Hoofdstuk 1: De drie noten van ruzie
Ik heet Noor en ik ben de oudste. Dat klinkt stoer, maar het betekent vooral dat ik de officiële “Stop-met-kibbel-commissie” ben in ons huis.
Vandaag begon het al bij het ontbijt.
“Mijn boterham is scheef gesmeerd,” klaagde mijn kleine broer Sem. Hij keek ernaar alsof het brood hem persoonlijk had beledigd.
“Mama, hij doet alsof het brood een kunstwerk is,” zei ik.
Sem zuchtte dramatisch. “Het is wél kunst. Eetbare kunst. En het is misvormd.”
Aan de andere kant van de tafel trok mijn beste vriendin Lotte een wenkbrauw op. Ze was blijven slapen en zat nu met haar pyjamatrui vol pinguïns. “Sem, als je boterham scheef is, moet je hem gewoon… recht kauwen.”
“Dat kan niet,” zei Sem serieus. “Mijn mond is niet verstelbaar.”
Ik wilde lachen, maar ik voelde mijn oudste-zus-spieren al aanspannen. “Oké, oké. Ik bemiddel. Sem, jij krijgt een nieuwe boterham. Lotte, jij krijgt… eh… de scheve. Want jij bent dapper.”
Lotte knikte alsof ze een gevaarlijke missie accepteerde. “Ik zal hem temmen.”
Sem keek opgelucht. “Dank je, Noor. Jij bent de vredesbewaker.”
“Vredesbewaker,” mompelde ik. “Klinkt alsof ik een helm nodig heb.”
Na het ontbijt moesten we onze kamer opruimen. Daar begon de volgende mini-oorlog.
“Die stapel strips is van mij,” zei Sem, terwijl hij precies dezelfde stapel aanwijst die ik al drie jaar naast mijn bed heb.
“Die stapel staat aan míjn kant van de kamer,” zei ik.
Sem trok zijn neus op. “De grens is onduidelijk. Misschien is het een… neutraal gebied.”
Lotte klapte in haar handen. “Oeh! Een grensconflict! Ik stem voor een vredesverdrag met koekjes.”
Ik keek naar de deur van de woonkamer, waar het grote familiepiano stond te glimmen alsof hij luisterde. Oma had hem ooit “het zwarte monster” genoemd, maar dan op een liefdevolle manier.
Sem volgde mijn blik. Zijn ogen werden dromerig, zoals altijd als hij iets spannends verzon. “Wat als het piano een geheime ingang heeft?”
“Sem,” zei ik, “het is een piano. Geen piratenboot.”
“Maar het is wel groot genoeg voor een piratenboot,” fluisterde hij.
Lotte boog naar voren. “Ik heb altijd al in een piano willen wonen. Met een minibar. Of een koekjesbar.”
Ik zuchtte. “Oké. Eén ding tegelijk. Eerst opruimen. Dan… whatever jullie breinen net hebben uitgespuugd.”
Sem glimlachte alsof hij al wist dat “whatever” ons straks in de problemen zou brengen.
Hoofdstuk 2: De pianodeur die geen deur was
Na het opruimen—nou ja, na het verplaatsen van rommel naar plekken waar niemand het zag—slopen we de woonkamer in.
Het piano stond daar: zwart, glanzend, en een beetje te stil. Het rook altijd naar hout en oude muziekboeken.
Sem tikte op de zijkant. “Hallo, piano. Ben jij vandaag toevallig een portal?”
“Een wat?” vroeg Lotte.
“Een… eh… doorgang naar een andere wereld,” zei Sem, alsof hij dat dagelijks bestelde bij de bakker.
Ik deed mijn best om niet te grinniken. “Sem, je hebt te veel fantasie.”
“Dank je,” zei hij.
Lotte ging op haar knieën en keek onder het piano. “Ik zie… stof. En een verdwaalde rozijn.”
Sem stak zijn hoofd ook onder het piano. “Misschien is de ingang aan de achterkant. Bij de pedalen. Dat zijn eigenlijk… geheime knoppen.”
Ik keek naar de pedalen, die er inderdaad uitzien als drie metalen tongen. “Als jij op de pedalen gaat staan en er gebeurt iets, wil ik dat je eerst ‘sorry' roept.”
“Sorry,” zei Sem alvast. Voor de zekerheid.
Hij duwde met zijn voet tegen de rechterpedaal. KLOENK. Er gebeurde niets, behalve dat het piano een diepe brom maakte, alsof hij “hmph” zei.
Lotte gierde. “Het piano heeft een mening!”
Sem probeerde de middelste. KLOENK. Weer dat bromgeluid. Toen de linker. KLOENK.
