Bezig met laden...
Ruimtevaartverhaal 7/8 jaar Lezen 23 min.

De zuinige ster en de bijenkorf in de ruimte

Milan, een zorgvuldige piloot, brengt onderdelen en brieven naar Bijenkorf Zeven en ontdekt daar een warme gemeenschap die deelt, zuinig leeft en hem eenvoudige maar waardevolle lessen leert.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Ongeveer 30-jarige piloot, kort bruin haar, sproeten, kalm glimlachend en geconcentreerd, in crème-blauw licht ruimtepak, zit in het cockpit van een kleine shuttle genaamd Zwaluw en sluit zijn veiligheidsgordel terwijl hij uit het raampje kijkt; een AI als klein rond scherm met twee blauw gloeiende ogen zweeft bij het dashboard; Dokmeester Rafi, ±40, donkere huidskleur, krullend haar, draagt een tuinbroek met zakken en staat bij de open laadruimte met een doos filters, glimlachend zichtbaar achter de cockpitkap; een meisje van ±8 met twee staartjes en een groene jurk houdt een tekening en kijkt vanaf een loopbrug van het habitat, rechts iets op de achtergrond; warme, nette ruimtehangar met metalen wanden in gele tinten, buizen en ringlampen, grote open deuren naar een sterrenhemel en een grote ringstructuur "Bijenkorf"; hoofdscène toont de shuttle vertrekklaar in gouden hangaarlicht, zachte optimistische sfeer, warme kleuren, lijntekeningstijl met eenvoudige schaduwen en vriendelijke overdreven expressies, gecentreerd op de piloot met diepte door bijpersonages en habitat; kleine details: stickers op de console, doos filters met label, kleine zaadjes in een potje. meld een probleem met deze afbeelding

Hoofdstuk 1: De stille start

Milan stond al vroeg in de hangar. De vloer glom alsof iemand hem met sterrenstof had geboend. Boven hem hing zijn shuttle, de Zwaluw, aan een zachte kraan, klaar om losgelaten te worden in de ruimte.

Hij legde zijn hand even tegen de romp. Het metaal was koel, maar niet koud. Meer als een beker water die in de schaduw had gestaan.

“Goedemorgen, Zwaluw,” mompelde hij.

Op het schermpje bij de laadklep verscheen een vriendelijk gezichtje met twee ronde ogen. Dat was Nola, de boordcomputer. Ze sprak met een stem die klonk alsof ze altijd glimlachte.

“Goedemorgen, piloot Milan. Ik heb je gemist. Zullen we weer netjes werken, zoals altijd?”

Milan lachte zacht. “Zoals altijd. Eerst de lijst.”

Hij hield van lijsten. Niet omdat hij saai was, maar omdat lijsten hem rustig maakten. In de ruimte is rustig zijn een superkracht.

Hij checkte de brandstofcel: groen. De luchtfilters: groen. De waterkringloop: groen. De afvalbox: nog halfleeg.

“Zie je,” zei Nola. “Wij zijn zuinig vandaag. We nemen alleen mee wat we nodig hebben.”

“Dat is de bedoeling,” zei Milan. “Op een schip is elke druppel en elke kruimel belangrijk.”

Vandaag zou hij naar Bijenkorf-Habitat Zeven vliegen, een grote woonplek die rond een kleine maan draaide. Het heette een bijenkorf omdat het vol zat met kamers en gangen, als cellen in een honingraat. Mensen woonden er, werkten er, en maakten er muziek in de gemeenschappelijke zaal. Milan had er nog nooit aangemeerd, maar hij had er al vaak over gehoord.

Bijenkorf Zeven was slim gebouwd. Ze hadden ramen die zich draaiden naar de zon als bloemen. Ze hadden tuinen in ringen, waar sla en aardbeien groeiden in zachte lampen. En ze waren beroemd om hun “deelwinkel”: een winkel waar je bijna niets kocht, maar vooral leende en weer terugbracht.

