Bezig met laden...
Halloweenverhaal 11/12 jaar Lezen 29 min.

De sterrenwachter en de molen die achteruit zong

Op Halloween ontdekt Timo, een sterrenwachter in de dop, samen met zijn vrienden Noor en Raf een mysterieuze molen die achteruit draait en hen meeneemt op een avontuur vol magie en geheimen, waar ze een verloren glim moeten terugbrengen naar de nacht. Hun reis leidt hen naar de Nachtmarkt, waar ze ontdekken dat vriendschap en samenhorigheid de sleutel zijn tot het oplossen van problemen.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Een 12-jarige jongen, Timo, staat in het midden van de afbeelding, gekleed in een zwarte cape versierd met fonkelende sterren. Zijn gezicht straalt van opwinding en nieuwsgierigheid, met heldere ogen en een brede glimlach. Hij houdt een klein lichtgevend potje in zijn handen, dat een zachte gouden gloed uitstraalt. Rechts van hem staat Noor, een 11-jarig meisje, verkleed als heks met een zwarte jurk en een puntige hoed, met woelige haren die in de wind wapperen. Ze kijkt Timo met een samenzweerderige glimlach aan, klaar om hem aan te moedigen in hun avontuur. Links staat Raf, een 12-jarige jongen, gekleed in een wit laken als spookkostuum, met ronde ogen en een grappige uitdrukking. Hij maakt een komische grimace om zijn vrienden aan het lachen te maken. De achtergrond is een donkere en mysterieuze straat, omringd door oude huizen met gesloten luiken, met pompoen-lantaarns die de weg zwak verlichten. Dode bladeren dwarrelen om hen heen en zorgen voor een herfstachtige sfeer. De scène toont Timo en zijn vrienden die voor een oude molen staan, klaar om de nacht van Halloween in te gaan, met een mengeling van opwinding en angst op hun gezichten. meld een probleem met deze afbeelding

De avond die knisperde

Het was Halloween en de lucht rook naar natte bladeren en kaneel. Timo was elf en droeg een cape met kleine, lichtgevende sterren. Hij had de sterren zelf erop genaaid. Zijn moeder had gelachen toen hij de cape liet wapperen in de woonkamer. “Je lijkt wel een sterrenwachter,” had ze gezegd. Dat vond Timo precies goed. Geen bloed, geen nepwonden. Hij wilde licht meenemen in de nacht.

In zijn hand zat een pot met een slinger lichtjes. Het lampje zoemde zacht, alsof het een geheim kende. Buiten kraakten de takken en lachten de pompoenen met tandeloze monden. Er waaide een wind die smaak had, een beetje zout als tranen en een beetje zoet als suikerspin. Timo snoof en voelde het tintelen in zijn neus.

“Kom je?” riep Noor, die als heks was verkleed. Geen enge heks, maar een vrolijke. Haar hoed zat scheef en haar haren staken eruit als bezemstelen. Raf huppelde naast haar, een spook met een laken waarop hij met stoepkrijt een grote grijns had getekend. De grin glom in het licht van Timo's potje.

“Wacht,” zei Timo. Hij keek even naar hun straat. De lampen hingen als gele manen boven het asfalt, en achter de huizen staken de wieken van de oude molen zwart af tegen de hemel. Op Halloween, zei men, draaide de molen achteruit. Niemand wist waarom. Of ja, iedereen had een verhaal, en alle verhalen klonken net hard genoeg om waar te kunnen zijn.

Ze gingen deuren af. Snoep in zakken, bedankt, lach, op naar de volgende. Een zwarte kat sloop onder een heg door en hield hen in de gaten. “Zie je die?” fluisterde Noor. “Als hij drie keer miauwt, gebeurt er iets.” Ze grijnsde. “Dat heb ik net verzonnen.”

“Miauw,” zei de kat, precies op dat moment. “Miauw.” Hij tilde traag een poot op, alsof het moeite kostte. “Miauw.”

Raf zette grote ogen op. “Oké. Iets gaat gebeuren.”

Het was alsof de wind meeluisterde. Hij floot door de takken. Timo voelde zijn nek jeuken, zo achter in zijn haar. Niet eng. Meer alsof iemand zachtjes “psst” zei, zonder letters.

“Jullie… voelen dit toch ook?” vroeg hij.

