Ochtendkriebels en papieren kronen
Bo was de oudste. Bo was een konijn met zachte poten en lange, wiebelige oren. Hij hield van knutselen. Vandaag maakte hij papieren kronen. Vouw-vouw. Knip-knip. Plak-plak. Glitters: sprinkel-sprinkel!
Zijn kleine zusje Pip zat naast hem aan de tafel. Pip was dromerig. Ze keek naar de glitters alsof het vallende sterren waren. “Als ik deze kroon opzet,” fluisterde ze, “dan ben ik de Koningin van de Wolken. Dan rijd ik op een wolkenbus. Woeesh!”
Bo lachte. “De wolkenbus stopt vast bij oma,” zei hij. “We gaan daar straks heen met de echte bus. En kijk, ik maak nog een kroon. Een wortelkroon!” Hij knipte een oranje wortel van papier. Knip! “De grootste is voor… hm…” Hij hield hem boven zijn eigen hoofd. “Voor de Koning van het Vouwen.”
Pip rekte haar oren, die zacht tegen haar wangen vielen. “Mag ik die? Alsjeblieft? Ik ben vandaag heel koninklijk,” zuchtte ze. “Ik kan heel mooi zwaaien. Zie je?” Ze zwaaide langzaam, net een vlaggetje. Flap, flap.
Bo wiebelde met zijn snorharen. Hij was trots op de kronen. Trots voelde groot in zijn borst. “Ik heb ‘m gemaakt,” zei hij. “En… ik ben de oudste.” Hij zette de wortelkroon op. Plop.
Pip trok een klein fronsje. “Maar ik ben dromerig vandaag,” piepte ze. “Dromerig is ook werk.” Ze schoof de glimmerkroon naar zich toe. “Dan neem ik deze. Of… we ruilen elke minuut?”
Bo snoof. O o, hij voelde een klein mopperbubbeltje in zijn buik. Hij kende dat. “Wacht,” zei hij, zoals mama hem had geleerd. “Ik adem even in.” Hij haalde diep adem. In… uit… pffff. De mopperbubbel werd kleiner. “We nemen alle kronen mee,” besloot hij. “Bij de bushalte doen we… steen-papier-schaar!”
Pip klapte in haar pootjes. “Ja! Steen-papier-schaar is eerlijk. En spannend.” Ze draaide een rondje. Zwier! “Ik kies wolk,” grapte ze.
“Er is geen wolk,” zei Bo, en hij giechelde. “Alleen steen, papier, schaar.”
“Dan kies ik een heel dromerige schaar,” antwoordde Pip plechtig.
Ze deden hun jassen aan. Rits-rits. Bo stopte de kronen in een tas. De tas ritselde als een bosje papier. Ze hupsten naar buiten. Hop, hop. Hun moeder riep: “Veel plezier, jullie twee! Rustig wachten bij de bushalte, hè?”
“Ja, mam!” riepen ze. Hun stemmen rolden over het pad. Hun oren wipten in de zon.
De stille bushalte en een kriebelwind
De bushalte was rustig. Er stond een bankje. Er was een paaltje met BUS erop. Er zong een mus. Tjilp-tjilp. Verder niets. Geen auto's. Geen mensen. Alleen de wind, die zachtjes speelde. Woeesh.
Bo en Pip klommen op het bankje. Plof. Bo zette de tas tussen hen in. “Oef,” zei hij. “Klaar voor de kronenshow?”
“Ja!” riep Pip. Ze trok de glimmerkroon uit de tas. “Oooo.” Haar ogen glinsterden mee. Ze zette de kroon op. Een beetje scheef. De glitters tikten op haar oren. Tik-tik. “Hoe zie ik eruit?” vroeg ze.
“Koninklijk scheef,” zei Bo, en hij grijnsde. Hij pakte de wortelkroon. Hij hield hem boven zijn eigen hoofd. De wind zuchtte. Woeesh. De kroon floepte uit zijn poten. Floep! De wind pakte ‘m. Woeesh!
“Achter die wortel aan!” riep Pip.
Bo sprong van het bankje. Hop! “Ik heb je, kroon!” riep hij. De kroon rolde over het stoepje. Rol-rol. Hij dook ernaar. “Ha—” Maar toen tikte de wind nog eens. Woeesh! De kroon sprong tegen het bushokje. Tonk.
