Bezig met laden...
Avonturenverhaal 11/12 jaar Lezen 28 min.

De wereld achter de spiegel

Mara ontdekt een magische spiegel die haar naar een betoverend woud brengt, waar ze haar angsten en twijfels onder ogen moet zien om de weg naar huis te vinden. Samen met de pratende woudwachter Lumen leert ze dat echte moed en vriendschap in haarzelf verscholen liggen.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Een 12-jarig meisje, genaamd Mara, staat aan de rand van een mysterieuze en glinsterende rivier van gouden licht, haar gezicht verlicht door een mengeling van verwondering en vastberadenheid. Ze heeft lange, rommelige bruine haren, nieuwsgierige ogen en draagt een groene tuniek met bloemmotieven. Naast haar schommelt een klein wezen dat op een eekhoorn lijkt, genaamd Lumen, vrolijk op een tak, met koperen knopenogen die van intelligentie stralen. Hij heeft zachte, gestreepte vacht en zijn pluizige staart staat trots rechtop. De omgeving is een uitgestrekt en betoverend bos, waar de bomen zilveren stammen hebben en doorschijnende bladeren die als edelstenen in de zon schitteren. Luminescente bloemen dansen om hen heen en creëren een magische en feeërieke sfeer. Mara en Lumen bereiden zich voor om een lichtbrug over te steken die boven de rivier lijkt te zweven, terwijl mysterieuze stemmen om hen heen opklinken, wat een spannende en intrigerende sfeer creëert. meld een probleem met deze afbeelding

Hoofdstuk 1 – De deur die niet bestond

Mara was elf en had een glimlach alsof ze elke dag een geheim cadeautje kreeg. Ze liep zelden, ze huppelde. In haar hoofd waren duizend vragen tegelijk aan het dansen.

Die middag regende het zo hard dat de lucht leek te lekken. Mara zat op zolder, tussen dozen vol oude boeken en mottenballen. De regen tikte op het dak als vingers op een trom.

Ze opende een kist die ze nog nooit had gezien. Onder een stapel vergeelde kranten lag een spiegel. De lijst was van donker hout, met gesneden blaadjes en kronkels die leken op kleine drakenstaarten. Het glas was zo schoon dat het bijna niet te zien was.

Mara grijnsde naar haar spiegelbeeld.

“Hé jij,” fluisterde ze, “ga je mee op avontuur?”

Op dat moment gebeurde het.

Haar spiegelbeeld knipperde níet tegelijk met haar. Het glimlachte nét iets te laat, met een glinstering in de ogen die niet de hare was. De regen klonk verder weg, alsof iemand het geluid zachter draaide.

“Kom dan,” zei de andere Mara. Haar stem klonk als wind langs een open raam. “Als je durft.”

Mara voelde haar hart bonzen als een trommel in een optocht. Maar haar nieuwsgierigheid was groter dan haar angst. Altijd al geweest.

Ze raakte het koude glas aan.

Het glas was niet meer hard. Het was zacht en rimpelend, als water in een vijver. Haar vingers verdwenen erin, toen haar hand, toen haar arm. Ze hapte naar adem.

“Nou ja, vooruit dan,” mompelde ze. “Avontuur is avontuur.”

Ze zette een stap naar voren en werd naar binnen gezogen, alsof ze in een draaikolk van licht viel.

Alles werd wit.

Toen weer donker.

Toen… anders.

Hoofdstuk 2 – Het woud dat zong

Mara lag op haar rug in gras dat glansde als smaragd. De lucht was zo blauw dat het bijna pijn deed aan haar ogen. Boven haar hingen bladeren aan bomen, rond en doorschijnend als glas-in-lood. De zon scheen erdoorheen en tekende gekleurde vlekken op haar gezicht.

En toen hoorde ze het.

De bomen zongen.

Geen woorden, maar klanken. Diep en zacht, als een koor van oude stemmen dat een melodie neuriede. De wind voegde zich erbij, floot er doorheen en tilde de tonen omhoog.

Mara ging rechtop zitten.

“Wauw,” fluisterde ze. “Ik ben zó ver van zolder.”

In de verte blonk iets tussen de bomen. Een smalle, zilveren toren wees naar de lucht als een vinger die zei: hierheen. Aan de horizon danste een brede lichtband, als een regenboog zonder kleuren.

