Er was eens een prinses die Lila heette. Ze woonde in het Koninkrijk Knisperlicht, waar de bomen zachtjes glinsterden en de wolken soms mopperden omdat ze gekieteld wilden worden.
Prinses Lila was niet zoals andere prinsessen. Ze droeg vaak haar kroon scheef, haar vlechten zaten altijd een beetje in de knoop, en als ze probeerde de trap af te lopen… boem! Dan struikelde ze meestal over niets. Maar haar hart was zo groot als een reuzen-pannenkoek, en ze hield heel erg van eerlijkheid en delen.
Op een ochtend werd ze wakker doordat haar bed plotseling “Hatsjoe!” zei.
“Wat was dat?” riep Lila.
“Dat was ik,” zei het bed. “Je hebt je knuffels niet netjes gelegd, prinses. Ik ben er een beetje allergisch voor.”
Lila giechelde. “O, sorry bed. Vandaag zal ik extra netjes zijn. Beloofd. Eerlijk is eerlijk.”
Ze sprong uit bed, struikelde over haar pantoffel, maakte een gekke pirouette en landde plof op de grond.
“Nou,” zuchtte ze, “dat was een zachte landing, gelukkig.”
Het plan van koning Knorrie
Beneden in de troonzaal zat koning Knorrie, haar vader. Hij had altijd een licht gepruttel in zijn stem, maar hij was best lief.
“Lila!” riep hij. “Vandaag is de Grote Glimlach-Markt in de Overdekte Lachhal. Alle magische wezens uit het hele koninkrijk komen daarheen. Iedereen ruilt grappige dingen met elkaar. Jij gaat ons koninkrijk vertegenwoordigen.”
“De Overdekte Lachhal?” vroeg Lila met grote ogen. “Met dat glijbaan-plafond en die pratende kraampjes?”
“Precies,” knikte koning Knorrie. “Maar denk eraan: niemand mag verdrietig naar huis. Jij moet ervoor zorgen dat alles eerlijk wordt gedeeld. Geen geruzie, geen gegrabbel, geen gestamp met voeten.”
Lila ging rechtop staan, al viel haar kroon meteen bijna van haar hoofd. “Ik beloof het, papa. Ik zorg dat iedereen deelt. Ik ben de… euh… Prinses van het Delen!”
“Mooi zo,” zei de koning. “En neem Flonk mee.”
Flonk was een klein, paars draakje met gouden stippen. Hij kon geen vuur spuwen, alleen zeepbellen. Als hij zenuwachtig werd, kwamen er héél veel bellen.
“Kom op, Flonk,” zei Lila. “We gaan naar de markt!”
Flonk vloog op haar schouder en plop plop plop er verschenen meteen drie zeepbellen, die heel beleefd “goeiemorgen” zeiden.
In de Overdekte Lachhal
De Overdekte Lachhal was zo groot als duizend koekblikken. Het dak was van glas en regenbogen, en er hingen schommels aan de lampen. Overal stonden kraampjes: een kraam met kietelveertjes, een kraam met zingende schoenen, een kraam met snoep dat liedjes zong over broccoli.
“Wat ruikt het hier lekker!” zei Lila.
“Dat is de kraam met lach-wafels,” fluisterde Flonk. “Als je ervan eet, moet je drie keer lachen en één keer een gekke bek trekken.”
Ze liepen langs de eerste kraam. Een reus met piekhaar verkocht moppen in glazen potjes.
“Eén mop voor twee grapjes!” riep hij.
“Dat klinkt niet eerlijk,” zei Lila. “Waarom twee grapjes voor één mop?”
De reus haalde zijn grote schouders op. “Omdat ik het zeg.”
Lila zette haar handen in haar zij. “Maar wat als iemand maar één grapje heeft? Dan kan die geen mop kopen. Delen is eerlijk. Misschien kun je zeggen: één grapje, één mop?”
De reus keek even moeilijk, alsof hij een rekensom met koekjes in zijn hoofd maakte. Toen glimlachte hij. “Goed, prinses. Eén grapje, één mop! Heb jij een grapje voor mij?”