Noor knikte. “De nacht is wakker. Kom, sterrenwachter. We lopen door, maar we kijken beter.”

Ze liepen, en het viel Timo op dat de voetstappen klonken als hout. Niet op steen, maar op planken. Alsof ze over een brug gingen. Hij keek naar beneden. Gewoon stoep. Toch hoorde hij het: klop, klop, klop. Zijn potje licht zoemde iets luider, als een bij die zin had in avontuur.

Ze kwamen bij een tuin met een pompoen zo groot als een basketbal. Het gezicht was niet boos, niet blij. Eerder nieuwsgierig. Timo bleef staan. Het licht in de pompoen flakkerde een beetje, zette lichtrimpels op het oranje vlees. Hij keek Noor aan. Noor haalde haar schouders op. Raf boog zich al voorover.

“Niet aankomen,” zei Timo, maar toen zag hij het. Iets glinsterde in de mond van de pompoen.

Het briefje in de pompoen

Raf peuterde voorzichtig. De pompoen gaf een zachte plop, alsof hij zuchtte. Voorzichtig trok Raf een klein, gevouwen papier eruit. Het was een dun briefje, met krullen in de hoeken, alsof iemand er vleugels aan had getekend. “Er staat iets op,” zei Noor. “Licht erbij, ster.”

Timo hield zijn potje erbij. Het papier had letters in inkt zo donker als de lucht. De letters dansten. Toch kon hij het lezen:

Als jij durft, kom dan naar de molen als de maan boven de wieken hangt. Breng een lach, een trilling en een warm licht.

“Wat is een trilling?” vroeg Raf. “Ik tríl altijd als ik veel snoep eet.”

“Een trilling is… iets dat beweegt maar blijft,” zei Timo. Hij wist niet zeker of dat klopte, maar het klonk slim. En zijn hart trilde ook, een beetje snel, een beetje vrolijk, een beetje bang. “Wie heeft dit geschreven?”

Noor keek om zich heen. De straat was hetzelfde en toch niet. De kat zat nu op de stoep en likte zijn poot, alsof hij niet op hen lette. Maar zijn oor stond schuin, naar hen toe. “De molen,” zei Noor zacht. “We gaan.”

“Straks is het een grap van groep achters,” mompelde Raf, maar hij glimlachte. “Oké. Laten we tenminste even kijken.”

Ze trokken hun jassen wat dichter en liepen richting de molen. Door de tuinen, langs heggen die fluisterden van bladeren. De stoep was een lappendeken van schaduwen. Af en toe trapten ze op een eikel en klonk een krak. Overal geurden pompoenen, sterretjes vuurden knetterend langs hekjes waar iemand sterretjes ophield. “Pas op,” zei Timo telkens, want hij was van het voorzichtig zijn. “Pas op.” Toch liep hij voorop.

“Waarom jij?” vroeg Noor.

“Omdat ik het briefje vasthoud,” antwoordde Timo. “Het is aan mij gericht.” Hij wist dat dat niet op het papier stond. Niemand van hen had zijn naam gezien. Maar het voelde zo. Alsof het lampje in zijn pot knikte bij elke stap.

Bij het pleintje voor de kerk zag hij krijtpijlen op de stoep. Ze glansden een beetje in het licht. Geen gewone pijlen. Ze waren getekend als sterren met staarten. Ze wezen allemaal in dezelfde richting. Iemand had er kleine letters naast gezet: nog even. Nog twee. Nog één.

“Dit is te goed voorbereid voor grapjassen,” zei Raf. “Of ze zijn heel, heel goed.”

“Dan mogen we mee lachen,” zei Noor. “En als het geen grap is, lachen we later. Maar niet te hard.”

Ze kwamen bij de oude molen. De wieken stonden stil als grote armen. De maan hing daar precies boven, een dunne sikkel, scherp als een schelp. De teer op de molen rook naar regen en tijd. Een ladder klom omhoog langs de houten muur. Een deur met ijzeren hengsels gaapte een beetje, een kiertje, net breed genoeg voor een briefje. Timo slikte. “We zijn er.”

“En nu?” vroeg Raf.

“Lachen, trillen, licht,” zei Noor. Ze wees naar het briefje. “Wat je nodig hebt. Wat hebben we?” Ze tikte op Timo's potje. “Licht. Check.”

