Hoofdstuk 1: De Schaduw over Camelot
De wind huilde door de torens van Camelot, alsof het kasteel zelf een geheim probeerde te fluisteren. In de schaduw van de grote poort liep een man met een lange, versleten mantel. Zijn naam was Edric, een magiër met ogen zo donker als de nachtlucht en handen getekend door oude spreuken. Edric was geen gewone man; hij was een van de laatste magiërs aan het hof van koning Arthur, in een tijd waarin magie nog net werd getolereerd, maar altijd werd bekeken met een mengeling van angst en ontzag.
Die avond stond Edric op de binnenplaats, zijn staf stevig in zijn hand geklemd. Hij voelde de spanning in de lucht, als een storm die op het punt stond te barsten. Het was niet alleen het gerucht van een naderende oorlog met de Saksen dat hem onrustig maakte. Nee, er was iets anders. Iets wat alleen Edric leek te voelen.
Plotseling klonk er een stem naast hem. “Je voelt het ook, nietwaar?” Het was Morgana, de halfzus van koning Arthur. Haar ogen glansden groen in het maanlicht.
“Ja,” fluisterde Edric. “De magie is veranderd. Het is... donkerder geworden.”
Morgana knikte. “Iemand heeft het Zegel van Avallon verbroken. Iets kwaadaardigs is losgelaten.”
Edric's hart bonsde in zijn borst. Het Zegel van Avallon was een magisch schild dat eeuwenlang de wereld had beschermd tegen de schaduwen uit het verleden. Als het gebroken was, dan kon er van alles gebeuren: vergeten monsters zouden ontwaken, oude vijanden zouden terugkeren, en de geschiedenis zelf zou kunnen veranderen.
“Wie heeft het gedaan?” vroeg Edric.
Morgana haalde haar schouders op. “Misschien een vijand, misschien een vriend. We weten het niet. Maar één ding is zeker: als we het niet herstellen, zal de duisternis alles overspoelen.”
Edric keek naar de donkere hemel. De sterren leken te flikkeren alsof ze waarschuwden voor wat er zou komen.
“Ik zal het herstellen,” zei hij. “Wat het ook kost.”
Hoofdstuk 2: De Geheime Bibliotheek
De volgende ochtend stond Edric vroeg op. Hij ging naar de geheime bibliotheek van Camelot, een plek die alleen toegankelijk was voor de machtigste magiërs. De muren waren bedekt met oude boeken en rollen perkament, vol vergeten spreuken en verhalen over verloren tijden.
Edric zocht naar aanwijzingen over het Zegel van Avallon. Zijn vingers gleden over het perkament, terwijl hij fluisterde: “Laat mij zien wat verborgen is.”
Plotseling lichtte een boek op. Het was zwaar en bedekt met een laag stof. Op de kaft stond een symbool: een slang die haar eigen staart opat. Edric opende het boek met trillende handen.
“Het Zegel van Avallon,” las hij hardop. “Beschermt tegen de Schaduw die eens viel over het rijk van Koning Uther. Alleen het Bloed van de Magiër en de Tranen van de Draak kunnen het herstellen.”
Edric voelde koude rillingen over zijn rug lopen. Het Bloed van de Magiër... dat zou hij zelf kunnen zijn. Maar de Tranen van de Draak? In deze tijd waren er geen draken meer. Althans, dat dacht iedereen.
Hij sloot het boek en hoorde plotseling voetstappen achter zich. Snel draaide hij zich om.
“Je zoekt naar antwoorden,” klonk de stem van Merlijn, de grote tovenaar.
Edric knikte. “Ik moet het Zegel herstellen. Maar hoe vind ik een draak in deze tijd?”
Merlijn glimlachte geheimzinnig. “Niet alle draken leven nog. Maar hun magie blijft bestaan, verborgen op plekken waar niemand durft te zoeken.”
Edric voelde de moed in zijn borst groeien. “Waar moet ik beginnen?”
Merlijn legde een hand op zijn schouder. “Ga naar het Woud van Vergeten Namen. Daar woont een wezen dat het geheim van de draak bewaakt.”
Edric bedankte Merlijn en verliet de bibliotheek. Zijn avontuur was begonnen.
Hoofdstuk 3: Het Woud van Vergeten Namen
Het Woud van Vergeten Namen was een plek waar niemand graag kwam. De bomen stonden dicht op elkaar, hun takken leken te fluisteren in een taal die alleen de wind begreep. Edric stapte behoedzaam tussen de wortels door, zijn staf in de aanslag.
De lucht was hier kouder, zwaar van oude magie. Af en toe hoorde hij een geritsel of voelde hij een blik in zijn rug, maar als hij zich omdraaide, zag hij niets.
Na uren dwalen kwam hij bij een open plek. In het midden stond een stenen altaar, bedekt met mos en oude inscripties. Op het altaar zat een vreemd wezen: het had de kop van een vos, de vleugels van een uil, en de staart van een slang.