“Dat is pas goed leven,” zei Milan vaak. “Samen delen en niets verspillen.”

Zijn collega's plaagden hem dan. “Milan, de zuinige ster!”

Hij vond dat niet erg. Zuinige sterren gaan lang mee.

In de shuttle lag een kleine lading: een doos met nieuwe filterplaten, twee rollen herbruikbare reparatietape, en een pakketje met brieven van kinderen uit de aarde-stad. Brieven waren ouderwets, maar Bijenkorf Zeven hield van papier dat je kon aanraken. Het papier was gemaakt van gerecyclede plantenvezels, en rook een beetje naar hooi.

Milan liep naar de cockpit en ging in de pilotenstoel zitten. Hij streek met zijn handschoen over de armleuningen, alsof hij de stoel wakker maakte.

“Voor vertrek,” zei hij hardop, zoals hij altijd deed. “Stoel goed vast… en dan de gordels.

Hij pakte de riemen en klikte ze over zijn borst. Daarna trok hij er stevig aan. Niet te hard, niet te zacht. Precies goed.

“Gordels gecontroleerd,” zei hij.

Nola liet een tevreden piepje horen. “Gordels zijn je beste vrienden. Zelfs betere vrienden dan ik?”

“Jij bent ook een vriend,” zei Milan. “Maar jij kunt me niet vasthouden als we moeten remmen.”

“Dat klopt,” zei Nola. “Ik heb geen armen. Alleen heel veel geduld.”

Milan deed zijn helm nog niet op. Eerst keek hij door het raam. In de hangar stonden andere shuttles, als vogels in slaap. Een technicus zwaaide naar hem.

“Veilige reis, Milan!” riep de technicus.

Milan stak zijn duim op. “Tot straks!”

De luiken van de hangar begonnen open te schuiven. Achter het dikke glas lag de ruimte, donker en rustig. De sterren stonden er al, alsof ze ook op een lijst stonden: precies op tijd.

“Startprocedure,” zei Milan.

“Startprocedure,” herhaalde Nola. “Rustig, precies, en zuinig.”

De Zwaluw trilde heel even, alsof hij een diepe adem nam. Toen gleed de shuttle vooruit, de hangar uit, de ruimte in.

Milan voelde geen duw zoals in een achtbaan. Het was meer alsof de wereld zachtjes achteruit schoof. Hij hield zijn handen losjes op de stuurhendels.

“Koers naar Bijenkorf Zeven,” zei Nola. “Reistijd: één uur en negen minuten. Wil je muziek?”

“Alleen zacht,” zei Milan. “Iets dat klinkt als een trage wandeling.”

Nola zette muziek aan: een rustig deuntje met kleine belletjes, alsof iemand een kopje roerde.

Milan keek nog één keer naar de aarde-stad, die als een blauwe lamp in de verte hing. “Tot zo,” fluisterde hij. “Ik kom weer terug.”

Hoofdstuk 2: Tussen lampjes en lege ruimte

De Zwaluw vloog langs een rij satellieten die knipperden met rode en groene lichtjes. Milan noemde ze wel eens “verkeerslichten voor sterren”. Ze hielpen schepen netjes hun plek te vinden.

“Alles stabiel,” zei Nola. “Je vliegt zoals een pijl die niet wil opscheppen.”

“Een pijl hoeft niet te praten,” zei Milan.

“Gelukkig,” zei Nola. “Anders zouden pijlen steeds zeggen: ‘Kijk mij eens snel zijn!'”

Milan grinnikte. De ruimte bleef groot en stil, maar het voelde minder leeg met een grapje erbij.

Hij keek naar het scherm met de voorraad. Hij zag de waterstand, de lucht, en het stroomgebruik. Milan had geleerd om nooit meer stroom te gebruiken dan nodig. Lampen uit in lege ruimtes, schermen op lage stand, apparaten alleen aan als het moest.

