Bezig met laden...
fantastische mythe 11/12 jaar Lezen 26 min.

De vervloekte braise en de bron van Laima

In het dorpje Lindeval ontdekt mandenmaakster Marė een vervloekte braamstruik met een hongerige vonk, en ze gaat op reis naar de Heilige Bron van Laima om het vuur te doven en haar dorp te redden. Onderweg ontmoet ze bijzondere wezens die haar leren dat openheid en begrip de sleutel zijn om de vloek te overwinnen.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Marė, een jonge vrouw met kastanjebruin haar en nieuwsgierige ogen, staat bij een heldere lichtbron met een zachte vastberadenheid op haar gezicht. Ze draagt een eenvoudige linnen jurk en houdt een klein metalen doosje open in haar handen. Naast haar zit Laima, een vrouw met een wijze uitstraling en donker haar dat glinstert als een sterrennacht, bij de bron en houdt lichtgevende draden tussen haar vingers. De bron is omgeven door stenen met oude patronen en het water is zo helder dat het de sterrenhemel weerkaatst. De scène speelt zich af in een open plek die baadt in zacht licht, waar de omringende bomen stil lijken toe te kijken. Marė staat op het punt een gloeiend kooltje in het water te laten vallen, een moment van kalmte en magie dat in de lucht hangt. meld een probleem met deze afbeelding

Hoofdstuk 1 — De braamstruik aan het veen

In het dorpje Lindeval, waar de daken laag waren en de lucht altijd een beetje naar hars rook, woonde Marė. Ze was geen krijger en geen priesteres. Ze weefde manden van wilgentenen, repareerde netten voor vissers en kende de namen van alle vogels die langs het veen trokken.

Op een avond, toen de zon als een koperen munt in het moeras zakte, merkte Marė iets vreemds op. Tussen de berken stond een braamstruik te gloeien. Niet alsof er een fakkel in hing—nee, alsof de struik zelf een adem van vuur had. Een enkel kooltje, klein als een knoop, brandde in het hart van het doornige groen.

Marė hurkte, trok haar mouw over haar hand en probeerde het kooltje weg te tikken. Meteen knetterde het, niet hard, maar… boos. De doorns leken zich iets verder uit te strekken, alsof ze wilden zeggen: blijf af.

Achter haar klonk een kuchje dat eerder op een krakende deur leek.

Oma Aldona stond daar, de oudste van het dorp, met een staf van esdoorn en een blik die dwars door mensen heen kon kijken. “Je hebt het gevonden,” zei ze.

“Het is maar een braamstruik,” zei Marė, al voelde ze zelf dat dat niet waar was.

Oma Aldona knikte langzaam. “Een braamstruik kan een poort zijn. Een veen kan een mond zijn. En een vonk… een vonk kan een vloek dragen.”

Marė keek weer naar het kooltje. Het was zo klein. Toch werd haar keel droog, alsof ze rook inademde. “Wat voor vloek?”

“De Vervloekte Braise,” fluisterde Oma Aldona, alsof de avond mee luisterde. “Lang geleden stal iemand vuur uit de heilige haard van Gabija, de hoedster van het huisvuur. Dat vuur hoort warm te zijn, niet hongerig. Maar dit kooltje is hongerig. Het zoekt brandstof in harten, in woorden, in ruzies. Het groeit van boosheid.”

Marė dacht aan de laatste dagen: buren die snauwden om niets, kinderen die elkaar duwden alsof ze vergeten waren hoe je sorry zegt. “Dus daarom voelt het dorp zo… scherp?”

“Daarom,” zei Oma Aldona. “En het zal erger worden. Tot het veen zelf vlam vat. Tot de lucht zuur wordt. Tot niemand elkaar nog aankijkt.”

Marė slikte. “En wat moeten we dan doen?”