Lila dacht na. “Ehm… Waarom at de draak zijn huiswerk op?”
“Ik weet het niet,” zei de reus.
“Omdat de juf zei dat het een stukje cake was!” riep Lila.
De reus begon zo hard te lachen dat er moppenpotjes omvielen en open sprongen. Uit één potje vloog een kleine mop die riep: “Hoi, ik ben een mop!” en toen meteen vergat wat hij wilde zeggen.
“Hier,” zei de reus, nog nagniffelend. “Jij krijgt een supergrappige mop cadeau, omdat je zo eerlijk bent.”
Lila wilde het potje aannemen, maar Flonk floepte ertussen.
“Prinses Lila moet net als iedereen betalen,” zei hij streng. “Anders is het weer niet eerlijk.”
Lila knikte. “Hij heeft gelijk. Ik betaal met nog een grapje.”
Zo liep ze verder, moppotje in haar zak, en haar hart voelde licht als een ballon.
De ruzie bij de suikerspinnen
Aan het eind van de hal was het drukker dan druk. Iedereen stond te duwen bij de kraam van Madam Suikerpluis, de fee met het suikerspinhaar.
“Mijn suikerspinnen veranderen van kleur als je eerlijk bent,” riep ze. “Maar… vandaag heb ik er maar drie!”
Voor de kraam stonden vier kinderen: een kaboutermeisje, een elfje, een trolletje en een mensenjongen. Alle vier schreeuwden ze:
“Die is voor mij!”
“Nee, voor mij!”
“Mijn buik knort het hardst!”
“Ik was eerst!”
Madam Suikerpluis draaide in het rond. “O jee, o jee, o kriebel in mijn teen, wat moet ik nou weer doen?”
Lila stapte dichterbij, maar meteen gleed ze uit over een gevallen pluk suikerspin. Haar armen zwaaiden als molenwieken, haar kroon vloog omhoog, Flonk schreeuwde “Pas ooop!” en plof-klabam-beng lag Lila languit op de grond met roze pluis op haar neus.
De kinderen stopten met ruzie maken en begonnen te giechelen.
“Kijk, de vallende prinses!” lachte het elfje.
Lila ging langzaam rechtop zitten en moest zelf ook lachen. “Ja, ik ben vandaag de Prinses van het Plof-Gedoe.”
Flonk maakte per ongeluk een wolk bellen die zachtjes om iedereen heen zweefden.
“Nu we toch lachen,” zei Lila, en ze veegde de suikerspin van haar neus, “kunnen we misschien ook eerlijk zijn. Er zijn drie suikerspinnen en vier kinderen. Hoe kunnen we dat delen?”
Het bleef even stil.
“Misschien kan de trol weg,” mompelde het elfje.
“Of de kabouter!” mopperde het trolletje.
“Nee,” zei Lila rustig. “Niemand hoeft weg. Delen betekent dat iedereen iets krijgt. Niet dat iemand niets krijgt.”
Het kaboutermeisje stak haar hand op. “We kunnen ze in stukken knippen.”
Madam Suikerpluis knikte snel. “Dat kan! Mijn suikerspinnen luisteren goed naar scharen.”
“Maar dan zijn ze kleiner,” piepte de mensenjongen.
“Dat is waar,” zei Lila. “Maar je krijgt iets samen in plaats van dat één iemand alles heeft. Samen proeven is leuker dan alleen smullen, toch?”
Flonk voegde er zachtjes aan toe: “En als je deelt, smaakt het twee keer zo zoet. Dat is een drakenregel.”
De kinderen keken elkaar aan. Hun gezichten werden zachter.
“Goed dan,” zei het trolletje. “Als iedereen een stukje krijgt, wil ik mijn stukje met jou ruilen voor een hap.” Hij wees naar het elfje.
“En ik wil een hapje van iedereen,” zei het elfje vrolijk.
Zo knipte Madam Suikerpluis de drie suikerspinnen in acht kleine wolkjes. Elk kind kreeg twee wolkjes: eentje met aardbei, eentje met vanille. Ze gingen samen op de grond zitten, in een cirkel, en propten hun mond vol zoete pluis.