“Je bent weer aan het besparen,” zei Nola.

“Niet besparen,” zei Milan. “Bewust gebruiken.”

“Mooi woord,” zei Nola. “Bewust. Het klinkt alsof je je schoenen eerst schoonmaakt voordat je naar binnen gaat.”

“Dat is ongeveer hetzelfde,” zei Milan. “Je laat de plek netjes achter voor de volgende.”

Voor hem verscheen Bijenkorf Zeven als een klein stipje. Het groeide langzaam, zoals een tekening die dichterbij komt. Eerst zag hij alleen een ring. Toen een hele groep ringen, met een middenstuk als een kern. En daar omheen, als kleine vleugels, hingen de dokarmen.

“Wat een bouwsel,” fluisterde Milan.

“Het is een thuis,” zei Nola. “Mensen kunnen overal een thuis maken, als ze het samen doen.”

Milan knikte. Hij dacht aan de brieven in het laadruim. Kinderen die schreven over hun moestuin in een bak op het balkon. Over een hond die leerde niet aan de luchtsluis te snuffelen. Over hoe ze hun oude speelgoed ruilden in de deelwinkel, zodat het niet in een doos bleef liggen.

Dat vond Milan prachtig. Niet alles hoefde nieuw. Soms is oud juist fijn, omdat het al verhalen kent.

“Nola,” zei hij, “check de koppeling nog eens.”

“Dubbelcheck,” zei Nola meteen. “Koppeling: vergrendeling klaar. Dempers: klaar. Reserveklemmen: aanwezig. Jij bent de soort piloot die zelfs zijn boterham netjes vouwt.”

“Ik vouw geen boterham,” zei Milan.

“Dat was een beeld,” zei Nola. “Een metafoor. Ik oefen.”

“Je doet het goed,” zei Milan. “Maar geen hongerbeelden, ik heb net gegeten.”

Ze kwamen dichter bij het habitat. Milan kon nu de ramen zien: lange stroken die zacht glansden. In sommige ramen zag hij groene vlekken van tuinen. In andere zag hij warm licht, alsof iemand thee zette.

“Bijenkorf Zeven, dit is shuttle Zwaluw,” zei Milan via de radio. “Aanvraag voor aanmeren, dok drie, zoals gepland.”

Een stem antwoordde. Het was een man met een rustige toon, alsof hij altijd op sokken liep.

“Zwaluw, welkom. Dit is Dokmeester Rafi. Dok drie is vrij. We zien je op de lijn. Neem je tijd.”

“Dank je, Dokmeester,” zei Milan. “We komen rustig binnen.”

Nola projecteerde een blauwe lijn op Milans scherm. “Volg die. Niet haasten. Het habitat blijft wel hangen.”

Milan stuurde voorzichtig. Kleine correcties. Een beetje links, een beetje omhoog. De Zwaluw reageerde als een goed opgevoede hond: meteen, maar niet wild.

Toen gebeurde er iets kleins. Op het waarschuwingspaneel ging een geel lampje aan. Niet rood, niet schreeuwend, maar wel: let op.

Nola's stem werd iets serieuzer. “Milan. Eén van de buitensensoren heeft stof gezien. Waarschijnlijk een wolkje piepkleine deeltjes. Niet gevaarlijk, maar het kan tegen de ramen tikken.”

Milan keek naar buiten. Hij zag niets. Maar de ruimte zat vol met kleine dingen, als zand dat je niet ziet tot het in je oog waait.

“Wat doen we?” vroeg Milan.

“Standaardprocedure,” zei Nola. “Ramen op beschermstand. Snelheid iets lager. En… jij blijft kalm, zoals je altijd doet.”

Milan ademde rustig in. “Beschermstand aan.”

De ramen kregen een dunne laag, bijna onzichtbaar, als een extra jas. De Zwaluw vertraagde een beetje.

