes in zaten.

— Vrijdag komt iemand langs, zei Jip. — Iemand van... hij draaide zich om en wees naar de poster die hij aan de muur had gehangen. — De Warme Bladzij.

— Een schrijver? fluisterde Noor naast Mats.

— Een boekverkoper, zei Jip. — En niet zomaar eentje. Iemand die boeken kan laten dansen, denk ik. Ze heet Lina. Ze houdt van vragen. Ze houdt van verhalen die je dichter bij jezelf brengen. Ze komt iets vertellen over lezen op plekken waar je het niet verwacht.

— In de speeltuin? vroeg iemand achterin, een beetje te hard.

— In de bus, zei Jip. — In onze bus. Een reizende boekenkist. Het wordt rustig. Het wordt leuk.

Mats hoorde zijn eigen adem. Hij hoorde ook de klok. Tik. Tik. Tik. Als een klein paardje dat de gang door draafde. Een boekenkist in de bus. Hij zag het al bijna, hoe de kaften zouden glanzen in de schuine zon, hoe je een blad zou omslaan wanneer de bus versnelde. Hij dacht aan de stilte die dat kon brengen, de soort stilte waar je in wil kruipen, als in een slaapzak met een zaklamp.

— We hebben iemand nodig die helpt, zei Jip. — Iemand die het fijn vindt om te organiseren. Die kan luisteren. Die durft te vragen. Niet alles in één keer. Wel stap voor stap. Ik dacht aan... nou ja, ik dacht aan iemand die vaak vertelt over klein beginnen.

Mats voelde warmte in zijn wangen. Alsof een lampje aan was gegaan. Hij staarde naar de nerf in zijn tafel, naar het grauwe streepje dat leek op een rivier. Zijn hart klopte precies iets sneller. Zijn hand wilde omhoog. Zijn hand wilde wachten.

— Mats? vroeg Jip, zacht, niet duwend, wel uitnodigend. — Zou jij coördinator willen zijn van de boekenkist op de bus?

Noor stootte hem aan met haar knie, niet hard, wel duidelijk.

— Eh... ja, zei Mats, en hij was verrast door hoe zeker het klonk. — Ja. Ik wil dat proberen.

— Mooi, zei Jip. — Proberen is het halve werk. De andere helft is blijven proberen.

— En de rest? riep iemand.

— De rest is genieten, zei Jip. En de klas lachte.

Ze oefenden verslagjes maken, kort en krachtig. Ze gaven elkaar tips. Mats schreef steekwoorden. Kist. Lijstje. Voorin zitten. Rustig wijzen. Niet te snel praten. Altijd vragen: wat lees jij graag? Hij voelde rust terwijl hij schreef. Schrijven is netjes ademen met je pen, dacht hij. Binnen en buiten. Naar jezelf en naar de ander.

Aan het eind van de ochtend ging de deur van de klas open. Een vrouw met krullen in een warrige knot stak haar hoofd naar binnen. Ze droeg een jas met zakken waar boeken uit leken te groeien. Haar ogen waren bruin, haar glimlach breed.

— Hoi, ik ben Lina, zei ze. — Mag ik al even gluren? Ik kan nooit wachten tot vrijdag.

— Je bent te vroeg, lachte Jip. — Maar stiekem precies op tijd.

Ze stapte binnen met een geur van koffie en stof van mooie dingen. Ze keek rond zoals je naar een bibliotheek kijkt: met zachte ogen, met nieuwsgierige handen.

— Wie is de coördinator van de buskist? vroeg ze.

Mats stak zijn hand op, alsof hij een ballon mocht vasthouden.

— Ik, zei hij. — Ik heet Mats.

— Ha, Mats, zei Lina. — Ik heb er zin in. Jij?

— Ja, zei Mats, en hij voelde zijn stem stevig. — Zenuwachtig ook. Maar vooral zin. In klein beginnen. In proberen.

— Weet je, zei Lina, en ze tikte tegen haar jaszak, waar een potlood uitstak, — nieuw is net soep. Je maakt het met wat je hebt. Je proeft. Je voegt toe. Je roert. En dan geef je het door. Warm, als het kan.