“Dit is eigenlijk leuker dan vechten,” zei het kaboutermeisje met een roze snor.
“Ja,” knikte de mensenjongen. “Nu kan ik zeggen dat ik alle smaken heb geproefd.”
Lila glimlachte. “Zien jullie wel? Als je deelt, wordt er niets minder. Het wordt alleen maar méér gezellig.”
De rustige, vrolijke terugweg
Na nog een tijdje rondlopen in de hal, waar Lila bijna een keer in een vat met kietelgelei viel, riep koning Knorrie vanaf een balkon:
“De Glimlach-Markt is bijna voorbij! Komt allen naar de uitgang!”
Langzaam werd het stiller in de Overdekte Lachhal. De pratende kraampjes geeuwden en klapten dicht, de schommels zwaaiden nog één keer zacht heen en weer.
Lila en Flonk liepen naar buiten. Ze waren moe, maar hun hoofden zaten vol zachte herinneringen, als kussens.
Aan de poort kwam het kaboutermeisje hijgend aangerend.
“Prinses Lila! Hier, dit is voor jou.”
In haar handen lag een piepklein zakje met mini-suikerspin-kruimels.
“Maar… dat is toch van jou?” vroeg Lila.
“Het zijn kruimels,” zei het kaboutermeisje. “Ik deel ze graag met jou. Zonder jou hadden we nu ruzie en helemaal geen kruimels.”
Lila voelde haar wangen warm worden. “Dank je. Zullen we samen proeven?”
Ze namen allebei een kruimeltje. Het smaakte naar aardbei, vanille en een beetje… vriendschap.
Flonk gaapte zo breed dat er een reusachtige zeepbel uit zijn mond kwam. In de bel verscheen een klein plaatje van de vier kinderen die samen zaten te eten. De bel zweefde langzaam omhoog, hoger en hoger, tot hij zacht plop deed tegen een regenboogwolkje.
Op de terugweg naar het kasteel slenterden Lila en Flonk over het glinsterpad.
“Ik heb vandaag vaak gevallen,” zei Lila dromerig. “Op mijn knie, op mijn billen, op mijn neus.”
“Ja,” grinnikte Flonk. “Maar je bent ook vaak weer opgestaan. En je hebt iedereen geholpen om eerlijk te delen.”
“Misschien,” fluisterde Lila, “ben ik niet alleen de Prinses van het Plof-Gedoe, maar ook een beetje de Prinses van het Delen.”
Flonk knikte zo heftig dat er weer drie belletjes uit zijn neus kwamen.
“Dat was je al,” zei hij zacht. “Alleen wist je het zelf nog niet.”
Ze kwamen bij het kasteel. De zon zakte als een grote, gouden pannenkoek achter de heuvels. De bomen fluisterden goede-nacht-liedjes, en de wolken waren eindelijk uitgekieteld.
Lila ging op de traptrede zitten, haar kroon een beetje scheef, haar jurk een beetje plakkerig van de suikerspin. Ze voelde zich rustig blij, zoals je je voelt na een warme knuffel.
Koning Knorrie kwam naar buiten en keek haar aan.
“En?” vroeg hij. “Is iedereen vrolijk naar huis gegaan?”
Lila knikte. “Ja. Ze hebben gedeeld. En gelachen. En ik ben maar drie keer gevallen.”
“Dan,” zei de koning, en zijn stem klonk zacht als een dekentje, “is het een perfecte dag geweest.”
Lila gaapte. Flonk gaapte ook. Samen liepen ze naar binnen, heel langzaam, stap voor stap, zonder te struikelen deze keer.
In haar kamer legde Lila haar kroon naast haar bed, netjes deze keer. Ze deelde haar laatste suikerspinkruimel met haar kussen, gewoon voor de grap.
“Voor jou,” fluisterde ze. “Omdat jij mijn dromen draagt.”
Het kussen zei niets terug, maar het voelde zachter dan ooit. En zo, in het zachte licht van de maan, viel de prinses van het delen rustig in slaap, terwijl ergens ver weg, in de Overdekte Lachhal, een vergeten mop zachtjes giechelde om een grap die hij zich eindelijk weer herinnerde.