Pip huppelde ernaartoe. Hop-hop. Ze stak haar pootje uit. “Kom maar, kleintje.” Ze praatte tegen de kroon alsof het een schelp was. Heel rustig. De wind ging even slapen. Bo legde de kroon op het bankje. “Dank je, Pip,” zei hij.
“Graag gedaan,” zei Pip. “Ik ben vandaag ook Redder van Rondvliegende Dingen.”
Ze gingen naast elkaar zitten. Een slak kroop voorbij. Slurp-sleurp. Pip boog zich voorover. “Kijk, hij draagt zijn huis mee,” fluisterde ze. “Misschien is hij ook op weg naar oma. Met de slakkenbus.”
Bo grijnsde. “Die bus is langzaam,” zei hij. “Brom-brom, maar dan heel zacht.” Hij maakte een piepklein bromgeluid. Brrr.
Ze haalden nog kronen uit de tas: een piepkleine voor de uilenbeerknuffel die Pip bij zich had, en een met een blauwe zigzag. Bo zette de zigzagkroon op. “Prins Bo,” zei hij met een diepe stem.
“En Koningin Pip,” zei Pip met een dromerstem. “Met wolkenjurk.” Ze spreidde haar armen. “Woeesh.”
Bo keek naar de wortelkroon. Hij wilde hem zó graag op. Hij had hem zelf gemaakt. Met superrechte punten. Maar Pip keek ook naar die kroon, met smekende ogen die knetterden als sterretjes. Er bobbelde weer iets in Bo's buik. Mopper? Jaloezie? Oei.
“Hé,” zei Bo zacht. “Zullen we nu steen-papier-schaar doen? Om de wortelkroon?”
Pip knikte. “Ja,” zei ze. “Eén potje. Beslissend.” Ze klapte in haar pootjes. Klap!
Bo slikte. Beslissend. Oei. Hij ademde. In… uit… pffff. “Goed,” zei hij. “Eerlijk is eerlijk.”
Steen-papier-schaar en een zachte zucht
Ze gingen tegenover elkaar zitten op het bankje. Hun voeten wiebelden boven de stoep. De mus keek nieuwsgierig mee. Tjilp?
Bo stak zijn poot uit. Pip ook. “Drie keer slaan,” zei Bo. “En dan kiezen.”
“Eén, twee, drie!” riepen ze samen. Klap, klap, klap!
“Steen!” riep Bo. Hij maakte een vuistje.
“Papier!” riep Pip. Ze spreidde haar poot.
Papier bedekt steen. Dat wist Bo. Zijn oren zakten een stukje. Hij voelde het mopperbubbeltje blubben. Het borrelde in zijn buik. Hij wilde roepen: “Maar ik heb ‘m gemaakt!” Hij kneep zijn pootjes samen. Au. Hij keek naar Pip. Pip glimlachte stralend, maar haar ogen vroegen iets. “Mag ik?” leken ze te zeggen. “Mag ik dit winnen, heel even?”
Bo liet zijn schouders zakken. Hij voelde zijn hart bonzen. Bonk-bonk. Hij fluisterde tegen zichzelf: “Stop. Adem.” In… uit… pffff. Hij legde zijn poot op zijn buik. Warm. “Ik ben teleurgesteld,” zei hij hardop. Zijn stem beefde een beetje. “Maar ik kan het hebben.”
Pip's glimlach werd zachter. “Ik hoor je,” zei ze. “Zal ik hem straks aan jou geven bij oma? Dan draag ik hem hier, en jij daar?” Ze kantelde haar hoofd. Haar oren maakten een boogje.
Bo keek naar de wortelkroon. Naar Pip. Naar de rustige bushalte. Naar de slak die nog steeds slurp-sleurp deed. Hij voelde hoe de mopperbubbel slonk. Kleiner, kleiner. Hij dacht aan hoe trots hij was dat hij de kroon had gemaakt. Dat gevoel bleef. Dat zat niet in de kroon, maar in hem. Hij grinnikte. “Oké,” zei hij. “Deal.”
Pip zette de wortelkroon op. Plop. Hij zakte bijna over haar ogen. Zij duwde hem omhoog. “Zo,” zei ze. “Koningin Pip van de Bushalte. Met heel veel dank aan Prins Bo.”
Bo moest lachen. “Je lijkt op een wandelende wortel,” plaagde hij zacht. Niet gemeen. Gewoon grapje. Pip deed alsof ze hapte. “Knabbel-knabbel!” Ze hapte richting Bo's oor.
“Hey!” riep Bo. “Niet aan mijn oor knabbelen!”