“Zwaluw,” klonk Dokmeester Rafi. “We zagen je melding. Goed dat je het rustig aanpakt. Het is maar een wolkje. Het drijft zo voorbij.”

“Begrepen,” zei Milan. “We nemen geen risico's, ook geen kleintjes.”

Nola fluisterde bijna: “Kleine risico's zijn net kruimels. Als je ze laat liggen, worden het er steeds meer.”

Milan glimlachte. “Goed gezegd.”

Ze zweefden verder. De gele lamp bleef even aan, en ging toen uit. Alles was weer groen.

“Zie je?” zei Nola vrolijk. “De ruimte is soms stoffig. Net als een zolder. Alleen groter.”

Milan lachte. “En zonder spinnen, graag.”

“Geen spinnen gevonden,” zei Nola. “Ik heb gezocht.”

Dok drie kwam dichtbij. De dokarm leek op een hand die klaarstond om zachtjes vast te pakken.

Milan zette zijn helm op en controleerde het sluitstuk. Klik. Dan keek hij nog eens naar zijn gordels. Hij trok eraan, gewoonte, maar ook omdat het hem geruststelde.

“Gordels nog steeds goed,” zei hij.

“Trots op je,” zei Nola. “Je vergeet nooit wat je moet onthouden.”

De Zwaluw maakte de laatste meters. Er klonk een zachte dreun, meer een kus dan een botsing.

“Koppeling bevestigd,” zei Nola. “We zitten vast. Netjes. Zuinig. En zonder gedoe.”

Milan liet zijn schouders zakken. “Dan gaan we naar binnen.”

Hoofdstuk 3: Het huis dat zoemt

De luchtsluis van Bijenkorf Zeven ging open met een zuchtje lucht, alsof het habitat ook even uitademde. Milan stapte naar binnen met de doos filterplaten onder zijn arm.

Aan de andere kant stond Dokmeester Rafi te wachten. Hij had krullend haar en een overall met veel zakken. In één zak stak een klein meetlint, in een andere zat een pen achterstevoren.

“Welkom,” zei Rafi. “Je landing was zo netjes dat ik bijna vergat te knipperen.”

“Dank je,” zei Milan. “Ik ben Milan. Dit is mijn eerste keer hier.”

“Dan krijg je de korte rondleiding,” zei Rafi. “Korte rondleidingen zijn het beste. Anders vergeet je waar je begon.”

Nola sprak via Milans helm. “Hallo, Dokmeester. Ik ben Nola. Ik kan ook korte rondleidingen geven. Ik ben namelijk een computer.”

Rafi keek even naar de helm, alsof hij Nola kon zien. “Hoi Nola. Jij klinkt beleefd. Dat is prettig.”

“Beleefd zijn kost geen stroom,” zei Nola.

Rafi lachte. “Dat ga ik onthouden.”

Ze liepen door een gang die inderdaad leek op een honingraat. Zeshoekige panelen in de wanden, zacht geel licht, en hier en daar een bordje met pijlen. Er waren geluiden, maar niet hard: voetstappen, een rollend karretje, iemand die een liedje floot.

Milan rook iets lekkers. “Bakken jullie hier brood?”

“Bijna,” zei Rafi. “We bakken ‘maanbolletjes'. Het is brood met een beetje extra lucht erin. Lichter om te vervoeren, maar nog steeds lekker. Zuinige smaak.”

“Zuinige smaak?” herhaalde Milan.

Rafi knikte. “Je gebruikt minder, maar je geniet meer. Dat is hier een soort sport.”

Ze kwamen bij een kleine ruimte met een raam naar een tuinring. Binnen groeiden plantjes in bakken. Kinderen liepen er rond met gieterflesjes.

Een meisje met twee staartjes keek op. “Bent u de piloot?”

Milan hurkte zodat hij niet te groot leek. “Ja. Ik heb brieven bij me, en onderdelen.”

Een jongen met sproeten kwam dichterbij. “Is het waar dat je in de ruimte soms je sokken kwijt raakt?”