Oma Aldona leunde op haar staf. “Het kooltje moet gedoofd worden. Niet met water—water maakt het sissend slim. Niet met zand—zand verstikt het even, maar voedt de wrok eronder. Het moet gedoofd worden met iets dat de vloek niet begrijpt: openheid. Luisteren. Een ander verhaal toelaten.”

Marė kneep haar handen om haar mand, alsof die haar kon beschermen. “Ik ben maar Marė. Ik maak manden.”

“Juist,” zei Oma Aldona. “Je bent bescheiden genoeg om ruimte te maken. En dapper genoeg om te gaan. Dat zijn zeldzame gaven.”

In de struik gloorde de braise, alsof hij lachte zonder geluid.

“Waarheen?” vroeg Marė.

Oma Aldona wees naar het noorden, waar het bos donkerder werd en de sterren dichter bij de aarde leken. “Naar de Heilige Bron van Laima, waar de draden van lot en keuzes elkaar raken. Daar kun je leren hoe je een vuur tot rust brengt. Neem niets mee dat je niet kunt dragen. En neem vooral je nieuwsgierigheid mee.”

Marė keek naar het veen, naar de mist die als wol over het water kroop. Ze voelde angst, maar ook iets anders: een kleine, eigen vonk van vastberadenheid.

“Goed,” zei ze. “Ik ga.”

Hoofdstuk 2 — De stem van de rivier

De volgende ochtend stapte Marė het pad op dat langs de rivier liep. De rivier heette Nemunė in het dorp, maar iedereen wist dat rivieren meerdere namen hebben—voor vissers, voor reizigers, voor goden.

Marė droeg een eenvoudige tas met brood, gedroogde bessen en een klein mes. En in een metalen doosje, zorgvuldig gewikkeld in doek, lag het kooltje. Oma Aldona had het niet aangeraakt, maar met een spreuk van oude woorden in het doosje laten vallen. Marė had het ingepakt alsof het een bij was die elk moment kon steken.

De wind was koel. De bomen bogen en fluisterden. Soms klonk het alsof iemand haar naam zei, maar als ze zich omdraaide, was het alleen een merel die opsprong.

Na een uur lopen merkte ze dat de rivier niet alleen stroomde—ze praatte. Niet met zinnen, niet zoals mensen, maar met ritme, met plonsen, met glinsteren. Toch hoorde Marė er iets in, alsof de rivier haar stemming spiegelde.

“Je bent niet blij,” mompelde Marė.

De rivier maakte een scherpe bocht, en het water klotste tegen stenen alsof het mopperde.

“Ja,” zei Marė tegen zichzelf, “ik ben ook niet blij.”

Even later zag ze een meisje op een rots zitten. Het meisje droeg een mantel van vogelveren, grijs en wit, en had ogen die zo helder waren dat ze bijna onbeleefd leken.

“Je praat tegen water,” zei het meisje.

Marė schrok. “Jij… jij praat tegen mij.”

“Dat is makkelijker,” zei het meisje, en ze glimlachte kort. “Ik ben Eglė.”

Marė knikte voorzichtig. “Ik ben Marė. Ik ben op weg naar de Heilige Bron van Laima.”

Eglė liet haar voeten in het water bungelen. “Dan heb je iets zwaars bij je. Niet in je tas. Hier.” Ze tikte met een vinger tegen haar eigen borst.

Marė wilde zeggen dat het wel meeviel, maar op dat moment voelde ze het kooltje in het doosje, alsof het warm door de doek heen ademde. En ze voelde haar eigen zorgen: wat als ze faalt, wat als ze de vloek meeneemt in plaats van wegneemt?

“Ik moet een braise doven, zei Marė.

Eglė floot zacht. “Een vervloekte? Dat is geen kampvuur dat je met een emmer water uitlacht.”

“Wat doe jij hier?” vroeg Marė, blij dat ze iets anders kon vragen.

“Luisteren,” zei Eglė. “De rivier vertelt geheimen. Niet voor mij alleen—voor iedereen die echt stil kan zijn. Maar mensen zijn vaak luid van binnen.”