Ze gierden. Hihihi! Hun lach schoot omhoog, rolde omlaag, en plofte op het bankje. Plof!
Toen werd het weer stil. De zon proefde hun wangen. De wind kriebelde zacht. Woeesh. In de verte bromde iets. Brrr… brrr… boem-boem. De bus! Hij kwam langzaam aan. De mus vloog op. Fladder-fladder.
De bus stopte. De deur zuchtte open. Psssjt. De chauffeur had een snor die krulde als een vraagteken. “Zo,” zei hij, “twee koninklijke konijnen? Waarheen?”
“Naar oma,” zei Bo. “Met veel kronen.” Hij hield de tas omhoog. Papier ritselde. Rits-rits.
“En met goede manieren,” voegde Pip ernstig toe. “We delen. Soms met steen-papier-schaar.”
De chauffeur lachte. “Dat klinkt eerlijk,” zei hij. “Stap maar in.” Hij keek naar Pip's grote wortelkroon. “Mooie hoed,” grinnikte hij. “Niet opeten.”
Ze klommen in de bus. Hop. Hop. Ze gingen zitten op een stoel bij het raam. De wereld buiten schoof langzaam achteruit. Bomen, huizen, een hond die sliep. Bo tikte met zijn pootje op zijn knie. Tik-tik. Hij voelde zich licht. Er zat geen mopper meer. Alleen een warm klontje trots.
Pip leunde tegen hem aan. Haar kroon tikte tegen het raam. Tok. “Bo?” fluisterde ze. “Weet je wat ik dacht toen ik won?”
“Wat?” vroeg Bo.
“Dat jij misschien verdrietig zou zijn,” zei Pip. “En dat ik dan heel voorzichtig ga doen. Want ik wil je niet pijn doen. Niet in je buik en ook niet in je hart.”
Bo slikte. Hij voelde zijn ogen knipperen. Hij legde zijn poot om haar schouder. “Dank je,” zei hij. “Ik vond het even niet leuk. Maar ik zei het, en toen hielp het.”
Pip glimlachte. “Jij kan goed zeggen wat je voelt,” zei ze. “Dat is ook een superkracht.”
Bo zette zijn zigzagkroon recht. Hij deed alsof hij een cape droeg. “Prins Bo met de Superpraat,” annonceerde hij. “En Koningin Pip met de Dromenscharen.”
Pip giechelde. “Knip-knip,” deed ze zacht.
De bus hobbelde een drempel over. Toink. Een baby verderop kirde. Kietel-kietel. Een oude mevrouw zwaaide. Pip zwaaide terug. Haar kroon wiebelde. Wiebel-wiebel.
Bij de bushalte van oma drukte Bo op de stopknop. Ping! Ze stapten uit. Psssjt, zei de deur, en toen bromde de bus weer weg. Brrr…
Oma stond al te wachten bij het hek. “Ha, mijn koninkjes!” riep ze. “Wat prachtige kronen!”
Pip bukte diep. “Dank u,” zei ze chic. “Gemaakt door Prins Bo.”
Oma knipoogde naar Bo. “Trots?” vroeg ze.
Bo knikte. “En rustig,” zei hij. “We hebben gedeeld.”
Oma opende haar armen. “Kom binnen, dappere delers,” zei ze. “Er is worteltaart.”
“Worteltaart!” riepen Bo en Pip. Ze holden naar binnen. Hop-hop. Pip stopte even, pakte de wortelkroon af en zette hem op Bo's hoofd. “Nu jij bij oma,” fluisterde ze. “Zoals afgesproken.”
Bo voelde de kroon op zijn oren landen. Plop. Warmte liep naar zijn wangen. “Dank je,” zei hij. Ze keken elkaar aan. Ze lachten. Hihihi.
Ze aten taart. Mmm. Kruim-kruim. Pip vertelde over de slakkenbus. Oma deed alsof ze een slakkenchauffeur was. “Volgende halte: de grote blaadjes,” bromde ze langzaam. Ze deden steen-papier-schaar met servetjes en vorkjes. Ze lieten elkaar winnen. Soms. Want eerlijk is ook grapjes maken.
Toen ze terug liepen naar de deur, bleef Bo even staan. Hij keek naar Pip. Naar oma. Naar de zon die door het raam danste. Zijn buik was kalm. Hij ademde in. Hij ademde uit. En hij liet een zachte, tevreden zucht ontsnappen.