“Misschien is dat de uitgang,” mompelde Mara. Ze kneep haar handen tot vuisten. “Oké. Plan: daarheen. Hoe moeilijk kan het zijn?”

Ze stond op, klopte het gras van haar broek en stapte het zingende woud in.

Al snel merkte ze dat het bos niet alleen zong, maar ook… keek.

De bloemen draaiden hun kopjes naar haar toe als nieuwsgierige kinderen. Stenen langs het pad openden gleufjes als ogen. En de bomen bogen hun takken, alsof ze wilden zien wie dat dappere mensje was dat zomaar door hun wereld stapte.

Een dikke tak kraakte boven haar hoofd. Een roodachtig wezen met pluizige oren en een veel te grote staart bungelde ondersteboven naar beneden. Zijn ogen glommen als twee koperen knopen.

“Nou, dat is eens wat anders dan een vallend eikeltje,” zei hij. “Een wandelend mens!”

Mara sprong een stap achteruit, maar haar glimlach verscheen direct weer.

“En dat is eens wat anders dan een sprookjesfiguur in een boek,” antwoordde ze. “Wie ben jij?”

Het wezen liet zich naar beneden vallen, maakte een sierlijke draai in de lucht en landde netjes op zijn poten. Het leek op een eekhoorn, maar dan iets groter, met strepen in zijn vacht die licht gaven.

“Ik ben Lumen,” zei hij trots. “Woudwachter van het Zingende Bos, verzamelaar van vergeten liedjes en, soms, gids van verdwaalde wezens.”

“Verdwaald?” herhaalde Mara. “Ik ben helemaal niet verdwaald. Ik zoek gewoon de uitgang.”

Lumen zette zijn pootjes in zijn zij.

“Dat is precies wat verdwaalde wezens altijd zeggen.”

Mara grijnsde.

“Goed dan, een béétje verdwaald. Weet jij hoe ik uit dit… eh… spiegelwereld-ding kom?”

Lumen keek even naar de lucht, alsof daar het antwoord hing.

“Misschien,” zei hij langzaam. “Maar hier kom je niet zomaar weg. De Wereld Achter de Spiegel laat alleen diegenen gaan die weten wie ze zijn.”

Mara trok haar wenkbrauwen op.

“Ik ben Mara,” zei ze. “Elf jaar, dol op avonturen en bang voor spinnen. Dat weet ik toch al?”

“Dat is de buitenkant,” zei Lumen. “Maar deze wereld vraagt naar de binnenkant.”

Hij knipoogde.

“Kom. De Zilveren Toren ziet alles. Misschien weet hij de weg naar je uitgang.”

Mara dacht heel even na. Alleen verder gaan, of met een pratende licht-eekhoorn?

Keuze gemaakt.

“Vooruit dan, gids. Maar als je me naar een ofgeval monster leidt, bijt ik terug.”

Lumen lachte.

“Afgesproken. Geen monsters. Nou ja… niet de échte gevaarlijke, in elk geval.”

Samen liepen ze het zingende woud in, terwijl de bomen hun melodie zacht verhoogden, alsof ze een nieuw couplet begonnen.

Hoofdstuk 3 – De brug van vergeten stemmen

Het pad door het bos werd smaller en kronkeliger. Soms leek het alsof het onder hun voeten verschoof, als een slang die zich bedacht. Lumen liep zorgeloos voorop, zijn staart wiegend als een metronoom.

“Hoe ben jij hier eigenlijk terechtgekomen?” vroeg hij plots.

“Door een spiegel,” zei Mara. “Op zolder. Er was… een soort andere ik.”

Lumen knikte langzaam.

“Ah. De Spiegelpoort. Die opent zich alleen voor nieuwsgierige zielen. Of voor heel domme. Maar ik gok bij jou op het eerste.”

Mara voelde een warme gloed van trots.

“En jij? Ben jij hier altijd geweest?”

“Altijd,” zei Lumen. “Ik ben een beetje als een blad aan een boom. De boom is de wereld. Ik kan niet zomaar wegwaaien.” Hij glimlachte scheef. “Al zou ik dat soms best willen.”