— Wat als het te zout is? vroeg Noor vanachter haar boek.

— Dan voeg je aardappel toe, zei Lina. — Of je lacht en probeert morgen opnieuw.

Ze praatten kort. Lina tekende een plat streepje plan: een stevige kist met handvatten, boeken met verschillende diktes en smaken, kaartjes erbij met vragen. Lees je liever over bomen of over boten? Over gisteren of over later? Over iets waar je al van houdt of iets dat nog onbekend is?

Mats vroeg mee. Hij stelde zich de bus voor. Hoe hij de kist zou neerzetten. Hoe hij iemand zou aankijken als hij vroeg: zal ik je helpen kiezen? Hoe hij 'nee' even goed zou vinden als 'ja'. Het voelde als iets dat bij hem paste, als een jas die nog een beetje ruikt naar de winkel maar straks naar jou ruikt.

— Vrijdag, zei Lina, en ze wees op de klok. — Dan kom ik met de kist. Tot dan: kijk om je heen. Waar zou jij lezen? Hoe ziet rust eruit, juist als alles rolt?

— Zoals in de bus, mompelde Mats, meer tegen zichzelf dan tegen haar.

— Precies, zei Lina, alsof ze het toch had gehoord.

— Tot vrijdag, zei Jip.

— Tot vrijdag, zei Mats, en hij voelde de week korter worden van het uitspreken.

Kleine stappen op wielen

Vrijdag begon met een grijze lucht die zich moeite leek te geven. Geen regen nog. Wel een belofte. Soms is de belofte het grootste deel. Mats liep snel, zijn veters netjes, zijn tas lichter dan anders, alsof hij dingen eruit had gehaald die zorgen heten. Hij stak zijn hand op naar de buurman met de hond. Hij stapte de bus in en knikte naar Omar. Alles routine, alles lief.

Lina stond al op het schoolplein toen de eerste bel ging. De kist stond naast haar, met stickers in allerlei kleuren, alsof de kist had gereisd en op elk station een kus had gekregen. Ze tilde hem samen met Mats en Noor de bus in. Ze kozen een plek: tussen de middendeur en Mats' rij, tegen het raam, zodat het licht de bladzijden kon vinden.

— We oefenen in stilte, zei Jip, die mee naar buiten was gekomen. — Niet omdat stil het enige is, maar omdat stil ruimte maakt. Voor jou. Voor de ander. Voor wat we nog niet kennen.

De bus rook naar opwinding en brood. Kinderen schuifelden dichterbij. Mats legde zijn hand op de kist. Hij voelde de houtnerf. Hij voelde het gewicht. Hij voelde zijn eigen gewicht. Hij voelde dat dat oké was.

— Zal ik beginnen? vroeg hij, niet luid, wel duidelijk.

— Ja, zei Noor, en ze keek hem aan alsof hij net een ladder had neer gezet.

Mats klikte de kist open. Boeken keken terug. Kleuren, ruggen, woorden die uitstaken. Er lag een stapeltje kaartjes bovenop. “Proefkaartjes”, had Lina erop geschreven met ronde letters. Mats pakte er één.

Hij haalde adem. Hij haalde nog eens adem, korter, omdat hij merkte dat de bus wilde vertrekken en er een ritme in zat waar hij in mee wilde.

— Wie wil er iets met dieren? zei hij. — Wie wil er iets met voetballen? Wie wil er iets met iets dat je nog nooit las?

Handen gingen omhoog. Niet allemaal. Genoeg. Mats deelde boeken uit. Zijn handen waren handig. Hij voelde zich een beetje als een kelner met glazen water op een wiebelterras. Rustig lopen. Kijken. Glimlachen. Wacht even als iemand twijfelt. Zeg: je mag ook later kiezen.

— Ik wil graag iets met ruimte, zei een jongen met sproeten, zijn stem zo zacht als zijn huidsproeten.

— Deze, zei Mats, en hij schoof een boek over sterren naar voren. — Begin bij de foto's. Je ogen mogen eerst.

— Oké, zei de jongen, en hij keek opgelucht.