Marė dacht aan het dorp, aan stemmen die harder waren geworden. “Daarom is het kooltje zo gevaarlijk,” zei ze. “Het maakt alles luid.”

Eglė sprong van de rots, landde soepel op het pad en liep een stukje met haar mee. “Laat me je een raadsel geven,” zei ze. “Wat dooft vuur zonder het te breken?”

Marė fronste. “Water?”

Eglė schudde haar hoofd. “Dat breekt het in stoom en sissen.”

“Zand?”

“Dat drukt het plat, maar dan gaat het dromen.”

Marė zuchtte. “Ik weet het niet.”

Eglė keek naar de rivier. “Een verhaal. Een verhaal dat het vuur niet kent. Iets nieuws. Iets dat ruimte maakt.”

Marė voelde haar wangen warm worden. “Maar ik ben geen verhalenverteller.

“Je bent een mandenmaker,” zei Eglė. “Je vlecht losse takken tot iets dat houdt. Dat ís een verhaal, maar dan met je handen.”

Marė kon daar niet direct tegenin gaan. Het klonk… waar.

Eglė bleef staan bij een splitsing. “Ik ga niet verder. Mijn plek is hier. Maar ik geef je dit.” Ze haalde een kleine schelp uit haar mantel, glanzend als nat zilver. “Hou hem bij je. Als je echt vastzit, luister. Niet naar de schelp—naar wat je niet durft te horen.”

Marė nam de schelp aan. Hij voelde koel, alsof hij de rivier in zich droeg. “Dank je.”

Eglė knikte. “En Marė? Als je een monster ontmoet, vraag eerst waarom het huilt. Monsters zijn vaak gewoon verkeerd begrepen.”

Marė moest lachen, ondanks alles. “Dat is een rare tip.”

“Rare tips redden soms levens,” zei Eglė, en ze liep terug naar haar rots.

Marė ging verder, met de rivier aan haar zijde en een schelp in haar zak. Boven haar zweefden wolken als grote, langzaam denkende dieren.

Hoofdstuk 3 — Het bos van ijzer en mos

Het pad werd smaller. De bomen stonden dichter op elkaar, alsof ze een geheim wilden beschermen. Hier rook het naar nat mos en oude schors. De stilte was dik, maar niet leeg. Het bos zat vol aandacht.

Na een tijdje zag Marė roestige spijkers in boomstammen. Oude hoefijzers hingen aan takken. Een kapotte ketting lag half in de grond, overgroeid met groen.

“Dit is het bos van ijzer,” fluisterde Marė. Ze had erover gehoord: een plek waar mensen ooit hun zorgen aan bomen hingen, in de hoop dat het bos ze zou dragen.

Toen ze langs een eik liep, kraakte het hout. Niet door wind. Door een stem.

“Wie draagt vuur in een doosje?”

Marė verstijfde. Voor haar, tussen twee stammen, stond iets dat op een man leek en op een wolf tegelijk. Zijn schouders waren breed, zijn ogen amberkleurig, en om zijn nek hing een krans van varens. Zijn handen eindigden in vingers met nagels als obsidiaan.

“Ik… ik heet Marė,” zei ze. Ze probeerde haar stem rustig te houden. “Ik draag een vervloekte braise. Ik moet hem doven.”

Het wezen snuffelde aan de lucht. “Vuur met honger. Ik ruik het.” Hij stapte dichterbij. De moslaag onder zijn voeten leek niet te breken; hij bewoog alsof het bos hem kende.

Marė dacht aan Eglės tip. Vraag eerst waarom het huilt. Dus zei ze, voordat haar moed op was: “Waarom sta jij hier? Waarom klink je alsof je… boos bent?”

Het wezen knipperde traag. “Omdat iedereen mij een beest noemt. Omdat iedereen ijzer aan bomen hangt om mij weg te jagen. Omdat ze vergeten dat ik ooit een wachter was.”