Ze kwamen bij een open plek waar het bos uiteenweek als een gordijn. Voor hen gaapte een kloof, zo diep dat er geen bodem te zien was. Een koude mist steeg op, waarin flarden van stemmen dreven.

Over de kloof lag een brug van licht en schaduw, doorzichtig als spinrag. De stemmen leken uit de brug zelf te komen: gefluister, gelach, stukjes zinnen in talen die Mara niet kende.

“Wat is dit?” vroeg ze ademloos.

“De Brug van Vergeten Stemmen,” antwoordde Lumen. Zijn stem klonk plots veel serieuzer. “Iedereen die hierover gaat, hoort wat hij of zij het liefst vergeten wil. Angst, schaamte, oude fouten… De brug herinnert je eraan.”

Mara slikte.

“Klinkt… gezellig.”

“Je moet eroverheen als je naar de Zilveren Toren wilt,” zei Lumen. “Ik kan je gezelschap houden, maar de stemmen zijn van jou. Alleen jij kunt beslissen of je luistert of niet.”

Mara stapte naar de rand van de kloof. De mist was ijskoud en rook naar natte steen. Haar knie trilde een beetje.

“Als ik val?” vroeg ze.

“Dan leer je vliegen,” zei Lumen. “Of je komt hier nooit meer uit. Maar hé, dat eerste klinkt beter, toch?”

Ze lachte, al zat er een scheurtje in.

“Ga je mee?” vroeg ze.

Lumen knikte.

“Vrienden laten elkaar niet alleen over rare bruggen lopen.”

Ze zetten samen hun voeten op de brug.

Het licht onder Mara's schoenen golfde zacht, als water dat elke stap proefde. De stemmen werden luider. Eerst onduidelijk, dan scherper.

“Je bent niet dapper genoeg.”

“Je maakt alles stuk.”

“Waarom kun je niet gewoon normaal zijn?”

“Je bent te veel.”

“Je bent niet genoeg.”

Mara verstijfde. Sommige stemmen klonken bekend. Alsof haar eigen gedachten door een megafoon werden geroepen.

Ze zag beelden flitsen in de mist naast haar: de keer dat ze in de klas iets durfde te zeggen en iedereen lachte; de keer dat ze ruzie kreeg met haar beste vriendin omdat ze “altijd alles beter wist”; de avond dat ze huilend in bed lag omdat ze zich anders voelde dan iedereen.

“Lumen… ik vind dit niet leuk,” fluisterde ze. Haar stem trilde.

Lumen liep dicht naast haar en legde zijn pluizige staart kort tegen haar hand.

“Dat is precies de bedoeling van de brug,” zei hij zacht. “Maar luister eens goed. Hoor je mij dat zeggen? Hoor je je echte vrienden dat zeggen? Of zijn het alleen schaduwen in je hoofd?”

Mara kneep haar ogen dicht en liep verder. Elke stap voelde zwaarder, alsof onzichtbare handen haar terug trokken.

Toen, heel zacht, tussen de kille zinnen door, hoorde ze iets anders.

“Je bent koppig, maar ik ben trots op je.”

“Je bedenkt altijd iets nieuws.”

“Je durft wat ik niet durf.”

“Je bent mijn vriendin, wat er ook gebeurt.”

De stemmen waren zachter, maar warmer. Ze klonken als haar moeder, als haar vader, als haar beste vriendin Noor, die ze al sinds de kleuterklas kende.

In haar borst werd het lichter.

“Ik… ik bén bang,” zei Mara hardop. “Maar dat betekent niet dat ik niet dapper ben.”

De brug lichtte even op onder haar voeten, alsof hij het met haar eens was.

Ze richtte haar rug. Elke stap die volgde, werd iets gemakkelijker. De donkere stemmen werden kleiner, de warme stemmen luider.

En toen stonden ze aan de overkant.

Mara haalde diep adem. Haar wangen gloeiden, maar dit keer van trots.

“Zie je wel?” zei Lumen glimlachend. “Je bent niet gevallen.”

“Nee,” zei Mara, met een brede grijns. “Ik ben eroverheen gegáán.”

En diep vanbinnen voelde ze dat verschil.