De bus reed. Links, rechts. Remmen. Motor. Mats zat een moment met lege handen, zijn tas tegen zijn buik, zijn rug recht. Hij luisterde. Bladzijden. Een hoest. Een lachje. Het was mooi, die kleine muziek. Hij glimlachte naar Noor, die hem een duim opstak met een broodkorst eraan. Hij grinnikte zacht.

— Als er iets is, zeg je het, fluisterde hij naar het gangpad.

— Als het lukt, zeg je het ook, fluisterde Noor terug.

Lina knikte vanaf de andere kant van de kist. Ze wees naar de prikbordkaartjes die Mats had gemaakt. Vraag van de dag: Wat is nieuw dat je durft te proeven? eronder drie lege lijntjes. Mats nam een potlood en schreef op het bovenste lijntje: Ik durf zacht te beginnen. Hij legde het kaartje op de kist.

Er gebeurde een klein ongelukje dat geen ongeluk was: een boek gleed tijdens een bocht van een schoot. Het viel zacht, kaft op rubber. Het klonk als ploep. Niemand schrok. Mats raapte het op. Hij klopte het af met serieuze handen, alsof hij kruimels van een taart veegde. Hij glimlachte naar het meisje dat het had laten vallen.

— Het boek oefent ook, zei hij. — Bochten zijn voor iedereen nieuw.

— Dank je, zei ze, en ze stak haar tong uit naar de bocht, alsof die een grap had gemaakt.

Ze bereikten school. Sommigen hielden boeken vast alsof dat een nieuwe tas was. Mats sloot de kist. Zijn vingers gleden over het hout. Hij voelde een rilling. Niet van kou. Van iets dat je krijgt als je iets anders durft. Hij dacht aan morgen. Hij dacht aan herhalen. Hij dacht: kleine stappen, grote stappen, dit was er eentje.

Aan de kant van de stoep keek Lina hem aan met een blik die zei dat woorden niet nodig waren. Toch zei ze iets.

— — Je deed het rustig, zei Lina. — En dus goed.

— — Ik telde mijn adem, fluisterde Mats. — In. Uit. In. Uit.

— — Soms is dat de beste tel, zei Lina. — Voor nu: schrijf straks op wat werkte. En schrijf op wat je wil proberen. Morgen mag weer een eerste keer zijn.

— — Elke dag nieuw, zei Mats. — Ik denk dat ik dat wel durf.

Hij liep naar binnen met de kist nog even in zijn handen als een echo. De dag wachtte. De dag was breed. De dag hield van plannen, en ook van wanneer plannen zacht veranderen als wolkjes in de wind.

Donder op het dak

De week kroop verder als een slak die haast heeft. Elke dag zette Mats de kist neer. Elke dag vroeg hij rustig, deelde hij rustig, lachte hij soms hardop om iets dat een boek deed in een gezicht. Elke dag tekende hij een nieuwe Vraag van de dag. Wat heb je gisteren geleerd? Wat vond je lastig maar leuk? Wat wilde niet lukken en lukte toch?

Donderdag begon anders. De lucht was grauw als nat papier. Er ritselden bladeren tegen de stoep. De bus rook naar natte jassen. Mats zat, tas op schoot, handen erop. Hij voelde de trilling wiebelen onder zijn schoenen. Hij keek naar het raam. Een druppel. Nog een druppel. En toen ineens alles tegelijk. Regen die aansloeg als applaus. Hard. Vrolijk. Overal tegelijk.

— O jee, zei Noor, terwijl ze haar muts omlaag trok. — Mijn haar.

— Je haar is waterdicht, zei Mats, en hij keek naar hoe de druppels een race hielden langs het raam.

De bus trok op. De regen was niet bang om lawaai te maken. De motor deed mee. Het was een band die oefende. Bas, gitaar, trommel. Mats lachte nerveus. Hij legde zijn hand op de kist. Hij luisterde naar de muziek van buiten en de muziek van binnen — de bladzijden, de zuchten. Ze liepen door elkaar. Dat mocht. Maar hij merkte dat hij moeilijker hoorde wie wat fluisterde. Hij merkte dat kiezen lastiger ging als je je eigen stem verdrinkt in regen. Hij zag twijfel bij een meisje dat altijd heel snel koos. Hij zag een jongen die een boek weer teruglegde.

