Bezig met laden...
Stedelijke fantasy 11/12 jaar Lezen 22 min.

De fluisterfontein en de scheve stadsklok

Toen een pratende fontein Mira waarschuwt dat de klok van de stad scheef loopt, trekken zij en haar vriend Ben naar de oude klokkentoren om de bron van een bedrieglijke illusie te vinden, waarbij ze moeten uitvinden wat echt is en wat slechts schijn.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Mira, 12 jaar, rond gezicht, bruin bobkapsel, grote vastberaden ogen maar trillende moed, houdt met beide handen een zwarte bliksemsleutel en draait die in een klein slot aan de voet van een reuzeklok; Ben, 12, klein, warrig blond haar, bezorgd met open mond, staat links achter haar en grijpt haar mouw; de Schijnsel, een illusie-meisje van vóóradolescentie met bleke huid, zilverachtig glanzend haar en een te brede glimlach, zweeft rechts langs de rand van de wijzerplaat en houdt een klein spiegelje dat stadslichten weerkaatst; scène op de top van een oude donkere stenen klokkentoren met massieve gouden wijzerplaat, zichtbare metalen tandwielen, regenplassen en glimmende klinknagels, vogelperspectief op een nachtelijke stad met trams en verlichte fonteinen; winderige, dramatische sfeer: fonkelende glasscherven vallen, wijzers stoppen in een lichtflits, fijne stof- en stoomdeeltjes rond de personages; grafische stijl: klare lijnen, verzadigde nachtelijke kleuren (diepblauw, warm goud, metallic zilver), duidelijke schaduwen en leesbare expressies, magische maar kindvriendelijke sfeer. meld een probleem met deze afbeelding

1. De fontein die fluistert

De stad rook naar natte stoeptegels en warme wafels. Trams rinkelden als zilveren belletjes langs affiches van popconcerten, en ergens in een portiek speelde een radio een liedje dat bleef hangen, alsof het niet wist wanneer het moest stoppen. Het was 1986, zeiden de volwassenen, alsof dat een soort toverspreuk was.

Mira was elf en liep met haar handen diep in de zakken van haar spijkerjasje. Ze was klein, maar ze viel toch op, omdat ze altijd keek alsof ze luisterde naar iets dat anderen niet hoorden. En eerlijk gezegd: dat deed ze ook.

Op het Plein van de Zeven Fonteinen stond de Orakelbron, de grootste en oudst glanzende van allemaal. Het water kwam niet uit een pijp, maar uit een stenen mond die leek te glimlachen. De fontein sprak niet hardop. Hij sprak in zinnen die in je hoofd oplichtten, zoals neonletters in de regen.

Mira bukte, liet haar vingers door het koele water glijden en hoorde de fluistering meteen.

“De klok loopt scheef,” zei de fontein in haar gedachten. “Twee werelden schuren. Zet hem recht, Kind van Tussenin.”

“Welke klok?” mompelde Mira. Ze keek om zich heen. Mensen liepen voorbij met boodschappentassen. Een jongen op rolschaatsen slalomde tussen duiven. Niemand keek naar haar. Niemand keek naar de fontein, behalve de toeristen met hun wegwerpcamera's.

De fontein gaf geen uitleg. Alleen een beeld: een grote klok, hoog in de lucht, met wijzers die elkaar bijna raakten—en dan, met een schok, er net naast schoten. Een tik die niet paste. Een seconde die stiekem ergens werd gestolen.

Mira voelde een rilling in haar nek. Ze had al vaker vreemde dingen gezien: katten die een hoek om liepen en in een andere straat tevoorschijn kwamen, alsof de stad geheime gangen had. Een verkeerslicht dat even paars werd als niemand keek. Maar dit voelde groter, alsof de stad zelf haar adem inhield.

“Hoe dan?” vroeg ze zacht.

In het water verschenen korte rimpels, alsof iemand met een onzichtbare vinger tikte: één, twee, drie. Toen: een sleutel, zwart als middernacht, met een tand die leek op een bliksemschicht.

Mira knipperde. “Waar vind ik die?”

“Waar de tijd zich verstopt,” fluisterde de fontein. “Boven de mensen, onder de wolken. En pas op voor het Schijnsel. Het lacht, maar het bijt.”

Ze trok haar hand terug. Aan haar vingertoppen kleefde een druppel die niet viel. Die bleef hangen, rond en helder als glas, en daarin zag ze heel even haar eigen gezicht—maar met ogen die een beetje licht gaven.

“Oké,” zei Mira, tegen niemand in het bijzonder. “Oké dan.”

2. De wachters van het metrostation

De ingang van Metro Lijn 3 lag als een donkere mond in de stoep. Boven de trap knipperde een bord: “CENTRUM — 2 min.” Het knipperde een fractie te langzaam, vond Mira. Alsof het bord zich verveelde.

Ben, haar buurjongen van twaalf, stond al te wachten met zijn rug tegen een automaat vol kauwgomballen. Hij had een plastic tasje met cassettebandjes bij zich, alsof je daarmee elke missie aankon.

“Je bent laat,” zei hij.

“De fontein had… nieuws,” zei Mira.

Ben trok zijn wenkbrauwen op. “De fontein heeft altijd nieuws. Meestal is het: ‘Koop geen goedkope friet.'”