“Een wachter van wat?” vroeg Marė.

“Van grenzen,” zei hij. “Tussen wat mens is en wat wilder is. Tussen wat gezegd wordt en wat verzwegen wordt.” Zijn stem werd zachter. “Ik ben Geležinis Vilkas, de IJzeren Wolf. Ik bewaak dat niemand met een gesloten hart naar de bron gaat.”

Marė voelde het kooltje warm worden, alsof het de woorden “gesloten hart” niet leuk vond.

“Ik wil niet gesloten zijn,” zei Marė. “Maar ik ben wel bang.”

De IJzeren Wolf liet zijn kop een beetje zakken. “Bang zijn is niet dicht. Bang zijn is een deur op een kier.” Hij liep om haar heen, langzaam, als een windvlaag met poten. “Waarom wil je de braise doven?”

“Omdat mijn dorp anders… uit elkaar valt,” zei Marė. Ze dacht aan buren die elkaar niet meer groetten. “En omdat vuur bedoeld is om te verwarmen, niet om te bijten.”

De wolf knikte. “Goede reden. Maar je draagt de vloek nu bij je. De braise zal je proberen te leren dat je beter bent dan anderen. Dat jij gelijk hebt. Dat jij alleen kunt.”

Marė slikte. Ze herkende het gevoel al een beetje: een trotse gedachte die als een stekel opkwam. Ik zal het wel oplossen. Zij snappen het toch niet.

“Wat moet ik doen?” vroeg ze.

De wolf wees met een klauw naar een boom vol hoefijzers. “Haal één stuk ijzer weg en geef het terug aan de aarde. Laat zien dat je niet gelooft dat alles wat anders is, gevaarlijk is.”

Marė liep naar de boom. Een oud hoefijzer hing vast met touw. Het was zwaar en koud. Ze maakte het los; het touw knapte bijna, zo oud was het. Ze hield het hoefijzer even vast. Het voelde alsof het vol zat met angst van lang geleden.

Ze knielde en groef een kuiltje. “Ik begrijp waarom mensen dit deden,” zei ze zacht. “Ze wilden zich veilig voelen.” Ze legde het hoefijzer in de aarde. “Maar jij bent niet mijn vijand.”

De grond sloot zich eromheen. Een worm kronkelde weg, beledigd dat zijn gang was opengegaan.

De IJzeren Wolf ademde uit, en zijn adem rook naar regen op steen. “Je hebt gekozen voor begrip. Dat is de sleutel.” Hij stapte opzij en tussen de bomen verscheen een smal pad dat Marė eerder niet had gezien. Het glansde licht, alsof het met maanstof was bestrooid.

“Ga,” zei hij. “En als de braise je iets influistert, vraag dan: is dit een muur of een brug?”

Marė knikte. “Dank je… wachter.”

De IJzeren Wolf glimlachte. Het was een vreemde glimlach, met te veel tanden, maar er zat geen dreiging in. “En Marė? Vergeet niet te lachen. Vloeken haten lachen. Lachen maakt gaten in hun ernst.”

Marė grinnikte, half zenuwachtig. “Dat ga ik proberen.”

Ze volgde het nieuwe pad. Achter haar klonk nog één zin, zacht als een blad dat valt: “Openheid is geen zwakte. Het is een keuze.”

Hoofdstuk 4 — De bron van Laima

Het pad leidde naar een open plek waar het licht anders viel, alsof de zon hier langzamer ademhaalde. In het midden lag een bron, helder en rond als een oog. Rondom stonden stenen met tekens die leken op geweven lijnen.

Marė stapte dichterbij. Het water was zo doorzichtig dat ze de muntjes van licht op de bodem kon tellen. En toch zag ze, in de spiegeling, niet alleen haar gezicht—maar ook flarden van andere gezichten. Lachende vreemden. Boze bekenden. Zichzelf, ouder, met rimpels rond haar ogen.

“Welkom,” zei een stem.