Hij wilde iets zeggen. Hij wilde de regen even vragen te wachten. Regen wacht niet. Dus wachtte hij. Hij telde. In. Uit. Nog eens. Toen stond hij op. Niet groot. Gewoon recht.

— — Weet je, zei Mats tegen de rij ogen die zich naar hem keerden. — Het klinkt buiten alsof honderd trommels bespeeld worden door duizend vingers.

— — Een miljoen, riep iemand. Lachen. De spanning wiebelde weg als een slak die een andere tak koos.

— — Zullen we meedoen? vroeg Mats. — Bedenk een woord dat klinkt als regen. Zeg het zacht. Of denk het. Ik begin. Tssss. Da-da-da. Plok.

— — Pling, zei Noor, met haar muts half over haar gezicht.

— — Ruis, zei de jongen met de sproeten, plots luid.

— — Plad, zei iemand anders, half nat.

Woorden drupten door de bus. Lachen golfde. Het werd een spel. Het werd een soort gedicht. Mats voelde hoe zijn schouders zakten. Hij voelde zijn voeten steviger. Hij voelde dat nieuw niet alleen boeken waren. Nieuw kon ook zijn: luisteren naar wat is, en daar iets mee doen.

— — En nu, zei hij zacht, toen de woorden stiller werden, — kies iets dat past bij jouw regenwoord. Pling wil misschien iets met piano. Ruis wil misschien iets met bossen. Plad... dat klinkt als laarzen.

Er was beweging. Rustige beweging. Handen vonden kaften. Ogen vonden titels. De regen hield niet op, maar dat hoefde niet. Soms hoef je niet te wachten tot het stil is. Soms maak je je eigen stilte.

Mats merkte dat hij harder moest leunen om Noor te verstaan. Dat hij dichterbij moest buigen om een vraag te horen. Dat was oké. Hij boog. Hij leunde. Hij deed stapjes naar voren en stapjes achteruit. Alles was ritme. Zelfs regen.

Een knal van buiten deed de bus even stilvallen van binnen. Geen paniek. Iemand gierde van het schrikken. Iemand piepte. Mats stak zijn hand op, niet als stop, maar als zwaai.

— — Dat was de lucht die zich rekte, zei hij. — Zoals jij je rekt als je wakker wordt. De lucht is groot. Hij doet soms groot. Wij doen klein. Kleine adem. Kleine blik. En we gaan door.

— — Heb je dat geleerd uit een boek? fluisterde Noor in zijn mouw.

— — Uit mijn moeders gezicht, mompelde Mats. — Als ze de pan laat vallen en lacht.

Ze bereikten school net toen de regen zachter ging. Alle kinderen roken naar weer en onderweg. Mats zette de kist neer. Hij veegde een paar druppels van de deksel die via een jas waren gekomen. Hij glimlachte naar zijn natte handen.

Binnen de klas klapte Jip in zijn handen, niet luid, wel vrolijk.

— — Wie heeft vandaag iets nieuws geleerd? vroeg hij.

— — Dat regen woorden heeft, zei Noor.

— — Dat je muziek kan horen als je wil, zei de jongen met de sproeten.

— — Dat je even niets hoeft te zeggen voor je iets goeds zegt, zei Mats, en hij was zelf verrast dat hij het hardop zei.

— — Schrijf het maar bij de Vraag van de dag, zei Jip. — Vandaag: Wat deed je toen het lawaai te groot was?

Mats schreef. Ik maakte het klein. Ik maakte het van mij. Hij zat stil een moment. Hij voelde zijn hart als een rustige trom.

Aan het eind van de dag, toen de jas weer aan was en de tas weer zwaar leek, ving Mats nog de blik van Lina bij de deur. Ze stak haar duim op. Ze schreef snel iets op een klein kaartje en gaf het hem. Hij las: Nieuw is niet stil. Jij wel. En dat is genoeg.

Hij stak het kaartje in het binnenvak van zijn tas. Hij voelde het daar. Hij wist dat hij het vergeten zou en dan weer zou vinden, op een dag dat hij het nodig had. Dat is wat goede dingen doen.