“Oké,” zei ik. “Jij hebt nu drie keer het piano beledigd. Gefeliciteerd.”
Sem ging zitten op de pianokruk en speelde één toets. PLING.
Het klonk helder, bijna alsof iemand een druppel water in een glas liet vallen.
“Zie je,” zei Sem zacht. “Hij praat terug.”
Lotte tikte op een witte toets. PLING. “Hallo, ik ben Lotte. Ik heb pinguïns.”
Ik rolde met mijn ogen. “Jullie zijn gek.”
Toen trok Sem voorzichtig aan het houten paneel onder het toetsenbord—de klep waar je soms bij de binnenkant kunt. Die zat een beetje los.
“Dat hoort niet los,” zei ik.
“Precies!” Sem fluisterde alsof hij een detective was. “Dus het is een hint.”
Het paneel ging met een zacht KRAK open, en er kwam een klein wolkje stof uit. Hoest-hoest.
Lotte wapperde met haar hand. “De piano rookt. Slecht voorbeeld.”
Achter het paneel zag je snaren en hamertjes, glimmend en ingewikkeld als een metalen spinnenweb. En er was… ruimte. Niet veel, maar genoeg voor een arm.
Sem stak zijn hand erin. “Ik voel iets.”
“Als je een muis voelt, laat hem dan meteen los,” zei ik.
“Het voelt… rond,” zei Sem. “Als een… knop.”
Lotte sprong op. “Draai eraan!”
“Niet draaien aan onbekende dingen in een piano,” zei ik. Maar ik was al te laat. Sem draaide.
Klik.
Er gebeurde niets. Twee seconden. Drie.
Toen klonk er vanuit het piano een heel zacht “ting-ting-ting”, alsof iemand mini-belletjes liet vallen.
“Oké,” zei Lotte. “Dat was óf magie, óf het piano probeert ons te waarschuwen.”
Sem keek me met grote ogen aan. “Noor… ik denk dat we net iets hebben aangezet.”
Ik slikte. “Dan zetten we het… weer uit.”
Maar hoe? En vooral: wat?
Hoofdstuk 3: De ruzie wordt een expeditie
Natuurlijk ging het mis. Dingen gaan altijd mis zodra Sem enthousiast wordt.
We wilden “gewoon even kijken” wat de knop deed. Dat veranderde binnen één minuut in een plan met codewoorden.
Sem wees naar het piano. “Operatie Zwarte Monster.”
Lotte stak haar hand op. “Ik wil Codewoord Koekje zijn.”
“Dat is geen codewoord, dat is een snack,” zei ik.
“Dan ben ik Snackwoord Koekje,” verbeterde ze.
Ik zuchtte en wees naar mezelf. “Ik ben… Mediator. Omdat ik anders toch die rol krijg.”
Sem knikte plechtig. “Mediator, jij bewaakt de vrede. Ik ben de Verkenner.”
“En ik ben Koekje,” zei Lotte tevreden.
We haalden een zaklamp uit de la—nou ja, ik haalde hem, want Sem zocht drie minuten lang naar een zaklamp in een lade met lepels. Hij kwam terug met een pollepel. “Deze kan ook licht geven als je hem poetst,” beweerde hij.
Ik richtte de echte zaklamp op de binnenkant van het piano. Het spinnenweb van snaren glinsterde. Tussen twee snaren zat iets dat niet bij muziek hoorde: een klein papieren vlaggetje. Alsof iemand ooit een boodschap had achtergelaten.
Ik pakte het voorzichtig. Op het vlaggetje stond, in schuin handschrift:
“VOOR VREDE: SPEEL DE LACH-TOONLADDER.”
Lotte las het hardop en keek toen naar mij. “De piano wil dat we… lachen?”
Sem knikte. “Ik wist het. Het is een vriend. Een muzikale vriend.”
“Of een heel raar huiswerkproject van opa,” mompelde ik. Opa had ooit geprobeerd om de afstandsbediening te repareren met plakband en een banaan. Je weet maar nooit.
“Wat is een lach-toonladder?” vroeg Lotte.
Sem legde zijn vinger op zijn kin. “Misschien een toonladder die klinkt als… hihihi.”
“Dat is geen toon,” zei ik.
“Wel in mijn hoofd,” zei Sem.
Oké. Ik ben de oudste, maar soms is het makkelijker om mee te gaan dan om te stoppen. “Prima. We proberen iets simpels. Do-re-mi… maar dan met grappige noten?”
Lotte ging op de kruk zitten en speelde voorzichtig: do-re-mi-fa-sol-la-ti-do. Gewoon netjes.
