Er was eens een kleine, dappere haan met een prachtige rode kam. Op een mooie dag vond hij een glinsterende veer op de grond. "O, wat mooi!" riep de haan uit. "Ik moet weten waar deze veer vandaan komt."
De haan wipte vrolijk door het bos, zijn pootjes tikten zacht op de bladeren. Onderweg zag hij zijn vriendje, het konijn. "Hallo, haan," zei het konijn. "Wat zoek je?"
"Ik zoek waar deze mooie veer vandaan komt," antwoordde de haan. "Wil je meehelpen?"
"Ja!" piepte het konijn blij. Samen huppelden ze verder, langs de hoge bomen en heldere bloemen.
Plots hoorden ze een zachte stem. Het was de wijze oude uil. "Wie komt daar?" vroeg de uil vriendelijk.
"Wij zijn het, haan en konijn," zeiden ze samen. "We zoeken de eigenaar van deze veer."
De uil glimlachte. "Ah, die veer is van de vlugge papegaai. Hij woont daar bij de regenboogboom."
De haan en het konijn bedankten de uil en gingen snel naar de regenboogboom. Daar zat de papegaai, vrolijk kwetterend. "Oh, mijn veer!" riep de papegaai dankbaar. "Dank jullie wel, vrienden."
De haan en het konijn voelden zich blij. Ze hadden geholpen en een nieuwe vriend gemaakt. Samen lachten ze onder de warme zon en waren heel gelukkig.