Milan keek serieus. “Dat is waar. Maar alleen als je ze niet in een netje doet.”

De kinderen giechelden.

Rafi wees naar een bord bij de tuin: “Neem wat je nodig hebt, laat iets moois achter.” Er hing een rij kaartjes met tekeningen. Een raket, een bloem, een kat met een helm.

“Hier delen we veel,” zei Rafi. “Niet omdat we arm zijn, maar omdat we slim willen zijn. Minder spullen, meer ruimte. En meer tijd om samen dingen te doen.”

Milan voelde zich warm vanbinnen. “Dat klinkt als thuis.”

Ze gingen verder naar de technische hoek. Daar stonden kasten met gereedschap, allemaal netjes opgehangen. Er was zelfs een plek voor kapotte dingen, met een bord: “Nog niet weg. Eerst proberen.”

Milan zette zijn doos neer. “Filterplaten. En tape. Herbruikbaar.”

Rafi klapte in zijn handen. “Perfect. We hadden net een filter dat zei: ‘ik ben moe'. Nou, dat zei hij niet echt, maar hij blies wel raar.”

Nola fluisterde: “Filters zijn ook maar harde werkers.”

Milan pakte een kleine scanner uit zijn tas en hielp Rafi bij het vervangen van de platen. Het was simpel werk, maar precies. Eerst de stroom laag. Dan het luik openen. Dan de oude plaat eruit. Hij voelde licht stoffig aan, alsof hij een lange wandeling door een zandpad had gemaakt.

“Moet die weg?” vroeg Milan.

“Niet meteen,” zei Rafi. “We spoelen hem en gebruiken hem nog voor de oefenruimte. Daar hoeft de lucht niet zo perfect te zijn. We gooien weinig weg.”

Milan knikte tevreden. “Goed plan.”

Toen het luik weer dicht zat, zei Rafi: “Zeg, wil je iets bijzonders zien? Iets waar we trots op zijn?”

Milan keek naar de tijd. Hij had nog genoeg. “Ja.”

Ze liepen naar een grote zaal. In het midden stond iets dat leek op een enorme bloem van metaal en glas. Er liepen dunne buisjes naartoe, en er hingen lampjes die zacht pulsten.

“Dit is onze lichtvanger,” zei Rafi.

“Wat doet hij?” vroeg Milan.

Rafi tikte op een paneel. Op een scherm verschenen kleine streepjes en rondjes die langzaam bewogen. “Hij vangt zonlicht en slaat het op. Niet in één grote batterij, maar in veel kleine. Dan kan er nooit één ding alles kwijt raken.”

Nola zei: “Slim. Als je een koek deelt in stukjes, kun je hem ook beter bewaren.”

“Precies,” zei Rafi. “En het mooiste: 's avonds geven we licht terug op de plekken waar mensen samenkomen. Niet te fel. Net genoeg. Zodat je de sterren nog kunt zien.”

Milan keek door een raam hoog in de zaal. In de verte zag hij de maan en daarachter het zwarte veld met sterren. Hij voelde een rustige spanning, alsof hij op het punt stond een nieuw vriend te ontmoeten.

“Bij ons,” zei Rafi, “zeggen we: groot denken, klein gebruiken. Je kunt dromen van ver, maar je handen blijven netjes.”

Milan dacht aan zijn gordels, aan zijn checklists, aan het zachte aanmeren. Het klopte allemaal.

“Dank je,” zei hij. “Ik leer hier graag.”

Rafi knikte. “Dan heb ik nog een verzoek. Wil je vanavond bij de kinderen iets vertellen over vliegen? Maar dan ook over waarom je zuinig doet?”

Milan glimlachte. “Graag. Als zij mij ook leren hoe je maanbolletjes bakt.”

“Deal,” zei Rafi.