“Lachen,” zei Raf, en hij deed een gek gezicht. Zijn laken spookte boven zijn ogen, en hij stak zijn tong uit. Timo snorde per ongeluk, veel te luid, en moest toen harder lachen. Noor proestte.

“Trilling,” zei Timo, en hij hield het potje tegen zijn borst. Zijn hart klopte ertegen. Thump. Thump. Thump. Het licht in de pot trilde mee.

De deur zuchtte. Niet hard, niet eng. Zoals iemand die wakker wordt en denkt: oh ja, jullie. Kom binnen dan.

De molen die achteruit zong

Binnen rook het naar oud hout, meel en iets zoets, als warme melk. De vloer kraakte onder hun voeten, elk kraakje een klein stemmetje. Timo tilde zijn potje iets hoger. De lichtjes stuiterden in het glas. Aan de wanden hingen touwen en radertjes, en een trap slingerde omhoog langs de as. Hoog boven hen stonden de wieken als reuzenvleugels stil.

“Hallo?” riep Noor. Haar stem kroop langs de planken omhoog en viel in hun nekken terug. Niemand antwoordde. Of toch: ergens vanboven klonk een flard muziek, een paar tonen, net genoeg om je ervan te verzekeren dat je het echt hoorde.

“Straks woont hier iemand die boos wordt,” fluisterde Raf.

“Dan leggen we uit over het briefje,” zei Timo, maar hij streek even met zijn hand over de muur, alsof hij toestemming vroeg. Zijn vingers kwamen vol stof. Het was zacht stof. Hij veegde het af aan zijn spijkerbroek. Er kwam een stervormig vlekje op zijn knie. Het leek op de krijtpijlen op de stoep.

Ze stapten verder. Boven aan de trap stond een vogelverschrikker, maar niet zoals in de tuin van boer Gerrits. Deze had geen stro in zijn mouwen. Hij had herfstbladeren als handen en ogen van noten. Zijn glimlach was scheef, als een rits die niet helemaal dicht kan. Rond zijn hals zat een sjerp van oud rood lint waar “Welkom” met gouden draden in stond geprikt.

“Wauw,” zei Noor. “Bent u… echt?”

“Ligt eraan,” zei de vogelverschrikker. Zijn mond ging niet precies open, maar de woorden kwamen uit de lucht voor zijn gezicht. “Dromen jullie hardop?”

Raf trok zijn spooklaken iets omhoog. “Ik denk het?”

“Dan ben ik echt genoeg,” zei de vogelverschrikker tevreden. “Kom dichterbij. En geef me een kraak en een zucht, als je binnen wilt.”

“Een kraak en een zucht?” herhaalde Timo.

“Ja,” zei de vogelverschrikker. “Een kraak met je schoenen. Een zucht met je mond. Als ik ze samen hoor, weet ik dat jullie vrienden van de nacht zijn.”

Noor trapte op een plank. Kraaaak. Toen blies ze lucht uit haar wangen. Zucht.

Raf sprong en landde hard. KRAK. Zucht. Hij deed het expres dramatisch.

Timo keek naar de vloer. Hij zette zijn voet neer, zo dat de plank precies op dat ene zachte punt was. Kraakje. Hij zuchtte zacht, alsof hij een geheim uitblies. De vogelverschrikker knikte. “Nachtvrienden. Vooruit dan. De molen gaat zo zingen.”

“Zingen?” vroeg Timo.

“Ja,” zei de vogelverschrikker. “Achteruit. Dat is de enige manier waarop hij op Halloween werkt. Hij maalt maanlicht terug tot glim. Glim is wat bang maakt tot glunder. Maar vandaag hikt hij. Er is iets kwijt. Misschien hebben jullie het bij je.”

“Wat dan?” vroeg Noor.

“Ik hoor geen hart,” zei de vogelverschrikker. “Niet eentje die de molen kent. Zo'n hart slaat een ritme dat hout graag hoort.”

Timo voelde weer die trilling. Zijn vingers klopten altijd. Op tafels. Op zijn knie. Op zijn bed als hij lag te luisteren naar regen. “Ik kan tikken,” zei hij. “Maar ik kan niet… zeg maar, ik ben geen drummer.”

“Hoeft niet,” zei de vogelverschrikker. “Hout is niet kieskeurig. Hout wil alleen weten dat je luistert terug.”

Ze volgden de trap verder, terwijl de vogelverschrikker achterbleef. “Denk eraan,” riep hij nog, “niet te hard gillen. Gillen is scherp. Lachen is rond.”