Hoofdstuk 4 – De Zilveren Toren

Na de brug veranderde het landschap. De bomen werden lager en maakten plaats voor velden vol bloemen die licht gaven in alle kleuren. Het was alsof iemand de wereld had geschilderd met glow-in-the-dark verf.

Rechts van hen kletterde een rivier van vloeibaar goud naar beneden. Het water kabbelde zacht, maar elk druppeltje glansde alsof het een klein sterretje was.

En daar, in het midden van een open weide, stond de Zilveren Toren. Hij was hoger dan Mara zich kon voorstellen, zo slank dat hij bijna leek te wiebelen tegen de lucht. De muren spiegelden alles om zich heen: het licht, de bloemen, zelfs Mara zelf, maar dan in duizend kleine stukjes.

“Hij is… prachtig,” fluisterde ze.

“Hij is vooral nieuwsgierig,” zei Lumen. “Dus pas op wat je hem laat zien.”

Ze liepen naar de ingang: een boog van zilver licht, zonder deur. Toen Mara dichterbij kwam, tintelde haar huid.

“Alleen wie zichzelf onder ogen durft te komen, mag binnen,” klonk een diepe stem. Het geluid kwam van overal tegelijk — uit de lucht, de grond, de toren zelf.

Mara zette haar kin iets hoger.

“Ik ben al over een enge brug gelopen,” zei ze. “Denk je echt dat ik nu omdraai?”

Lumen kuchte.

“Ze heeft een punt.”

De zilveren stenen van de toren trilden even, alsof ze lachten.

“Kom dan, meisje met de spiegelogen,” zei de stem.

Binnen was het koel en stil. Er waren geen trappen, geen gangen. Alleen een grote ronde zaal met in het midden een zuil van licht die tot in de hoogte verdween.

“Ga erin staan,” fluisterde Lumen.

Mara stapte in de lichtzuil. Het was warm, niet heet, zoals de zon op een lenteochtend. Haar hoofd werd een beetje licht, alsof haar gedachten loskwamen en gingen zweven.

Om haar heen verschenen beelden, als schilderijen in de lucht.

Ze zag zichzelf als peuter, vallend en weer opstaand. Ze zag hoe ze leerde fietsen zonder zijwieltjes, met knikkende knieën en een vader die rennend achter haar aan kwam. Ze zag hoe ze op een schoolpodium stond tijdens de musical, met trillende handen, maar een vaste stem.

Ze zag ook de momenten waarop ze zich klein had gevoeld: toen ze een proefwerk verpestte, toen ze haar oma miste, toen ze dacht dat niemand haar écht begreep.

“Waarom laat je me dit allemaal zien?” vroeg ze. Haar stem galmde zacht in het licht.

De diepe stem van de toren klonk rustiger nu.

“Omdat jij denkt dat je alleen jezelf bent als je lacht,” zei hij. “Maar jij bent óók jezelf als je bang bent, twijfelt, huilt. De uitgang uit deze wereld vind je pas als je jezelf helemaal accepteert. Met alles erop en eraan.”

Mara voelde een steek van herkenning. Ze dacht aan hoe ze altijd grapjes maakte als ze eigenlijk nerveus was. Aan hoe ze liever anderen troostte dan zelf om hulp vroeg.

“Maar wat als… wat als anderen mij dan niet meer zo leuk vinden?” vroeg ze zacht.

Het licht om haar heen pulste zacht, als een hartslag.

“Echte vrienden worden niet verblind door je glimlach,” antwoordde de toren. “Ze zien ook de regendagen achter je ogen. En ze blijven.”

Ze dacht aan Noor, die naast haar was blijven zitten toen ze ziek was, zonder iets bijzonders te zeggen, alleen maar te zijn. Aan haar moeder, die haar kussen rechtlegde als ze verdrietig was, zonder rare grapjes, gewoon stil.

Mara voelde tranen prikken, maar dit keer hield ze ze niet tegen. Ze lieten brede, natte sporen achter op haar wangen. Het voelde niet zwak; het voelde als lente na een lange winter.

“Oké,” fluisterde ze. “Ik ben Mara. Dapper en bang, vrolijk en soms somber, nieuwsgierig en onzeker. En ik wil naar huis.”