Aan de rand van de bron zat een vrouw in een mantel van linnen en sterrenstof. Haar haar was donker, maar het glansde alsof er een nacht in woonde. In haar handen hield ze draden—niet van wol, maar van iets wat op licht leek.

“Laima,” fluisterde Marė. Ze wist de naam uit liedjes: de weefster van lot, de zachte rechter, de vrouw die niet beveelt maar uitnodigt.

Laima knikte. “Je brengt een braise die niet wil doven.”

Marė haalde het metalen doosje tevoorschijn. Zelfs dicht voelde het warm, ongeduldig. “Ik weet niet hoe ik dit moet doen.”

Laima tikte met een vinger tegen het wateroppervlak. Rimpels trokken uit als kringen van een gedachte. “Vertel me eerst: wie heb je onderweg ontmoet?”

Marė vertelde over Eglė bij de rivier en de IJzeren Wolf in het bos. Terwijl ze sprak, merkte ze dat het kooltje in het doosje rustiger werd, alsof het even moest luisteren.

“Goed,” zei Laima. “Je hebt niet alleen gelopen. Zelfs als je voeten alleen waren, waren je woorden dat niet.”

Marė keek naar de bron. “Maar hoe doof ik het? Oma Aldona zei: met openheid. Maar dat klinkt zo… groot. Zo vaag.”

Laima glimlachte. “Openheid is niet één groot ding. Het is duizend kleine keuzes.” Ze wees naar de stenen met tekens. “Zie je die lijnen? Dat zijn verhalen. Oude, nieuwe, door elkaar. De braise voedt zich met één verhaal: ‘ik tegen jij.' Jij gaat hem een ander verhaal geven: ‘wij naast elkaar.'”

Marė voelde de schelp in haar zak en haalde hem eruit. “Eglė gaf me dit.”

Laima nam de schelp niet aan, maar keek ernaar alsof ze hem al kende. “Een schelp bewaart de zee in een klein oor. Luister.”

Marė hield de schelp tegen haar oor. Eerst hoorde ze alleen haar eigen bloed, een zachte trom. Toen kwam er een andere klank bij: de rivier, ja, maar ook stemmen. Geen duidelijke woorden—meer gevoelens. Een kind dat bang was om uitgelachen te worden. Een jongen die stoer deed omdat hij zich klein voelde. Een buurvrouw die boos was omdat niemand haar ooit vroeg hoe het met haar ging.

Marė liet de schelp zakken. Haar ogen prikten. “Iedereen draagt iets.”

“Precies,” zei Laima. “En de braise wil dat je dat vergeet. Hij wil dat je denkt: zij zijn lastig. Zij zijn dom. Zij verdienen het.”

Marė keek naar het doosje. “En wat dan?”

Laima strekte haar hand uit. “Open het. Niet boven het water. Boven je eigen hand. Durf het te voelen. Maar luister naar mij: je dooft hem niet door hem te haten. Je dooft hem door hem te begrijpen en te begrenzen.

Marė's hart bonsde. Toch opende ze het doosje. Binnenin lag het kooltje, klein en fel, alsof het een stukje zon was dat zich vergist had en nu kwaad was.

De hitte prikte, maar verbrandde niet meteen. Het voelde als een onaardige vraag: Ben jij wel goed genoeg? Ben jij beter dan de rest?

Marė kneep haar kaken op elkaar. “Ik ben niet beter,” fluisterde ze. “Ik ben ook maar iemand.”

Het kooltje flakkerde, alsof het protesteerde.

Laima zei: “Spreek drie waarheden. Niet over vuur. Over mensen.”

Marė slikte. Ze dacht aan het dorp, aan de ruwe stemmen. “Eerste waarheid: niemand heeft maar één kant.” Ze zag in haar hoofd de boze buurman die ook altijd appels uitdeelde.

Het kooltje werd iets donkerder.