Boven, in de kap van de molen, was het donkerder. De lucht rook koel en een beetje metaalachtig. De wieken tikten zacht tegen de wind, alsof ze hun vingers uitprobeerden. Tussen de balken bewoog iets. Geen mens, geen dier. Iets dat leek op nacht, maar dan dikker.

“Wie is daar?” vroeg Timo. Zijn stem was voorzichtig. Zijn lampje maakte ringen op de balk. Het ding bewoog langzaam, zoals een poes die net wakker wordt en zich uitstrekt.

“Ik,” zei een stem die klonk alsof je je jas dichtdoet. “Ik ben Meroem.”

“Meroem?” vroeg Noor. “Als in… mer oem?”

“Als in… de stilte tussen twee woorden,” zei de stem. En toen zagen ze hem. Een figuur van schaduw, dun en hoog, met ogen die niet helemaal ogen waren. Toch keken ze vriendelijk, een beetje verlegen. “Ik leen licht,” zei Meroem. “Voor de nachtblauwe plekken. Zodat niemand struikelt in een droom. Maar vanavond pakte ik te veel.”

“Je… leende te veel?” herhaalde Raf. “Is dat hetzelfde als stelen?”

“Alleen als je niet teruggeeft,” zei Meroem schuldvol. “Maar ik ben vastgelopen. Ik weet niet hoe ik het terug moet laten glimmen.”

Timo keek naar zijn potje. Het licht bewoog. Hij legde zijn hand op de houten balk. Warm, glad op sommige plekken, ruwer op andere. Hij tikte. Tak-tak. Tak-tak. Hij deed het als zijn hart, maar iets langzamer. Meroem hief zijn hoofd op. De wieken kraakten zacht.

“Wat doe je?” fluisterde Noor.

“Ik zeg hallo,” zei Timo. “In houttaal.”

De Nachtmarkt onder de wieken

De wieken begonnen te kreunen. Niet rot, maar alsof ze hun stem vonden. De molen zuchtte een lange zucht, en uit de spleten tussen de planken zakte een licht zo zacht als een dekbed. Het rolde naar beneden, langs de trap, langs de vogelverschrikker, naar een deur achterin die er eerst niet was geweest. De deur had geen handvat. Hij had een gat in de vorm van een maan.

“Dit is het,” zei Meroem. Hij klonk opgelucht. “De Nachtmarkt.”

“Bestaat die echt?” ademde Raf. “Als in… kraampjes en zo?”

“Als in alles wat de nacht zacht houdt,” zei Meroem. “Kom.”

Ze stapten door de deur en stonden in een ruimte die rook naar van alles: warme chocolade, appelstroop, natte wol, vers zaagsel. Er hing mist die je niet koud maakte, maar je wangen juist warm. Lampionnen van gedroogde sinaasappels hingen aan touwen en zwaaiden. Er waren kraampjes met dingen die je overdag niet zag: een potje met de geur van een zomernacht, een doos met het geluid van regen op een tent, een zakje met de kleur van schemering. Een oude vrouw in een mantel van bladeren schepte sterrenstof met een pollepel. Een jongen met vlechten verkocht snoep dat smolt tot maan in je mond.

“Wat heb jij meegenomen, sterrenwachter?” vroeg de vrouw met de bladeren mantel.

“Een lach, een trilling en een warm licht,” zei Timo. Hij hield zijn potje vast en keek naar Noor en Raf. “En vrienden.”

“Dat is de goede bundel,” zei de vrouw. Ze boog zich naar Meroem. “En jij?”

“Ik heb spijt,” zei Meroem. Hij hield zijn handen omhoog, en in zijn vingers glansde een beetje glim, dun als spinrag. “Ik raakte de maat kwijt.”

De vrouw knikte. “Dat gebeurt. Niemand danst altijd goed op de muziek van de nacht. We hebben iets nodig dat klopt.”

“Een hartslag,” zei Timo.

“En een grap,” voegde Raf toe. “Voor het lachen. Anders is het te serieus.”

“En iets warms,” zei Noor. “Zoals… cacao?”

“Je snapt het,” zei de vrouw, en ze knipoogde. “De Grote Pompoenlamp flikkert. Zonder hem worden de dromen stijf. Willen jullie helpen?”