Het licht werd helder, bijna witgloeiend. Lumen, die buiten de zuil stond, knipperde tegen de glans.

“Goed gezegd,” mompelde hij. “Heel goed gezegd.”

De stem van de toren klonk nu bijna warm.

“Je bent een stap dichterbij, meisje. Maar een reis als de jouwe maak je nooit alleen.”

Naast haar, in het licht, verscheen een figuur. Klein, slank, met pluizige oren en ogen als koperen knopen.

Lumen. Maar dan… anders. Groter. Rustiger. Zijn vacht straalde als een zachte gloed.

Mara keek verbaasd van de licht-Lumen naar de echte Lumen buiten de zuil.

“Wat is dit?”

“Een waarheid,” zei de toren. “Lumen is niet alleen een woudwachter. Hij is jouw gids, ja. Maar hij is ook…”

Lumen zuchtte.

“…een stukje van jou,” maakte hij zijn zin af. “Je nieuwsgierigheid. Je zin in avontuur. De stem die zegt: ‘Kom op, we doen het gewoon.'”

Mara keek hem aan.

“Dus jij bent… mijn durf?”

Lumen tikte met zijn staart tegen haar knie.

“Niet alléén dat,” zei hij. “Ik ben ook je vriend. En dat doet er misschien nog wel meer toe.”

Mara's glimlach brak door haar tranen heen.

“Dan laat ik je nooit meer los,” zei ze.

In het licht klonk een zachte lach: de lach van de toren.

Hoofdstuk 5 – De Weg van Schaduwen en Sterren

Toen Mara uit de lichtzuil stapte, bleek de zaal veranderd. Tegen de ronde muur kronkelde nu een trap, gemaakt van donker glas waarin sterren vonkten. Hij ging omhoog én omlaag, alle kanten op tegelijk, alsof hij niet kon kiezen.

“Dit is de Weg van Schaduwen en Sterren,” legde Lumen uit. “Bovenaan is de Poort. Maar de treden veranderen van plek als je twijfelt.”

“Dus… niet twijfelen,” zei Mara. “Makkelijker gezegd dan gedaan.”

Ze zette haar voet op de eerste trede. Het glas voelde verrassend stevig. Lumen sprong lenig naast haar, zijn staart als een vlag.

Bij elke stap veranderde de ruimte om hen heen. Soms leken ze tussen wolken te lopen, dan weer tussen herinneringen. Mara zag flarden van haar straat, haar school, de speelplaats waar ze tikkertje speelde. Maar overal zaten schaduwen tussen, donkere vlekken van angst.

“Wat als ik faal?” fluisterde een schaduw.

“Wat als niemand op me wacht?” siste een andere.

Mara voelde hoe een trede onder haar voet even trilde, alsof hij wilde verdwijnen.

“Hé,” zei Lumen snel. “Kijk eens naar boven.”

Mara hief haar hoofd.

Boven hen was geen plafond meer, maar een nachtelijke hemel, vol sterren. En tussen die sterren zag ze kleine beelden: Noor die naar haar zwaaide; haar moeder die een bord spaghetti op tafel zette; haar vader die een stompzinnig dansje deed in de keuken.

“Ze wachten wél op je,” zei Lumen zacht. “Vrienden, familie… Ze zijn misschien niet hier, maar ze zijn er. In jouw hemel. In jouw hoofd.”

Mara ademde diep in.

“Ik ben niet alleen,” zei ze. “Zelfs niet als ik me zo voel.”

De trede onder haar voet werd steviger. Ze stapte door, sneller nu. De trap leek mee te werken; hij boog als een lint, maar liet haar niet meer zweven.

Toch, halverwege, verscheen een andere schaduw. Groter dan de vorige, als een donkere wolk die de sterren verslond.

“Wat als je verandert?” bromde de wolk. “Wat als je terugkomt en niet meer dezelfde bent? Wat als je vrienden je niet meer herkennen?”

Mara bleef staan, haar hand krampachtig om de leuning geklemd.

“Ik ben al veranderd,” zei ze langzaam. “Maar… misschien is dat juist goed.”

Ze dacht aan de brug, aan de toren, aan Lumen. Aan hoe ze had durven zeggen dat ze bang was. Aan hoe dat haar niet zwakker had gemaakt, maar steviger.