“Wie waagt het mijn rust te verstoren?” siste het wezen.
“Ik ben Edric, magiër aan het hof van Arthur. Ik zoek de Tranen van de Draak.”
Het wezen keek hem met felgele ogen aan. “En waarom zou ik je helpen, Edric?”
“Omdat de schaduw terugkeert,” zei Edric. “En als ik faal, zal de duisternis alles verslinden. Ook deze plek.”
Het wezen zweeg een moment. Toen sprong het van het altaar en liep om Edric heen. “Jij spreekt de waarheid. Maar de Tranen van de Draak zijn goed verborgen. Je moet een raadsel oplossen.”
Edric knikte. “Laat het raadsel horen.”
Het wezen grijnsde. “Wat leeft zonder te ademen, drinkt zonder te slokken, groeit zonder te leven, en sterft zonder te bloeden?”
Edric dacht diep na. Hij herhaalde het raadsel in zijn hoofd. Na een tijdje glimlachte hij. “Het is vuur.”
Het wezen klapte in zijn poten. “Goed geraden, magiër! Hier is je beloning.”
Uit zijn vleugel haalde het een kleine, glinsterende traan. “Dit is een traan van de laatste draak. Bewaar het goed.”
Dankbaar nam Edric de traan aan. “Hoe kan ik je bedanken?”
Het wezen lachte zacht. “Herstel het evenwicht. Dat is genoeg.”
Met de traan in zijn zak verliet Edric het woud, vastbesloten om zijn missie te volbrengen.
Hoofdstuk 4: De Val van de Schaduw
Terug in Camelot voelde Edric de dreiging groeien. De lucht boven het kasteel was donker, onweer hing als een zware deken over het land. In de grote hal verzamelden de ridders zich, klaar om te vechten tegen een vijand die ze niet konden zien.
Edric haastte zich naar de geheime kamer waar het verbroken Zegel lag. Morgana wachtte hem daar op, haar gezicht bleek en bezorgd.
“Heb je wat je nodig hebt?” vroeg ze.
Edric knikte en liet haar de traan zien.
Morgana zuchtte van opluchting. “We moeten snel zijn. De schaduw groeit met elke minuut.”
Samen begonnen ze aan het ritueel. Edric sneed voorzichtig in zijn hand en liet zijn bloed op het Zegel druppelen. Morgana hield de traan boven het schild en fluisterde een oude spreuk. De traan smolt als sneeuw in de zon en het Zegel begon te gloeien.
Plotseling vulde de kamer zich met een ijzige wind. Uit de hoeken kroop een zwarte nevel, die zich als tentakels uitstrekte naar Edric en Morgana.
“Blijf sterk!” riep Morgana. “Laat de schaduw je niet raken!”
Edric voelde de kou tot op zijn botten. De schaduw fluisterde in zijn oor, beloofde hem macht, rijkdom, alles wat hij ooit had gewild. Maar Edric dacht aan Camelot, aan de mensen die op hem rekenden, aan de wereld die hij moest beschermen.
Met zijn laatste kracht greep hij zijn staf en riep: “Licht van Avallon, keer terug!”
Een felle straal van licht schoot uit zijn staf, raakte het Zegel, en verdreef de schaduw. De kamer vulde zich met warmte en helderheid. De nevel verdween, het Zegel was hersteld.
Edric zakte op zijn knieën, uitgeput maar opgelucht. Morgana hielp hem overeind.
“Je hebt het gered,” zei ze zacht.
Edric knikte moe. “Voor nu. Maar de schaduw zal altijd ergens loeren.”
Hoofdstuk 5: De Prijs van Magie
De dagen na het herstel van het Zegel waren somber. Camelot was gered, maar de sfeer bleef gespannen. Overal werd gefluisterd over magie, over schaduwen, over dingen die mensen niet konden begrijpen.
Edric voelde zich leeg. De kracht die hij had gebruikt, was niet zonder prijs geweest. Zijn haar was grijzer geworden, zijn handen trilden. 's Nachts droomde hij van de schaduw, die hem riep, hem lokte naar het duister.
Op een avond zat Edric in de tuinen van het kasteel. Merlijn kwam naast hem zitten.
“Magie eist altijd haar tol,” zei Merlijn. “Maar je hebt iets groots gedaan. Je hebt het verleden en het heden verbonden. Je hebt ons allemaal een kans gegeven.”
Edric keek naar de sterren. “En wat nu?”
“Nu wachten we. De geschiedenis is veranderd, maar de strijd gaat door. De schaduw zal terugkomen, misschien in een andere vorm. Maar zolang er mensen zijn die het licht kiezen, is er hoop.”
Edric knikte. “Ik zal klaar zijn.”
Merlijn glimlachte. “Dat weet ik, Edric. Dat weet ik zeker.”
De wind fluisterde weer door de torens van Camelot. Maar dit keer klonk het niet als een waarschuwing, maar als een belofte. Want zelfs in de donkerste tijden, blijft er altijd een sprankje hoop.