Het was druk. Een zwarte kat, misschien dezelfde als bij de heg, sloop tussen benen door en ging zitten op een krukje. Zijn staart tikte precies op de maat van Timo's vingers. Tak-tak. Tak-tak. Een paar spookjes met knoopogen, niet eng, droegen kratten vol lichtdraad. Een klein skeletje, met paarse sokken, schepte warme lucht uit een ketel en vulde er kussens mee. Alles bewoog, alles was zacht.

Timo voelde zich niet meer klein. Hij voelde zich passend. Noor pakte twee bekers en gaf er één aan hem. Warme cacao met kaneel. “Drink,” zei ze.

“Het brandt,” zei hij na de eerste slok, maar hij lachte. De warmte zakte zijn borst in, precies bij waar zijn hart tikte. Het tikte harder. Hij zette het potje op de plank naast de ketel. Het licht ging iets feller, alsof het mee wilde doen.

“Wie vertelt de grap?” vroeg Raf ineens. “Want dat moet toch?”

“Ik ben niet heel goed in grappen,” zei Noor eerlijk. “Ik lach te vroeg.”

“Ik ken er wel één,” zei Raf. Hij trok zijn laken recht en ging op zijn tenen staan. “Waarom hield de pompoen zijn mond?”

Niemand antwoordde. Zelfs de kat zweeg netjes.

“Omdat hij een pom-póén was!” riep Raf. Hij barstte in lachen uit om zichzelf. Noor deed mee. Dat was het moment dat de Grote Pompoenlamp, een reus boven de markt, schudde. Nog geen licht. Maar hij had geluisterd.

“Oké,” hijgde Timo. “Nu de hartslag.”

Hartslag voor de schaduw

Ze klommen met z'n drieën op het bordes onder de Grote Pompoenlamp. Van dichtbij zag Timo hoe uit de pompoen dunne draden liepen, de markt in, langs kraampjes, onder tafels door, naar de molen toe. De draden waren als wortels, maar helder. Zijn vingers tintelden als hij ernaar keek.

“Ben je klaar?” vroeg Noor. Ze stond naast hem, haar heksenhoed scheef, haar ogen groot, maar niet bang.

Timo knikte. “Ik ben klaar.” Hij legde zijn hand op de pompoen. De schil was warm, een beetje vochtig aan de binnenkant. Hij sloot zijn ogen en luisterde. Zijn hart: tak-tak. Tak-tak. Zijn vingers: tik-tik. Tik-tik. Hij tikte op de pompoen. Eerst zacht, alsof hij niet wilde storen. Toen iets harder, zodat het hoorde dat het mocht meedoen. Tik-tik. Tak-tak. Tik-tik. Tak-tak.

Meroem stond onder hen en keek. Zijn schaduwhanden trilden. “Wil je dat ik… help?” vroeg hij.

“Doe maar,” zei Timo zonder te stoppen. “Maar zacht.”

Meroem legde een hand op de pompoen, naast die van Timo. Het voelde niet koud, eerder koel als een steen in de zomer. “Ik ben niet gemaakt om te tikken,” zei hij verlegen. “Ik glijd meer.”

“Dan glijd maar op de maat,” zei Timo. Hij opende een oog. “Zo.”

Raf zette zich aan de andere kant, sloeg zijn spooklaken terug en trommelde met twee vingers. “We zijn de band,” zei hij. “De Nachtband!”

Noor lachte. “En ik ben de manager die zorgt dat niemand de maat kwijt raakt.” Ze sloeg zachtjes in haar handen, één-twee-drie-vier, één-twee-drie-vier.

Iets in de molen kraakte. Niet moeizaam. Meer als een deur die van binnenuit wordt opengeduwd. De wieken begonnen achteruit te draaien. Traag eerst, alsof ze het zich moesten herinneren. Toen soepeler, op de hartslag. De lucht werd warmer. De draden die van de pompoen de markt in liepen, lichtten op, één voor één, als een ketting van glimwormen.

“Het werkt,” fluisterde iemand bij een kraampje. “Het werkt!”

De Grote Pompoenlamp vulde zich van binnenuit met licht. Geen fel wit. Oranje dat leek op de zon onder je dekbed als je ‘s ochtends te lang blijft liggen. Het vulde de ruimte met een zachte gloed. Twijfels verdwenen uit hoeken. Kindersnoetjes in spookmaskers lachten, echte tanden blonken even door gaten in lakens. De kat spinde, hoorbaar, en zijn staart tikte op de maat.