“Tweede waarheid,” ging ze verder, “vreemden zijn geen gaten in de wereld. Ze zijn nieuwe draden.” Ze dacht aan Eglė, vreemd maar behulpzaam.

Het kooltje knetterde zacht, alsof het iets verloor.

“Derde waarheid,” zei Marė, en haar stem werd steviger, “ik kan luisteren, ook als ik het niet meteen begrijp.”

Daarop voelde ze iets onverwachts: het kooltje werd lichter, niet feller, maar… minder zwaar. Alsof de vloek, die erin woonde, geen grip meer had.

Laima knikte. “Nu. Leg het in de bron. En kijk niet weg.”

Marė liep naar het water. Ze hield haar hand boven de bron. Het kooltje pulseerde, als een hart dat niet wil stoppen. Toen liet ze het vallen.

Het raakte het water zonder gesis. Zonder stoom. Alleen een kleine kring van licht ging over het oppervlak, en het kooltje zonk langzaam, als een ster die eindelijk rust vond.

Marė wachtte op een explosie, een vloek, een donderklap.

Maar er kwam stilte. Een zachte stilte, zoals na een goed gesprek.

Laima sloot haar draden in haar handen. “Het is gedoofd,” zei ze. “Niet vernietigd—vuur verdwijnt nooit echt. Maar de vloek is eruit geweven.”

Marė ademde uit, zo diep dat haar schouders zakten. “En nu?”

Laima keek haar aan, vriendelijk en streng tegelijk. “Nu ga je terug. Want een missie eindigt niet bij een bron. Hij eindigt in de manier waarop je leeft. Als je dorp weer scherp wordt, herinner je dan: muren zijn makkelijk. Bruggen kosten oefening.”

Marė knikte. “Ik zal proberen bruggen te vlechten.”

Laima glimlachte, en het licht op de open plek leek warmer. “Dat is alles wat ik vraag.”

Hoofdstuk 5 — Terugkeer met zachte ogen

De terugweg voelde korter, al waren de bomen nog steeds hoog en de paden nog steeds kronkelig. Misschien omdat Marė niet meer alleen met angst liep, maar met een soort rustige aandacht.

Bij de rivier zat Eglė weer op haar rots. Marė zwaaide.

Eglė kneep haar ogen samen. “Je ruikt anders,” riep ze. “Minder… rook.”

“Het is gelukt,” riep Marė terug.

Eglė sprong op en liep een stukje mee. “En? Was het een groot, dramatisch moment? Met bliksem en vuurballen? Ik hoop het wel, anders is het echt een saaie legende.”

Marė lachte. “Geen bliksem. Alleen water dat licht werd. En ik moest… waarheden zeggen.”

Eglė trok een gezicht. “Waarheden. Bah. Die zijn soms erger dan bliksem.”

“Dat klopt,” zei Marė. “Maar ze helpen.”

Eglė keek naar haar schelp. “Hou je hem?”

Marė knikte en stopte hem terug in haar zak. “Ja. Hij herinnert me eraan dat iedereen een eigen storm heeft.”

Eglė grijnsde. “Kijk jou eens wijs zijn. Pas op, straks gaan mensen je om advies vragen. Dat is gevaarlijk.”

“Dan zeg ik dat ik manden maak,” zei Marė. “En dat advies ook gevlochten moet worden.”

Eglė schoot in de lach, een heldere lach die zelfs de rivier leek op te tillen. “Ga. En vergeet niet: als iemand ‘jij tegen mij' roept, zeg dan ‘kom naast me staan.'”

Verderop, in het bos van ijzer en mos, verscheen de IJzeren Wolf even tussen de stammen. Hij zei niets. Hij knikte alleen, langzaam. Alsof hij een deur opende en weer sloot.

Toen Marė eindelijk de eerste daken van Lindeval zag, merkte ze meteen verschil. De lucht voelde minder strak. De wind klonk niet meer als gekibbel.

Bij de waterput stond buurman Petras, die de laatste dagen zo snauwerig was geweest. Hij keek op, en Marė zag dat zijn ogen moe waren.