De kleine tentoonstelling

Zaterdag. Geen schoolbus. Wel de bus naar de stad. Mats en Noor zaten net zo rustig, net zo stil, net zo wakker. Het voelde alsof de stoelen hun lichamen al kenden. Buiten flitste de markt langs met kisten vol mandarijnen. Gebonk, geroep, gelach. Binnen het zachte tikken van de richtingaanwijzer.

Het plan in Mats' hoofd had nog iets nodig. Niet groots. Iets om te laten zien wat ze deden zonder te schreeuwen. Een teken. Een poster. Een kleine tentoonstelling met grote zorg. Hij voelde de zin in zijn vingers.

Bij de boekwinkel De Warme Bladzij rook het naar papier en hout. Er stond een zachte stoel in de hoek. Een kat lag eronder, alsof hij een paragraaf was die nog gelezen moest worden. Lina stond achter de toonbank en plakte een kaartje op een stapel ansichtkaarten met tekeningen van lampen en kopjes thee.

— — Jullie zijn er, zei ze, alsof ze op hen gerekend had.

— — We hebben iets bedacht, zei Mats. — Ik heb iets bedacht. Nou ja... het wil in mijn hoofd. Helemaal af is het nog niet.

— — Dat is het mooiste moment, zei Lina. — Tussen nog-niet en bijna. Laat eens zien met woorden.

— — We willen bij de bushalte een kleine tentoonstelling maken, zei Noor snel. — Met mini-briefjes. Met woorden van kinderen. Met je Vraag van de dag en de antwoorden. Zodat ouders en de buurt zien hoe stil klinkt.

— — Zodat stil een gezicht krijgt, zei Mats. — Een lach. Een tekening. Iets wat je mee wil nemen.

— — En een poster, voegde hij toe. — Een grote, maar alsof hij fluistert. Niet schreeuwen. Wel nodigend. Met een zin erop die ik nog niet helemaal heb.

— — Iets als: Probeer. Ontdek. Deel, zei Noor, en ze keek Mats aan. — Of niet?

— — Probeer. Ontdek. Deel, herhaalde Mats, proevend. — En misschien ook: Fouten zijn oefenplekken.

— — Ik word hier warm van, zei Lina. — Wacht. Ik heb iets.

Ze rommelde in een la en kwam terug met een rol papier, bruin en stevig, en een doos met stiften in kleuren die niet deden wat je verwachtte. Mosgroen. Koperdonker. Zonlichtgeel.

— — Neem, zei ze, en ze legde nog een stapeltje kartonnen kaartjes erbij. — Voor de mini-briefjes. En kijk, stickers. Klein. Rond. Zacht. Stickers die ja fluisteren.

— — Wat kosten deze? vroeg Noor, haar hand al in haar zak.

— — Voor jullie project? vroeg Lina. — Vandaag: een investering. Morgen: verhalen. Overmorgen: iemand die anders ook durft. Betaal met aandacht. Betaal met een klein verslagje voor onze etalage, en met een foto van de poster bij de halte.

— — Deal, zei Mats, die graag eerlijk betaalde.

— — Wat is je zin? vroeg Lina nog, pen in de hand maar niet dwingend.

— — Ik... ik wil iets met klein, zei Mats. — En met samen. En met stap voor stap. En met dat je niet alles hoeft te kunnen voor je begint.

— — Probeer. Ontdek. Deel, zei Noor nog eens, zacht.

— — En: We beginnen klein en we beginnen nu, fluisterde Mats, en hij voelde een klik in zijn borst zoals een sleutel een slot vindt.

Ze gingen aan de lange tafel achter in de winkel zitten. Ze tekenden niet uitbundig. Ze tekenden rustig. Noor tekende letters die wiegden. Mats maakte pijltjes die niet schreeuwden maar wezen zoals je wijst naar een vlinder. Ze plakten een hoek, lieten die weer los, plakten opnieuw, netje. Ze lachten als een stift uitgleed, veegden weg, begonnen opnieuw. Oefening is kneden, dacht Mats. Je maakt je handen warm met proberen.