Hoofdstuk 4: Terug met een zak vol verhalen

Later die dag zat Milan op een lage bank in de gemeenschappelijke zaal. De lampen waren zacht, alsof ze fluisterden. Kinderen zaten in een halve cirkel. Rafi stond achteraan met een dienblad maanbolletjes. Nola luisterde mee via Milans helm, maar Milan had haar volume laag gezet, zodat ze niet per ongeluk een grapje zou maken op het verkeerde moment.

Milan hield een klein modelletje van de Zwaluw vast. Het was gemaakt van hout, heel glad, duidelijk vaak aangeraakt.

“Als je een shuttle bestuurt,” begon Milan, “lijkt het misschien alsof je heel stoer moet zijn. Maar eigenlijk moet je vooral netjes zijn.”

Een jongen vroeg: “Netjes als je kamer opruimen?”

Milan knikte. “Ja. Maar ook netjes in je hoofd. Eerst denk je: wat ga ik doen? Dan doe je het rustig. En je gebruikt niet meer dan nodig. Want in de ruimte kun je niet even naar de winkel voor extra lucht.”

Een meisje stak haar hand op. “Is dat eng?”

Milan schudde zijn hoofd. “Niet als je goed voorbereid bent. Voorbereid zijn is als een warme jas. Dan voelt de kou minder koud.”

De kinderen knikten, alsof ze dat snapten.

Rafi gaf Milan een maanbolletje. Milan nam een hap en probeerde niet te kruimelen in zijn helm. Dat lukte bijna.

Nola fluisterde: “Bijna.”

Milan kuchte een lachje weg en ging door. “We controleren bijvoorbeeld altijd de gordels. Dat klinkt klein, hè? Maar kleine dingen houden je veilig. En als je veilig bent, kun je genieten van de sterren.”

“Doet u dat?” vroeg een kind. “Genieten?”

Milan keek naar het raam aan de zijkant van de zaal, waar de ruimte donker stond te wachten. “Ja. Ik geniet elke keer. Maar ik geniet ook van andere dingen. Van een kop warme soep. Van mensen die elkaar helpen. Van een kapot speeltje dat gerepareerd wordt in plaats van weggegooid.”

Rafi knikte trots.

Na het praatje kreeg Milan een klein pakketje. De kinderen hadden het gemaakt: een stoffen zakje met daarop een geborduurde ster en een kleine bij. In het zakje zaten tekeningen en een brief voor de aarde-stad.

“Voor onderweg,” zei het meisje met de staartjes. “Dan ben je niet alleen.”

Milan slikte even, maar het voelde goed. “Dank jullie wel. Ik zal er zuinig op zijn.”

Toen was het tijd om terug te gaan. Milan liep weer door de gangen. Hij zag mensen een lamp vervangen en het oude lampje in een doos leggen met “repareren”. Hij zag iemand een jas lenen uit de deelhoek. Hij zag een kind dat een flesje vulde bij een waterpunt en daarna de kraan extra goed dichtdraaide.

“Ze leven hier echt zo,” zei Milan zacht.

“Ja,” zei Nola. “En jij ook. Alleen op wielen en met vleugels.”

Bij de shuttle stond Rafi klaar. “Alles is weer netjes gekoppeld. En je lading voor terug is klein: tekeningen, de brief, en een potje zaden.”

“Zaden?” vroeg Milan.

Rafi hield het potje omhoog. Binnenin lagen kleine donkere bolletjes. “Ruimtesla. Groeit goed in weinig water. We delen graag.”

Milan nam het potje voorzichtig aan. “Ik zal het afleveren. En ik zal vertellen hoe jullie hier leven.”

Rafi stak zijn hand uit. Milan schudde hem.

“Veilige reis,” zei Rafi.

“Dank je,” zei Milan. “Tot de volgende keer.”

Milan stapte de luchtsluis in en ging in de cockpit zitten. Hij legde het zakje met tekeningen op een veilige plek, waar het niet kon wegzweven.

