Op een zonnige ochtend zit meneer Bram in zijn atelier. De zon danst op de muur. Meneer Bram rekt zijn armen uit, heel ver omhoog. “Even strekken,” zegt hij zachtjes. Zijn vingers wiebelen als penseeltjes in de lucht.
Op zijn tafel liggen kleurige potloden en zachte kwasten. De lucht ruikt naar papier en een beetje naar verf. Meneer Bram glimlacht. Vandaag wil hij iets nieuws laten zien: perspectief. “Kijk,” fluistert hij, “als ik deze boom dichtbij teken, is hij groot. Maar als ik dezelfde boom ver weg teken, wordt hij klein!”
Hij pakt een blauw potlood. “Blauw is koel, als water,” zegt hij. Met zachte strepen tekent hij een rivier. De rivier is dik en breed bij de rand van het papier, maar wordt steeds dunner, steeds verder weg. “Zie je? De rivier wordt kleiner, net als de bomen. Dat is perspectief,” legt meneer Bram uit.
“En nu,” zegt hij vrolijk, “geef ik de lucht een beetje geel. Geel is warm, als zonnestralen op je wangen.” Hij veegt het potlood zachtjes over het papier. De lucht lijkt te zingen van licht. Vogeltjes buiten fluiten mee.
Meneer Bram voelt zich rustig. Hij schildert langzaam, elke kleur is een vriend. “Groen voor het gras, rood voor een appel in de boom.” Alles heeft een plek. Alles hoort erbij.
Als zijn tekening klaar is, voelt meneer Bram zich trots. Hij pakt een klein doosje. Daarin zitten vrolijke stickers. Hij kiest een sticker met een glimlachende zon. Voorzichtig plakt hij de sticker op zijn tekening. “Dit is mijn herinnering aan vandaag,” zegt hij zacht.
De kleuren dansen op het papier. Meneer Bram kijkt tevreden naar zijn werk. Buiten waait een zachte bries. Alles is rustig. Alles is mooi. En meneer Bram denkt: morgen maak ik weer iets nieuws.