Ze maakten ook de mini-briefjes. Vraag van de dag bovenaan met zachte stempelletters. Daaronder ruimte. Mats schreef alvast een paar zinnen van kinderen op die hij had onthouden. Ik hield het boek vast en vergat de regen. Ik wist niet dat bomen ook dromen. Ik durfde nee te zeggen en dat was ook kiezen. Hij liet ruimte open voor nieuwe stemmen. Het was geen museum. Het was een adem.

Midden op de poster zette hij in vloeiende letters: Probeer. Ontdek. Deel. Rechts onderaan schreef hij kleiner: We beginnen klein en we beginnen nu. Er bleef een ruimte leeg. Een lege plek die niet leeg voelde, maar als een stoel die wacht. Er moest nog iets. Iets wat de poster samen zou maken met een naam. Niet per se de zijne. Maar misschien wel.

— — Laat je die plek open? vroeg Lina die terugkwam met kruidenthee.

— — Voor straks, zei Mats. — Voor wanneer ik... voor wanneer het moment best wil.

— — Goed zo, zei Lina. — Niet alles hoeft ineens. Niet alles hoeft meteen vol. Soms is wit precies wat je nodig hebt.

De bus terug naar huis was zacht. De rol papier lag op Mats' schoot als een slapende slang. Noor maakte grapjes over letters die 's nachts van de poster af zouden stappen om water te drinken. Mats grijnsde. Hij keek uit het raam. De gracht lag te glanzen. De lucht was moe van de regen van gisteren. Alles ademde uit.

Thuis zette Mats de poster tegen de muur van zijn kamer. Hij keek. Hij keek nog eens. Hij ging op de grond zitten en leunde tegen zijn bed. Hij voelde dat hij iets had gemaakt dat groter was dan papier. Iets waar hij in had gelopen met zijn gedachten en uit was gekomen met een glimlach.

Hij pakte een stift. Hij hield hem boven de lege plek. Hij haalde adem. Hij zette de stift terug. Hij glimlachte naar zichzelf in het raam. Hij mocht wachten. Wachten is ook doen, dacht hij. Morgen was een nieuwe eerste keer.

Handtekening op de poster

Maandagochtend had het geluid van fietsbellen en van de wind die in bomen blaast alsof bladeren fluisteren. Mats droeg de poster in een koker. De kist was lichter geworden in zijn armen, omdat hij wist hoe hij haar droeg. Bij de bushalte stond al een groepje kinderen. Noor zwaaide met haar muts. Omar zwaaide vanuit de bus alsof hij aan een feestje begon.

Ze hingen de poster op aan het prikbord, met twee klemmen. Hij hing een beetje scheef. Niet erg. Mats trok hem recht. Hij stapte terug, twee passen, handen in zijn zakken. De poster lachte zacht. De letters ademden. De witte plek onderaan glansde als een beetje sneeuw die niet smelt.

De mini-briefjes hingen ze op een touwtje, met knijpers die Mats gisteravond samen met zijn moeder had uitgezocht uit een bak vol knopen en restjes. Ze zongen aan de wind als vlaggetjes. Kinderen lazen. Ogen bleven hangen. Iemand aaide met zijn vingers over de woorden, heel voorzichtig, alsof ze warm waren.

— — Wow, zei Noor, haar stem iets hoger dan normaal. — Het lijkt een museum. Een klein, lieve, rijdend museum.

— — Een rustpunt, zei Mats. — Voor als je hoofd vol is. Voor als je niets hoeft te bewijzen.

— — Kunnen we ook tekenen? vroeg een meisje met een knalgele sjaal. — Soms wil ik tekenen wat ik las.

— — Ja, zei Mats meteen. — We maken een Tekenschrift. En misschien ook een Luisterlijst, met woorden die we mooi vinden.

Hij schreef het op. Luisterlijst. Tekenschrift. Dingen om later van te glimlachen. Hij voelde de poster naast hem als een vriend die niet praat maar toch iets zegt. Hij voelde dat zijn hand in zijn jaszak zocht naar de stift die hij gisteravond had laten liggen. Hij vond hem. Hij liet hem nog even liggen.