Toen klonk er iets nieuws. Geen tikken, geen draaien. Een kleine barst. Timo keek. Aan de rand van de markt stonden flessen en potjes met doppen. In die potten zong iets. Het waren stemmetjes, fluisteringen die iemand had opgevangen en bewaard. Meroem draaide zijn hoofd. Zijn schouders zakten.

“Ik… dat was ik,” zei hij. “Ik vang soms fluisters. Ik dacht, als ik ze bewaar, hebben we altijd nog iets moois. Maar ze worden verdrietig in dozen.”

“Zet ze vrij,” zei Noor meteen. “Zet ze vrij.”

“Maar dan zijn ze weg,” zei Meroem. Zijn ogen werden donkerder, maar niet boos. Meer… bang.

“Dingen die vrij zijn, gaan niet weg,” zei Timo. Hij voelde zijn eigen woorden en schrok er een beetje van. Hij had dat niet van tevoren bedacht. Het kwam uit dezelfde plek als waar de hartslag zat. “Ze gaan rond. Dan komen ze wel weer eens langs. Net als de wind.”

Meroem keek naar de potten. Zijn schaduwhanden lieten een dop draaien. De fluister ging omhoog, cirkelde even rond een lamp en liet het touw daar glanzen. Nog een pot. Nog een. Ze stroomden als vogelzwermen de nacht in. De markt werd er ruimer van. Er was meer lucht. Iedereen ademde dieper.

“Dat voelt…” Meroem zocht het woord.

“Noem het licht,” zei de vrouw met de bladeren mantel. “Of noem het gewoon goed.”

De Grote Pompoenlamp brandde vol. De draden straalden tot in de touwen van de molen. Timo hoorde het hout antwoorden in kleine klikjes. Het klonk als een bed dat zucht als je gaat liggen. Thuis. Zijn vingers tikten nog even na. Toen liet hij los. De pompoen hield zijn ritme vast, alsof hij het geleerd had.

“Je hebt het gedaan,” zei Noor. Ze wreef over haar armen. “Ik heb kippenvel. Maar dan warm kippenvel.”

“Dat is een goede soort,” zei Raf plechtig.

Meroem kwam dichterbij. Hij boog zo diep dat de randen van zijn schaduw tegen Timo's schoenen kriebelden. “Dank je,” zei hij. “Ik… ik ben niet zo goed met mensen.”

“Wij zijn ook soms niet zo goed met mensen,” zei Timo eerlijk. “Maar vanavond ging het.”

“Kom morgen langs,” zei de vrouw met de bladeren mantel. “Dan zijn we er niet,” voegde ze eraan toe. “Maar dan weet je dat we er geweest zijn.”

Terug door de knisperende straat

De deur met de maan verdween stilletjes achter hen toen ze terug de molen in stapten. De trap leek lichter om te lopen, alsof hij blij was. De vogelverschrikker stond te glimmen met zijn nootjesogen. “Ik hoorde het,” zei hij. “Ik hoor alles wat tikt. Jullie hebben de nacht een beetje zachter gezet.”

“Doen we graag,” zei Raf. “Voor een redelijke prijs. Eén warme chocolademelk per persoon.”

“Je krijgt een bon,” zei de vogelverschrikker. Hij haalde een kaartje onder zijn lint vandaan. “Voor later.”

Buiten was de lucht donker, maar niet zwaar. De maan sneed niet meer, ze glimde. De wieken van de molen draaiden nog even achteruit en kwamen tot stilstand, precies op de stand waarin ze op de straat van Timo leken te wijzen. “Thuis,” zei Noor.

“Thuis,” knikte Timo. Hij keek even om. Meroem stond in de opening en zwaaide met een hand die meer een schaduw was dan een hand. De kat liep langs Timo's been en zette zijn staart recht omhoog, alsof hij een uitroepteken was. “Ga je mee?” vroeg Timo. De kat miauwde één keer en verdween toen in een heg. Natuurlijk. Sommige dingen blijven waar ze horen.

Ze liepen door de straten die nu minder deden alsof ze iemand anders waren. Ze waren gewoon straten. De pompoenen grijnsden nog, maar ontspannen. De sterren knipperden als iemand die bijna in slaap valt. In de verte lachte iemand nog bij een voordeur. Een hond blafte twee keer en bedacht zich.