“Voor vertrek,” zei hij hardop, en nu klonk het alsof hij een ritueel deed dat overal paste, op elke plek tussen sterren. “Stoel goed vast… en dan de gordels.”

Hij klikte de riemen dicht en trok eraan. Eén keer. Twee keer. Precies goed.

“Gordels gecontroleerd,” zei hij.

“Altijd,” zei Nola warm. “Ik hou van jouw altijd.”

Milan startte de Zwaluw. De koppeling liet los met een zachte tik. De shuttle gleed achteruit, weg van Bijenkorf Zeven, terug de ruimte in.

Even bleef het habitat in beeld: de ringen, de ramen, de tuinen. Het leek bijna te zoemen, alsof het echt een bijenkorf was, vol vriendelijke drukte.

Milan zette koers naar huis. Hij hield de snelheid rustig. Hij gebruikte niet meer stuwkracht dan nodig. Elke kleine besparing voelde als een beleefd knikje naar de toekomst.

Toen hij ver genoeg was, deed hij de cabineverlichting een standje lager. Zo werd het raam een donkere spiegel, en daarachter lagen de sterren helder open.

“Nola,” zei Milan zacht, “zet de muziek uit.”

“Muziek uit,” zei Nola.

Er was alleen nog het zachte gezoem van de systemen, als een rustige adem.

Milan keek lang naar buiten. De sterren stonden er stil, maar het voelde alsof ze meereisden. Hij dacht aan de kinderen, aan de zaden, aan de woorden van Rafi: groot denken, klein gebruiken.

Hij hield zijn handen even los van de stuurhendels, vertrouwend op de automatische koers. Niet omdat hij lui was, maar omdat hij wist dat alles goed stond. Controle, dan rust.

“Dank je,” fluisterde hij, zonder precies te weten tegen wie. Misschien tegen Bijenkorf Zeven. Misschien tegen de ruimte. Misschien tegen zichzelf, omdat hij netjes bleef, zelfs in het grootste donker.

En met één laatste, rustige blik naar de sterren vloog Milan verder, als een kleine zuinige ster op weg naar huis.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Hangar
Grote ruimte waar voertuigen of vliegtuigen binnen staan en worden bewaard.
Shuttle
Klein ruimteschip dat mensen of spullen naar andere plekken brengt.
Romp
Het hoofddeel van een voertuig of schip, zonder vleugels of deuren.
Boordcomputer
Een slimme computer in een voertuig die helpt met besturen en meten.
Brandstofcel
Een apparaat dat energie maakt om een voertuig te laten rijden of vliegen.
Waterkringloop
Het systeem dat water zuivert en opnieuw gebruikt in een schip of huis.
Lading
De spullen of pakketten die een schip of voertuig vervoert.
Laadklep
De deur of klep waardoor je spullen in en uit een voertuig laadt.
Aanmeren
Zachtjes vastmaken van een schip of shuttle aan een station of dok.
Habitat
Een woonplek of huis waar mensen samenleven, ook in de ruimte.
Honingraat
Patroon van zeshoekige vakjes, vaak gebruikt om ruimtes te ordenen.
Deelwinkel
Een plek waar mensen spullen lenen of ruilen in plaats van kopen.
Gerecyclede
Iets gemaakt van oude materialen die weer gebruikt worden.
Cockpit
De plaats in een vliegtuig of shuttle waar de piloot zit en bestuurt.
Gordels
Riemen die je vastmaakt om veilig te blijven zitten tijdens de reis.
Luchtsluis
Een kleine kamer die de binnenlucht en buitenlucht apart houdt.
Dokarm
Een arm of apparaat dat een shuttle zacht vastpakt bij het dokken.
Koppeling
Het onderdeel waarmee twee dingen stevig aan elkaar vastzitten.
Buitensensoren
Apparaten aan de buitenkant die meten wat er omheen gebeurt.
Beschermstand
Een speciale instelling die iets beschermt tegen schade of vuil.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.