Lina kwam aanlopen met een klein stapeltje nieuwe kaartjes. Ze had wangen die glommen van de kou.

— — Ik kon het niet laten, zei ze. — Ik wilde zien hoe de poster hing. Ik wilde de lucht proeven hier.

— — Kijk, zei Noor, en ze wees naar de mini-briefjes. — Kinderen hebben al geschreven. En getekend. En gelachen.

— — Ik hoor het, zei Lina, en ze kneep haar ogen kort dicht, alsof ze beter kon luisteren zo. — Ik hoor rust tussen lawaai. Dat is een kunst.

De bus moest rijden. Maar de bus mocht ook wachten, een beetje. Omar stond half in de bus, half buiten. Hij keek naar de poster. Hij las hardop omdat hij dat altijd deed met woorden die hem aanraakten.

— — Probeer. Ontdek. Deel, las Omar. — We beginnen klein en we beginnen nu.

Hij knikte. Hij keek naar Mats, die zijn tas op zijn schouder zette.

— — Goed bedacht, jongen, zei Omar. — Alles wat groot is is ooit klein geweest. Zelfs deze bus.

— — Echt? vroeg een kind. — Was de bus eerst een fiets?

— — Bijna, grijnsde Omar.

— — Mag ik mijn naam hier zetten als ik mee wil doen? vroeg Noor, en ze tikte met haar vinger tegen de witte plek.

— — Straks, zei Mats. — Straks, na de rit. Als we het laten landen.

Ze stapten in. Ze deden wat ze geoefend hadden tot het routine was zonder saai te zijn. Mats deelde. Noor lachte. Iemand fluisterde 'plin-plon' als de regen zachtjes opnieuw begon. Maar de regen speelde op afstand deze keer. Rustiger. Alsof hij ook had geleerd.

Na school bleef het groepje hangen bij de poster. Er waren meer kinderen, en een paar ouders. Er waren kleine dingen om te vieren. Iemand die voor het eerst een dik boek aanraakte. Iemand die een zin hardop las zonder te blozen. Iemand die zei: ik vond dit niet leuk — en dat mocht.

Jip kwam erbij. Hij had een stempel in zijn hand, met een smiley die niet te blij keek. Gewoon vriendelijk.

— — Ik dacht: een stempel voor wie vandaag iets probeerde, zei hij. — Niet per se gelukt. Wel geprobeerd. Een poging is een stap.

— — Ik wil een stempel, zei Noor.

— — Je krijgt er een, zei Jip. — En jij ook, Mats. Fijn bedacht, fijn gedaan.

— — Ik wil ook iets, zei Mats, en hij voelde dat hij het al langer wist. — Ik wil dit officieel maken. Voor mezelf. Voor later in mijn hoofd.

Hij haalde de stift uit zijn jaszak. Hij liet zijn arm even hangen. Hij ademde. In. Uit. Hij keek naar de witte plek. Hij schreef niet te groot, niet te klein, precies zoals het paste bij het papier en bij zijn borst.

Mats — coördinator, las Noor. — Met een streepje onder je naam. Heel volwassen.

— — Het is maar papier, zei Mats, en toch voelde het alsof hij iets had gezet dat zou blijven. — Maar voor mij is het ook iets in mijn hoofd. Alsof ik mezelf een hand geef. 'Je kan dit,' zeg ik dan. 'En anders probeer je opnieuw.'

— — Wacht, zei Lina, en ze haalde haar pen tevoorschijn. — Mag ik ook? Niet om mijn naam. Om de jouwe. Ik zet een kleine krul naast je handtekening. Zodat je later weet: iemand zag je. Iemand geloofde je. Maar de naam is van jou.

Ze tekende een klein sterretje naast Mats' naam. Niet groot. Meer een sprank.

— — Dit is mijn soort handtekening, zei Lina. — Een teken.

— — Dank je, zei Mats.

— — Mag ik ook tekenen? vroeg Omar van achter zijn stuur, en hij stak een pen op.

— — Jij krijgt de eer om de datum te zetten, zei Mats. — Zodat we weten wanneer klein begon.