Het piano antwoordde met… een onverwachte PLOINK aan het einde. Alsof hij struikelde over zijn eigen laatste noot.
Lotte sprong op. “Hij deed ‘pijnlijk'!”
Sem giechelde. “Nog een keer!”
Ik keek naar het vlaggetje. “Lach-toonladder… Misschien moeten we expres een beetje fout spelen. Niet te erg. Grappig-fout.”
Lotte knikte. “Mijn specialiteit.”
Ze speelde opnieuw, maar deze keer liet ze bij “fa” haar vinger uitglijden. PLIENG. Bij “ti” speelde ze twee toetsen tegelijk. PLOM-PLOM.
Sem begon te lachen. Ik ook, tegen mijn wil in.
En toen… gebeurde er iets heel raars.
Vanuit het piano kwam een zacht ratelend geluid, alsof er ergens een klein deurtje open ging. Het paneel onder de toetsen trilde een beetje.
“Oké,” fluisterde Sem. “De piano is aan het… glimlachen.”
Ik boog voorover en scheen met de zaklamp. Achter de snaren was een smal vak opengegaan, niet groter dan een schoenendoos. Binnenin lag… een oude, gevouwen kaart. En een piepklein belletje.
Lotte pakte het belletje op en schudde het. TING!
Sem sloeg zijn handen voor zijn mond. “Dat is de sleutel tot de lachwereld.”
“Of het is gewoon een belletje,” zei ik, maar ik voelde mijn mond al omhoog krullen.
We vouwden de kaart open op de grond. Er stond een plattegrond van ons huis op, maar dan met rare toevoegingen: “De Gang van Giggel”, “De Trap van Tikkende Tenen”, en bij de woonkamer: “Het Piano-Station.”
“Wij zitten in een avontuur,” zei Lotte zacht.
“Wij zitten in een piano,” verbeterde Sem.
Ik keek naar de kaart en toen naar hen. Kleine broer, beste vriendin, en ik—de vredesbewaker. “Oké,” zei ik. “Maar als iemand ruzie maakt over wie het belletje mag dragen, dan stop ik het in mijn sok.”
“Eerlijk,” zei Lotte.
Sem stak zijn hand op. “Ik maak geen ruzie. Ik ben een dromer.”
Precies op dat moment probeerde hij het belletje uit Lotte's hand te vissen.
“Sem!” riep ik.
“Wat?” zei hij onschuldig. “Ik droomde dat het in mijn hand zat.”
Ik pakte het belletje en stopte het in mijn zak. “Dan droom je maar even zonder geluid.”
Lotte lachte. “Mediator heeft gesproken.”
En toen ging het licht in de woonkamer opeens uit.
PATS. Donker.
Hoofdstuk 4: Donker, gefluister en een plotselinge FLITS
“Eh…” zei Lotte. “Heb jij dat gedaan?”
“Als ik het licht uit kon doen met mijn gedachten, had ik ook al mijn huiswerk weggewenst,” zei ik.
Sem fluisterde: “Misschien is dit deel van de kaart. De Gang van Giggel… begint met duisternis.”
“Of we hebben gewoon een stroomstoring,” zei ik, terwijl ik mijn zaklamp aan klikte. Klik. Niets.
“Serieus?” zei Lotte. “Ook leeg?”
Ik schudde de zaklamp alsof hij zich zou schamen en dan ineens zou werken. Geen succes.
Sem maakte een klein “boe”-geluidje. “Boe.”
“Niet,” zei ik.
“Maar het helpt tegen spanning,” zei hij. “Boe.”
“SEM.”
Lotte snikte van het lachen. “Oké, oké, geen boe's.”
In het donker klonk het piano ineens anders. Alsof het ademhaalde. Het hout kraakte zacht, en ergens tikte iets: tik… tik… tik.
“Dat is vast de Trap van Tikkende Tenen,” fluisterde Sem.
“Dat is vast de koelkast die afkoelt,” fluisterde ik terug.
We stonden dicht bij elkaar, want in het donker worden zelfs je eigen voeten verdacht.
Toen, met een klik die veel te luid klonk, schoot het licht weer aan.
FLITS.
We knepen onze ogen dicht. Lotte gilde half en lachte half. Sem sprong achter de pianokruk, alsof hij een spion was.
Ik knipperde en zag… dat er iets veranderd was.
Op het piano, boven de toetsen, lag een vel papier dat er net niet was. Het was spierwit, alsof het zojuist uit een printer was gerold. Er stond in grote letters:
“VRIENDENTEST: SPEEL SAMEN OF NIET.”
Lotte pakte het papier op. “Dat klinkt… streng.”