“Marė,” zei hij, alsof hij haar naam opnieuw moest leren. “Waar was je?”

“Onderweg,” zei ze. Ze kon duizend dingen zeggen—over Laima, over vloeken, over heldendaden. Maar ze dacht aan openheid als kleine keuzes. “Hoe gaat het met je?”

Petras knipperde. Het was alsof niemand hem dat in tijden had gevraagd. Hij schraapte zijn keel. “Slecht,” gaf hij toe. “Mijn boot lekt. En ik schaamde me om hulp te vragen. Dus werd ik… vervelend.”

Marė knikte langzaam. “Zullen we samen kijken? Ik ken iemand die goed is met pek.”

Petras' mondhoek trilde. “Dat zou… fijn zijn.”

Ze liepen samen naar de rivierkant. Onderweg groetten mensen elkaar wat onwennig, alsof ze opnieuw oefenden met vriendelijk zijn. Een meisje bood haar broertje een stuk koek aan. Twee jongens die eerder ruzie hadden, duwden elkaar nu niet—ze duwden alleen een kar met hout.

Later die avond kwam Oma Aldona langs. Ze ging op Marė's drempel zitten en keek naar de sterren.

“Je ogen zijn veranderd,” zei Oma Aldona.

Marė leunde tegen de deurpost. “Ik denk dat ik beter kan luisteren.”

Oma Aldona knikte. “Dan is de braise echt gedoofd. Vuur dat bijt, dooft in stilte. Vuur dat verwarmt, blijft in soep en kaarsen.”

Marė glimlachte. “En in verhalen.”

“En in verhalen,” bevestigde Oma Aldona.

Alsof de wereld het wilde onderstrepen, kwam er een kat aanlopen. Een gestreepte, met een staart als een vraagteken. Hij stapte zonder schaamte het erf op, alsof hij al jaren eigenaar was.

“Waar kom jij vandaan?” vroeg Marė.

De kat antwoordde niet, natuurlijk. Hij sprong op haar schoot, draaide drie keer rond—alsof drie keer nodig was om het lot goed te leggen—en liet zich neerploffen.

Oma Aldona snoof. “Dat is Mėnulis. Hij hoort bij de nacht. En bij mensen die terugkomen met zachte ogen.”

Marė aaide over zijn rug. Zijn vacht was warm, alsof hij een vriendelijk haardvuur bij zich droeg. De kat sloot zijn ogen en begon te spinnen, laag en tevreden, een klein motorenlied dat de avond wiegde.

En terwijl Mėnulis spinnend de stilte vulde, voelde Marė iets heel eenvoudigs en groots tegelijk: het dorp ademde weer samen. Warm, rustig, open. Zoals het hoort.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Braamstruik
Een struik met doorns en kleine, donkere vruchten.
Vervloekte
Iets dat door magie of kwaad is beïnvloed.
Openheid
Bereidheid om te luisteren en begrijpen.
Gesloten hart
Niet openstaan voor anderen of nieuwe ideeën.
Verhalenverteller
Iemand die verhalen vertelt.
Doven
Zorgen dat iets, zoals vuur, stopt met branden.
Vloek
Een slechte spreuk die ongeluk brengt.
Begrenzen
Iets stoppen of beperken.
Hoedster
Iemand die over iets waakt of zorgt.
Vlecht losse takken
Het samenbinden van takken om iets te maken.
Versmacht
Iets zo drukken dat het stopt.
Ademhaling
Lucht in en uit je lichaam laten gaan.
Mopperde
Zacht klagen of boos praten.
Trotse gedachte
Denken dat je beter bent dan anderen.
Wijs
Veel weten of verstandig zijn.
Schuilen
Je beschermen tegen gevaar of slecht weer.
Vreemd
Anders dan normaal of onbekend.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Te lezen daarna in Mythische Fantasy (Myth Fantasy) voor 11/12 jaar

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.