Lumen knikte haar bemoedigend toe.

“Veranderen is groeien,” zei hij. “En echte vriendschap groeit mee.”

Mara glimlachte naar de sterrenbeelden van Noor in de hemel.

“Dan neem ik wie ik geworden ben gewoon mee,” zei ze. “En wie mij niet meer herkent, heeft de nieuwe ik nog niet ontmoet.”

De donkere wolk dunde uit, alsof iemand er een raam in opende. De sterren daarachter fonkelden feller dan tevoren.

Ze liepen verder, totdat de trap eindelijk ophield.

Boven hen zweefde een grote, ronde poort, als een ring van wit licht. In het midden ervan zag Mara vage contouren: haar zolder, de spiegel, de doos met oude boeken.

Haar hart sloeg een slag over.

“Thuis,” fluisterde ze.

Hoofdstuk 6 – De laatste keuze

Tussen Mara en de poort hing een dunne sluier, als mist die aan spinrag bleef kleven. In die mist borrelden beelden op van de wereld waar ze nu in stond: het zingende bos, de lichtgevende bloemen, de gouden rivier. En Lumen, met zijn glimmende strepen en ondeugende lach.

“Als je door de poort stapt,” zei Lumen zacht, “kun je hier misschien nooit meer terugkomen.”

Mara kneep haar lippen op elkaar.

“Maar ik hoor daar,” zei ze. “Bij Noor, bij mijn ouders, bij… huiswerk en saaie regen en spaghetti op dinsdag.”

Lumen lachte.

“Spaghetti op dinsdag klinkt eigenlijk heerlijk.”

Er viel een korte stilte.

“En jij?” vroeg Mara. “Blijf jij dan hier? Alleen?”

Lumen haalde zijn schouders op.

“Ik ben de woudwachter. En een stuk van jou, vergeet dat niet. Zolang jij nieuwsgierig blijft, ben ik nooit écht ver weg. Maar ik kan niet met je mee. Jouw wereld is van vlees en botten, de mijne van licht en liedjes.”

Mara voelde haar keel dichtknijpen.

“Dat is niet eerlijk,” zei ze schor. “We zijn net vrienden geworden.”

“Vriendschap kent geen muren,” antwoordde Lumen. “Alleen herinneringen. En keuzes.”

Hij sprong op haar schouder, zijn vacht warm tegen haar nek.

“Luister. Jij wilde een uitgang. Je hebt hem gevonden omdat je durfde te kijken naar wie je bent. Als je blijft, ren je weg voor wat je in je eigen wereld moet doen. Als je gaat, neem je mee wat je hier geleerd hebt. En dat maakt jou… hoe noem jij dat ook alweer? Epic?”

Mara lachte door haar tranen heen.

“Heel epic,” verbeterde ze.

Ze keek naar de poort. Naar de zolder in de verte. Naar de stapel boeken, haar oude leven dat tegelijk nieuw voelde.

Toen keek ze terug naar Lumen.

“Beloof je dat je hier op anderen let, zoals je op mij hebt gelet?” vroeg ze. “Andere verdwaalde kinderen, of wezens, of… wie dan ook?”

Lumen knikte ernstig.

“Ik ben een woudwachter,” zei hij. “En een vriend. Dat blijft zo.”

Mara haalde diep adem.

“Dan ga ik,” zei ze. “Maar één ding nog.”

“Ja?”

Ze sloot haar ogen en sloeg voorzichtig haar armen om hem heen. Zijn vacht prikte een beetje, alsof hij uit lichtdraad bestond.

“Dank je,” fluisterde ze. “Voor alles.”

Lumen ademde uit, een kleine, warme zucht.

“Tot ergens, Mara. In een droom, in een spiegel, in een lefmoment. We zien elkaar wel weer.”

Ze zette een stap naar voren, door de mistige sluier, naar het licht van de poort. Het voelde alsof ze door warm water liep. Beelden flitsten langs haar heen: de brug, de toren, de trap, Lumen, het zingende bos.

En toen…

… voelde ze weer het koude, harde oppervlak van glas onder haar vingers.

Hoofdstuk 7 – Terug in de spiegel

Mara opende haar ogen. Ze stond op zolder, precies voor de spiegel. De regen tikte weer op het dak. De doos met oude boeken stond braaf waar hij altijd had gestaan.