Sem kwam voorzichtig tevoorschijn. “Het piano wil weten of wij vrienden zijn.”
“We zijn vrienden,” zei Lotte meteen. “En jullie zijn broer en zus. Dat is ook… een soort vriendschap met extra irritatie.”
“Dank je,” zei ik droog.
Sem keek naar het belletje dat uit mijn zak een klein stukje zichtbaar was. “Misschien moeten we samen spelen. Drie spelers. Drie pedalen. Drie… eh… personen.”
Ik dacht aan onze kibbels: de scheve boterham, de strips, het belletje. Allemaal mini-dingen die groter werden in ons hoofd.
“Oké,” zei ik. “Samen. Zonder duwen, zonder trekken. Lotte, jij speelt de witte toetsen. Sem, jij mag de zwarte. Ik doe de pedalen.”
Sem keek alsof ik hem net de sleutel tot een raket gaf. “De zwarte toetsen! Dat zijn de geheime toetsen!”
“Dat zijn gewoon kruisen en mollen,” zei ik.
“Precies,” zei Sem. “Mollen zijn geheim.”
Lotte ging zitten, vingers klaar. Sem klom naast haar op de kruk, iets te dicht. Hun schouders botsen. Tok.
“Hee,” zei Lotte. “Jij zit in mijn pinguïnzone.”
“Sorry,” zei Sem. “Ik ben per ongeluk een pinguïn.”
Ik ging met mijn voeten bij de pedalen staan. “Op drie. Eén… twee…”
“Wacht,” zei Sem. “We hebben een startgeluid nodig. Zoals ‘piew-piew'.”
Lotte deed het. “Piew-piew!”
Ik zuchtte. “Drie.”
Ze speelden. Eerst klonk het rommelig: PLING-plong-pling. Sem drukte tegelijk twee zwarte toetsen in: PLOINK. Lotte probeerde netjes te blijven, maar schoot in de lach en sloeg een verkeerde noot: PLIENG.
Ik trapte per ongeluk twee pedalen tegelijk: WWOOM.
Het piano klonk alsof hij een dikke buiklach had. WWOOM-PLING-PLOINK.
Sem proestte. “Hij lacht! Hij lacht echt!”
Ik moest ook lachen, en ineens was het geen chaos meer, maar een soort… komisch lied. Niet perfect, wel samen.
Toen viel er uit het open vakje een klein voorwerp op de grond: een tweede belletje, precies hetzelfde als de eerste.
Lotte raapte het op. “Eén voor ieder?”
Sem stak zijn hand uit, maar stopte halverwege. “Ik ga niet graaien. Ik ben gegroeid.”
“Trots op je,” zei ik.
Ik gaf Sem het belletje. Lotte hield het andere. Ik hield niks, behalve mijn rol als mediator, maar dat voelde opeens minder zwaar.
Op het papier verscheen, heel vaag, nog een zin. Alsof iemand met onzichtbare inkt schreef:
“EINDIG MET EEN RUSTIG SPEL.”
Lotte keek naar mij. “Dat klinkt als… het einde.”
“Of als een volwassen persoon die zegt: ‘En nu naar bed',” zei ik.
Sem knikte serieus. “De piano is verstandig.”
Hoofdstuk 5: De laatste kibbel en de grote lach
Net toen ik dacht dat alles klaar was, kwam de laatste kibbel van de dag aanrennen. Hij had de vorm van één simpele vraag.
“Wie mag de kaart houden?” vroeg Sem.
“Ik,” zei ik tegelijk met Lotte.
We keken elkaar aan. Oeps.
Sem keek van mij naar Lotte, alsof hij naar een tenniswedstrijd keek. “Oh. Nu is het spannend.”
Ik haalde diep adem. Vredesbewaker-modus aan. “Oké. We doen het eerlijk. We maken er een spel van.”
Lotte trok een grijns. “Steen, papier, schaar?”
Sem schudde zijn hoofd. “Nee. Piano, bel, boterham.”
Ik knipperde. “Wat?”
Sem legde uit met de ernst van een professor: “Piano wint van boterham, want piano kan boterham pletten. Boterham wint van bel, want je kunt een bel in een boterham stoppen en dan hoor je hem niet meer. Bel wint van piano, want als je een bel in een piano laat vallen—ting!—dan schrikt hij.”
Lotte klapte. “Dit is de beste slechte logica ooit.”
Ik kon niet anders dan lachen. “Oké dan. Piano, bel, boterham.”
We telden af. “Eén, twee, drie!”
Ik deed piano (handen als een rechthoek), Lotte deed bel (vingers als een ring), Sem deed… boterham (platte hand).