Omar schreef in hoekige letters een datum. De poster voelde nu warm. Alsof dit moment naar binnen was gekropen en aan bleef.

— — Ik ben trots, zei Jip. — Niet omdat het perfect is. Omdat het leeft.

— — Ik ben blij, zei Noor. — Niet omdat alles nu makkelijk is. Omdat ik durf.

— — Ik ben rustig, zei Mats. — Niet omdat er geen lawaai meer is. Omdat ik mijn eigen stem hoor.

Toen ze 's avonds thuis kwam, zette Mats zijn tas neer en liep naar zijn kamer. Hij keek naar de plek op zijn muur waar de poster in gedachten nog hing. Hij glimlachte naar de lege plek die er niet meer was, die nu vol was. Hij ging zitten en schreef in een schriftje met een kaft vol sterren. Hij schreef:

Vandaag zette ik mijn naam. Niet omdat ik de baas wil zijn. Omdat ik wil durven. Om later terug te kunnen lezen: ik werd niet ineens iemand. Ik bouwde. In stappen. Ik vergat soms. Ik lachte, vaak. Ik maakte foutjes alsof ik ze nodig had. En de poster zei: je mag er zijn, precies zoals je bent en zo langzaam of snel als jij wil.

Hij legde zijn pen neer. Hij luisterde naar het huis, naar stemmen in de gang, naar zijn eigen adem. Hij dacht aan morgen, aan de bus, aan de kist, aan de mini-briefjes die zouden knisperen aan de draad. Hij dacht aan kinderen die misschien hun eerste boek uitkozen. Hij dacht aan regen die misschien weer trommelde en hoe ze woorden zouden zoeken die daar bij pasten.

Mats sloot zijn ogen. Het voelde alsof hij op de bus zat. De motor zacht. De wereld die langs trok. Zijn tas op zijn schoot. Zijn handen erop. Niet krampachtig. Gewoon. Klaar voor straks. Klaar voor nieuw. Klaar om weer klein te beginnen. Opnieuw. En opnieuw. Tot het groot voelt, en dan weer klein. Zo blijft het licht.

Buiten ging een auto voorbij. Iemand lachte op straat. Een deur viel zacht dicht. Het huis zuchtte. Mats ademde mee. In. Uit. In. Uit. En ergens aan het prikbord bij de halte, tussen kaartjes en foto's, glansde een naam op een poster. Een kleine handtekening, die zei: hier staat iemand die probeert. Hier staat iemand die deelt. Hier staat iemand die, als het waait, zijn eigen zachte toon kan vinden. Dat is genoeg. Dat is mooi. Dat is een begin. En morgen weer.

Hij sliep. De nacht dekte hem toe. Het was niet stil. De nacht hoeft niet stil. Hij was rustig. Dat is iets anders. En als hij later, veel later, nog eens naar de poster zou kijken, zou hij zich herinneren wat hij vandaag leerde: dat nieuwsgierigheid een sleutel is. Dat kleine stappen wegen bouwen. Dat je niet hoeft te wachten tot het perfect is. Dat een handtekening soms geen trofee is, maar een belofte. Een belofte aan jezelf. Om te blijven proberen. Om te blijven delen. Om te blijven ontdekken dat er in de bus, in een boek, in jezelf, altijd iets nieuws schuilt dat zachtjes zegt: kom maar. Je bent welkom. Je kan dit. En samen kan je nog meer.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Coördinator
Iemand die een groep helpt om dingen te organiseren en te plannen.
Tentoonstelling
Een presentatie van kunstwerken of informatie over een bepaald onderwerp, meestal in een ruimte waar mensen het kunnen bekijken.
Proefkaartjes
Kleine kaartjes die zijn gemaakt om iets uit te proberen of om een test te doen.
Afgelopen
Iets dat is geëindigd of voorbij is.
Mini-briefjes
Kleine papiertjes waarop je iets kunt schrijven of tekenen.
Glanzen
Als iets glimt of licht reflecteert, waardoor het er mooi en aantrekkelijk uitziet.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Te lezen daarna in Verhalen over zelfvertrouwen voor 11/12 jaar

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.