De vraag
Er is een jongetje van vier. Hij ligt in zijn bed. De kamer is zacht en warm. De maan hangt als een melkkoek aan de lucht. De gordijnen zijn licht als vleugels. Het is avond. Alles ademt rustig.
Het jongetje kijkt naar het raam. Hij denkt. Hij denkt met grote, open ogen. Hij denkt met kleine, stille handen. Wat is een ander? Wie is de buurjongen? Wie is de kat? Wie is de maan? Ieder gezicht is als een doos met een strik. De strik is mooi. Maar wat zit erin?
De Wind komt langs het raam. De Wind ruist als een sjaal. Blaadjes ritselen zacht.
"Wie ben jij?" fluistert het jongetje.
"Ik ben de Wind," zegt de Wind. "Ik ben nergens en overal."
"Hoe weet ik dat?" vraagt het jongetje.
"Voel maar," zegt de Wind.
Het jongetje steekt zijn hand uit. De lucht kietelt. De gordijnen dansen. Hij voelt iets dat je niet ziet. Hij glimlacht. Niet alles is een ding. Sommige dingen zijn een lied.
Aan de muur tikt de Klok. Tik. Tak. Tik. Tak. De Klok heeft een rond gezicht en hoge voeten. De Klok houdt van gaan. Maar het jongetje houdt van stilstaan. Stil is als melk. Stil vult de beker van de avond.
"Schiet op," zegt de Klok.
"Ik wil langzaam," zegt het jongetje.
Langzaam is goed. Langzaam is een warme trui. In langzaam zitten vragen. In langzaam kun je horen hoe stilte ademt.
De reis
Die nacht droomt het jongetje. Hij stapt in zijn droom zoals je stapt in zachte modder. Plomp. Maar zonder vies te worden. De droom is licht. De droom ruikt naar een nieuw brood.
Hij komt op een plein. Op het plein staan veel mensen. Ze lachen vriendelijk. Ze dragen nette jassen. Ze dragen dozen. Grote dozen, kleine dozen. Dozen met labels. Daar staat “lief”. Daar staat “druk”. Daar staat “stil”. Iedereen wil netjes stapelen. Alles moet een naam. Alles een hoek. Alles een slotje.
Een mevrouw geeft het jongetje een klein label. Het label zegt “nieuw”. Ze lacht. Ze bedoelt het goed. Het jongetje kijkt naar de Wind. De Wind wil niet in de dozen. De Wind wil door haren gaan en door bomen gaan.
Het jongetje pakt een doos. Hij wil de Wind vangen. Hij tilt de doos. Hij houdt de doos open. De Wind gaat even mee. Dan lacht de Wind, een zachte lach. De Wind glipt eruit. Hij kietelt neuzen. Hij kust bladeren. Hij gaat verder. De doos is leeg.
Het jongetje zet de doos neer. Hij denkt. Hij denkt heel zacht. Niet alles past in een doos. Niet elk iemand past in een woord. Een ander is soms als de Wind. Je kunt hem niet pakken. Je kunt hem wel voelen. Je kunt naast hem lopen. Je kunt met hem lachen.
Hij loopt verder. Hij ziet een Spiegel van water. De Spiegel ligt in een ronde plas. In de Spiegel woont de lucht. De jongen kijkt. Hij ziet zijn wang. Hij ziet zijn neus. Maar naast zijn gezicht drijft iets nieuws. Het is een schaduw. De schaduw beweegt mee.
“Ben jij ik?” vraagt zijn blik zonder woorden. De schaduw zwijgt. De schaduw knikt niet. De schaduw is gewoon daar. De schaduw hoort bij hem en toch niet. Dit is vreemd. Dit is mooi. Het jongetje voelt het als honing. Warm en langzaam.
Hij gaat zitten op de rand van de plas. De Stoel van de wereld is zacht gras. De wereld ademt. De wolken schuiven als witte boten. Alles zegt: kijk maar. Alles zegt: luister maar. Je hoeft niet snel te weten. Je mag langzaam begrijpen. Je mag wonderen laten staan zoals bloemen in een vaas.
Het vriendje
Achter een struik staat een ander kind. Het kind heeft een jas met sterren. Het kind kijkt terug. De ogen zijn twee bruine kastanjes. Rustig. Goed.
"Wie ben jij?" vraagt het jongetje.
"Ik ben gewoon ik," zegt het kind.
"Mogen we spelen?" vraagt het jongetje.
"Ja," zegt het kind.
Ze spelen zonder haast. Ze bouwen een weg van blaadjes. Ze maken een brug van takken. De brug is klein. De brug draagt slechts een mier. De mier is blij. Ze leggen stenen in een rij. Stenen zingen niet, maar ze liggen graag in orde. Dan halen ze één steen weg, zomaar. De rij is niet meer recht. De rij glimlacht. Niet elk ding hoeft recht. Soms is krom ook een verhaal.
Het kind geeft het jongetje een veer. Licht als adem. Het jongetje geeft een kiezel terug. Rond en koel. Cadeaus zonder prijs. Cadeaus met betekenis die je niet meet. Ze zitten naast elkaar. Schouder aan schouder. De Wind gaat tussen hen door en toch niet. Ze zijn twee. Ze zijn ook samen. Zoals twee sterren in één hemel.
De Klok in de verte tikt nog steeds. Maar hij tikt vriendelijk nu. Tik. Rustig. Tak. De mensen met dozen lopen voorbij. Ze knikken en lopen verder. Niemand vraagt om labels vandaag. Niemand zet een slotje op de lach.
Het jongetje kijkt naar het kind. Hij wil vragen. Waarom ben je stil? Wat vind je leuk? Waar ga je heen? De vragen zitten als vogels in zijn borst. Maar hij houdt de kooitjes open. De vogels mogen vliegen. De vragen mogen zingen zonder vangnet.
Hij zegt niets. Hij lacht. Het kind lacht ook. Stilte is hun taal. Stilte is een zachte deken. Stilte zegt: ik zie je. Stilte zegt: jij bent meer dan mijn woorden. Jij bent een geheim. Jij bent geen puzzel. Jij bent een tuin. Ik mag kijken. Ik mag wachten. Ik mag water geven met tijd.
De droom wordt lichter. De maan likt de rand van de wolk. De jongens hand zoekt het kussen. De brug van takken blijft in zijn hart. De veer ligt in zijn hand, en toch ook niet. Hij ademt rustig. Hij weet iets zonder te weten. Hij weet: de ander is anders. De ander is een wonder. En wonderen hoef je niet vast te zetten.
De ochtend zal komen, zacht als brood. Dan zal hij spelen met woorden en met zand. Hij zal zijn nieuwe vriend misschien weer zien. Of niet. Vriendschap is geen klok. Vriendschap is een lampje dat blijft branden, ook als je de ogen sluit.
Hij sluit de ogen. De Wind zegt slaap. De Klok zegt later. Het hart zegt dankjewel. En de wereld fluistert: goed zo, kleine wijze, goed zo.