Haar hart bonsde nog steeds alsof ze net een marathon had gerend.

In de spiegel zag ze zichzelf. Nat van echte tranen, met warrig haar en rode wangen. Ze glimlachte breed.

“Hoi,” zei ze tegen haar spiegelbeeld. “Ik ben terug.”

Het spiegelbeeld glimlachte tegelijk met haar. Geen vertraging meer, geen vreemde glinstering. Gewoon zijzelf.

Ze draaide zich om en keek naar de zolder. Alles was hetzelfde. En toch was alles anders. Zij was anders.

Ze liep naar beneden. De geur van pasta kwam haar al tegemoet.

“Mara!” riep haar moeder vanuit de keuken. “Eten! Waar zat je verstopt?”

“Op zolder,” riep Mara terug. Ze rende de laatste treden af, haar voeten licht als veren. “In een… heel spannend boek.”

In de keuken zat haar vader aan tafel, zijn bril half op zijn neus.

“Je ziet eruit alsof je zelf in dat boek hebt meegespeeld,” grapte hij.

Mara dacht aan de brug van Vergeten Stemmen, aan de trap vol twijfels, aan Lumen die zei dat ze epic was.

“Misschien wel,” zei ze. Ze schonk zichzelf water in en ging zitten. “Mama, papa… Mag ik jullie straks iets raars vertellen? Over spiegels en een pratende eekhoorn-dinges en… mezelf?”

Haar moeder keek haar nieuwsgierig aan.

“Dat klinkt als een lang verhaal,” zei ze. “Maar ik heb tijd.”

Mara voelde een warme golf door zich heen gaan.

“Ik ook,” zei ze.

Later die avond, toen ze in bed lag, staarde ze naar het plafond. De kamer leek kleiner dan de Wereld Achter de Spiegel, maar op een goede manier. Veiliger.

Ze pakte haar notitieboekje van het nachtkastje en begon te schrijven:

“Dingen die ik heb geleerd in de Wereld Achter de Spiegel:

1. Dapper zijn betekent niet dat je niet bang bent, maar dat je het toch doet.

2. Stemmen in je hoofd hebben soms ongelijk.

3. Echte vrienden blijven, ook als je verandert.

4. Mijn nieuwsgierigheid is geen probleem, het is mijn superkracht.

5. Er zit een beetje Lumen in mij. Altijd.”

Ze sloot het boekje en legde het naast zich. Even later viel ze in slaap, met een glimlach op haar gezicht.

En ergens, heel ver weg, in een woud dat zong, zat een kleine woudwachter in een boom. Hij keek naar een zilveren toren in de verte en glimlachte.

“Tot snel, dappere Mara,” fluisterde hij tegen de sterren. “Hou die bruggen maar in beweging.”

Mara draaide zich in haar slaap op haar zij. Een pluisje stof zweefde langs het raam, ving een streep maanlicht en fonkelde heel even als een koperen knoop.

In haar droom liep ze niet weg van haar angst, maar er dwars doorheen, een glimlach op haar gezicht en vrienden in haar hart.

En toen ze de volgende ochtend wakker werd, voelde ze het duidelijk.

Ze was nog steeds Mara.

Maar een Mara die wist dat ze de uitgang van een onbekende wereld had gevonden — diep binnenin zichzelf.

En dat was een reden om heel, héél erg trots te zijn.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Glinstering
Een kleine, heldere schittering of glans, meestal van licht.
Vergeilde
Een staat van iets dat oud is en daardoor verkleurd of vervaagd is.
Woudwachter
Iemand die de zorg heeft over een bos of natuurgebied, vaak met een speciale verbinding met de natuur.
Deken
Een zachte, meestal warme stof die je gebruikt om jezelf in te wikkelen of warm te houden.
Zuil
Een rechtopstaande structuur, vaak van steen of een andere stevige materie, die ondersteuning biedt.
Schaduwen
De donkere vormen die ontstaan wanneer iets licht blokkeert, vaak gebruikt om angst of onzekerheid te beschrijven.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Te lezen daarna in Avontuurlijke sprookjesverhalen voor 11/12 jaar

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.