“Piano wint van boterham,” zei Sem meteen, en hij wees naar mij. “Noor wint!”
Lotte deed alsof ze dramatisch flauwviel op het tapijt. “Ik ben verslagen door een denkbeeldig meubelstuk!”
Sem boog naar haar toe. “Rust zacht, Koekje.”
Lotte sprong overeind. “Wacht! Als Noor de kaart houdt, waar komt hij dan? In haar kamer. En dan moeten wij erom vragen. Dat is irritant.”
“Waar,” zei Sem.
Ik hield de kaart vast en voelde ineens hoe stom het was om er bezit van te maken. Het ging niet om de kaart. Het ging om wat we ermee hadden gedaan: samen spelen, samen lachen, samen niet bang zijn in het donker.
“Oké,” zei ik. “De kaart komt in de woonkamer. In het pianobankje. Dan is hij van ons allemaal.”
Sem knikte langzaam. “Gedeeld avontuur.”
Lotte stak haar pink uit. “Pinky promise.”
We haakten onze pinken aan elkaar. Zelfs Sem, die normaal vindt dat pinken “te dun” zijn om serieus te nemen.
Het piano maakte een zacht, tevreden geluid toen ik de kaart in het bankje legde. Alsof hij goedkeurde: mmm.
Hoofdstuk 6: Het rustige spel om mee af te sluiten
Later, toen de avond in huis zakte en alles stiller werd—zelfs de trap kraakte zachter—gingen we nog één keer bij het piano zitten.
“Rustig spel,” zei Lotte. “Wat doen we?”
Sem keek naar zijn belletje. “We kunnen ‘Bel-Estafette' doen. Maar rustig.”
“Estafette is nooit rustig,” zei ik.
“Dan doen we ‘Bel-Fluister',” zei Sem. “We geven het belletje door zonder dat het klingelt.”
Lotte's ogen glinsterden. “Dat is moeilijker dan het klinkt.”
“Precies,” zei Sem. “En als het tóch klingelt, dan moet je een vriendelijke compliment zeggen. Geen straf, maar… vriendelijkheid.”
Ik glimlachte. “Oké. Dat vind ik een goed einde.”
We gingen in een kring op het tapijt: ik, Lotte, Sem. De lamp stond zacht aan. Het piano keek mee, groot en rustig.
Ik gaf Sem het belletje, heel voorzichtig. Het belletje zweeg. Sem hield zijn adem in alsof hij een bom vasthield, gaf het aan Lotte—TING!
Lotte schrok en barstte toen in lachen uit. “Oké, compliment. Sem, jouw fantasie is echt… een soort superkracht. Zelfs een boterham wordt spannend bij jou.”
Sem werd rood maar glimlachte. “Dank je.”
Lotte probeerde opnieuw, nog voorzichtiger. Ze gaf het belletje aan mij. Stil. Ik gaf het terug aan Sem. Stil.
Sem gaf het aan Lotte. Stil.
We werden steeds beter. Onze handen bewogen langzaam, alsof we een heel fragiele bubbeltje doorgeven. Af en toe: TING! Dan volgde een compliment.
“Lotte,” zei ik na een klingel, “jij maakt zelfs stomme momenten grappig. Dat is heel fijn.”
Lotte trok haar pinguïnmouwen over haar handen. “Dank je. Noor, jij bent echt goed in stoppen voordat het ruzie wordt. Zonder dat je saai doet.”
Sem knikte. “Ja. Jij bent de beste mediator. En je sokken zijn ook… best oké.”
“Wauw,” zei ik. “Hoog niveau.”
We lachten zacht, zodat het niet te wild werd voor de avond. Het piano kraakte tevreden, alsof hij meedeinde op onze rust.
Toen, bij de laatste ronde, ging het belletje van Sem naar Lotte naar mij—zonder één enkele ting.
We keken elkaar aan, alsof we een record hadden gehaald.
Sem fluisterde: “Vrede.”
Lotte fluisterde: “Vriendschap.”
Ik fluisterde: “En een piano dat blijkbaar van spelletjes houdt.”
Het piano zei niets, maar in de stilte klonk het alsof er ergens heel diep binnenin één klein hamertje zachtjes tikte. Niet als waarschuwing. Meer als een knipoog.
We stonden op, deden het licht uit—dit keer expres—en liepen naar boven. Zonder kibbel. Nou ja, bijna.
“Mijn dekbed is scheef,” zei Sem bovenaan de trap.
Ik haalde adem.
Lotte fluisterde: “Recht kauwen?”
Sem lachte zo hard dat hij bijna zijn belletje liet klinken. En ik ook. In het donker, met de beste soort ruzie: eentje die eindigt in lachen.