“Denk je dat… we dit kunnen vertellen?” vroeg Noor. Ze trok haar hoed dicht tegen de wind.

“Als we het vertellen, geloven ze het niet,” zei Raf. “Dan vinden ze dat we zijn blijven hangen bij de suikerspinnenkraam die niet bestond.”

“Dan vertellen we iets anders,” zei Timo. “We zeggen dat de molen zong. Dat is waar. En we zeggen dat we iemand hebben geholpen die niet boos wil zijn. Dat is ook waar. En we zeggen dat warme cacao het beste is tegen scherpe nachten. Dat is heel waar.”

Bij Timo's voordeur bleef Noor staan. Haar hoed wiebelde bij elk woord. “Volgend jaar weer?”

“Als de maan boven de wieken hangt,” zei Timo glimlachend.

Raf stootte hem aan met zijn elleboog. “Jij bent nu officieel de sterrenwachter. Met certificaat.”

“Met bon,” corrigeerde Timo. Hij stak het kaartje op. De letters glommen even, toen werden ze dof, alsof ze een geheim alleen wilden laten lezen bij maanlicht.

Binnen voelde het huis warm. De radio mompelde zacht uit de keuken. Zijn moeder draaide zich om. “Daar ben je. En? Glim of griezel?”

“Glim,” zei Timo. “Veel glim.” Hij wilde haar alles vertellen en niks tegelijk. Hij werd er moe van en iets heel lichts in hem werd rustig, zoals een kat die een nieuw kussen vindt. Zijn moeder streelde even langs zijn haar en zag het niet dat er misschien een klein sterretje stof in vastzat.

Hij deelde snoep met zijn kleine zusje, die al met half gesloten ogen als een muis boven haar kom zat. “Slaapt de molen ook?” prevelde ze.

“Hij snurkt achteruit,” zei Timo. Zij glimlachte in haar kom en zonk weg.

In zijn kamer zette Timo het potje met licht naast het raam. Het zoemde, heel zacht, alsof het tevreden met zichzelf was. Hij stak zijn hand in zijn jaszak en haalde iets kleins eruit dat hij niet had gevoeld toen hij hem aantrok. Een snoepje. Rond, wit met een zilveren glans. Er zat een dun papiertje omheen. “Maanzoet,” stond erop.

Hij keek naar de molen. De wieken waren donker tegen de lucht. De maan hing op z'n rug als een glim op een gezicht in de schemer. Timo legde het snoepje in zijn schoenen, onder zijn bed. Een bewaard glim. Voor als hij het nodig had.

Hij kroop onder zijn dekbed. Het rook naar wasmiddel en buitenlucht. Zijn hart tikte eindelijk normaal. Tak-tak. Tak-tak. De regen begon tegen het raam, zacht. Hij luisterde en hoorde iets anders eronder, iets wat alleen hij hoorde, misschien: een molen die zong alsof hij water droeg in plaats van wind. Of misschien was het zijn eigen adem die de kamer rond ging.

Net voordat hij sliep, knipperde het potje licht één keer, als een knipoog. Buiten klom de zwarte kat op de vensterbank en rolde zich op tot een lus. Timo glimlachte in het donker. Hij was nog precies elf. Maar hij voelde zich anders. Niet groter, niet ouder. Gewoon… lichter. En de nacht voelde dichterbij, maar dan op de goede manier. Als een deken die precies past. Volgend jaar weer, dacht hij, en toen viel hij in een droom die nergens tegenaan schuurde, en die zonder geluid door de molen naar de markt gleed, waar iemand hem zachtjes bewaarde tot de ochtend.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Kruim
De kleine stukjes van een koek of brood die overblijven als je erop bijt of het breekt.
Flonkerden
Een term die betekent dat iets licht geeft of glinstert, meestal op een speelse of vrolijke manier.
Deken
Een groot stuk stof dat je gebruikt om jezelf warm te houden als je slaapt.
Fluisteringen
Zachte, bijna onhoorbare geluiden die mensen maken wanneer ze heel stil met elkaar praten.
Scherp
Een woord dat betekent dat iets een punt heeft dat kan snijden, of het kan ook betekenen dat iets heel duidelijk of sterk is.
Bewaren
Iets veilig houden zodat het niet verloren gaat of kapot gaat.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.