Mira glimlachte, maar het bleef klein. “Dit is anders. De klok in de stad—die van twee werelden—loopt scheef. En ik moet hem gelijk zetten.”

Ben floot zacht. “Dat klinkt als iets waar je minstens een zak chips voor nodig hebt.”

Ze begonnen de trap af te dalen. De lucht werd kouder en rook naar metaal en oude regenjassen. Op het perron stond een man in een te groot uniform, alsof hij het had geleend van iemand die breder was. Zijn pet bedekte zijn ogen. In zijn hand hield hij een stempel, maar er was geen loket.

Toen Mira langs wilde lopen, tikte de man met zijn stempel op de grond. Tok. De klank sloeg door de tunnel als een druppel in een put.

“Kaartjes,” bromde hij.

Ben haalde zijn metrokaart tevoorschijn. Mira deed hetzelfde. Toch stapte de man voor haar, alsof er iets aan haar hand bleef hangen dat hij kon ruiken.

“Jij,” zei hij, en zijn stem klonk alsof hij van papier was. “Jij draagt tijd.”

Mira slikte. “Ik draag een horloge,” zei ze, en ze hield haar pols omhoog. Het was een gewoon horloge met een rood bandje.

De man lachte niet. “Niet dat soort tijd. De andere.”

Ben schoof dichterbij. “Ze draagt ook een broodtrommel, meneer.”

De man tilde langzaam zijn hoofd op. Onder de pet zaten geen ogen, maar twee donkere, glanzende muntjes. Op elk muntje stond een wijzerplaat.

“De Schijnsel-illusie verspreidt zich,” zei hij. “Mensen zullen vergeten wat echt is. Ze zullen lachen terwijl ze verdwalen.”

Mira's hart bonsde. “Hoe kom ik bij… waar de tijd zich verstopt?”

De man wees met zijn stempel naar het tunnelplafond, alsof hij door beton heen kon kijken. “Naar de Klokkentoren van de Oude Post. Boven de stad. Maar pas op: de Schijnsel houdt van spiegels.”

De metro kwam aan met een windvlaag. De deuren gingen open met een zucht.

“Dank u,” zei Mira snel.

“Dank je,” verbeterde Ben automatisch, en trok haar mee de wagon in.

Toen de metro optrok, zag Mira in het raam een reflectie van zichzelf—en heel even, achter haar, een glimlach die niet bij iemand hoorde.

3. De Klokkentoren van de Oude Post

De Oude Post stond tussen moderne kantoorgebouwen alsof hij er expres niet bij wilde horen. Zijn stenen waren donker en vol krassen van jaren. Bovenin hing de klok: groot, goudkleurig, met wijzers die net iets te lang leken. De wijzerplaat keek uit over de stad als een slapend oog.

Mira en Ben stonden aan de overkant van de straat, tussen fietsrekken en een kiosk die kranten verkocht.

“Hoe komen we naar binnen?” vroeg Ben. “We zijn geen postbodes.”

Mira keek naar de draaideur. Die draaide heel langzaam, hoewel niemand hem duwde. Alsof de deur al wist dat ze zouden komen.

Ze staken over. De straatlichten begonnen net aan te springen, één voor één, zoals sterren die besloten dat het avond werd.

Binnen rook het naar stof en inkt. De hal was leeg, behalve een oude man die op een kruk zat met een krant voor zijn gezicht. De krant bewoog niet.

Mira liep voorzichtig dichterbij. “Meneer?”

De krant zakte een centimeter. Achter het papier zat geen gezicht, alleen een witte leegte, alsof iemand vergeten was hem in te vullen.

“Geen bezoekers,” zei de lege stem. “De tijd is gesloten.”

Ben fluisterde: “Ik wist het. Altijd weer die ‘geen bezoekers'.”

Mira haalde diep adem. Ze voelde de druppel van de fontein nog steeds ergens in haar hand, ook al was hij allang weg. “Ik moet de klok gelijkzetten. Twee werelden raken in de war.”

De lege man tikte met zijn vinger tegen de krant. “Dat is niet jouw taak. Dat is van de Grote Mensen.”

Mira voelde haar wangen warm worden. “De Grote Mensen zien het niet. Ze kijken alleen naar hun agenda's. Ik… ik hoor de fonteinen. Ze hebben mij gestuurd.”

Een stilte. Zelfs het gezoem van de tl-lampen leek even te stoppen.

Toen schoof de man van zijn kruk. Hij was kleiner dan Mira had verwacht. Hij stak een hand uit. In zijn handpalm lag een sleutel, zwart als middernacht, met een tand als een bliksemschicht.

“Als je liegt, val je tussen de seconden,” zei hij.

“Ik lieg niet,” zei Mira.

Ben stak twee vingers op. “Ik kan getuigen. Ze liegt meestal alleen over huiswerk.”

Mira gaf hem een elleboogstoot.

De man legde de sleutel in Mira's hand. Hij voelde warm, alsof hij net uit een zak was gehaald die tegen een hart had gezeten.

“Boven,” zei hij. “Maar de Schijnsel is al daar. Het maakt de trap langer. Het laat je denken dat je bijna bent waar je moet zijn… en dan ben je toch weer beneden.”

Mira knikte. “Hoe versla ik een illusie?”

De man wees naar Mira's borst, precies tussen haar ribben. “Met iets dat niet doet alsof.”

Ben keek haar aan. “Dat is een beetje vaag, vriend.”

“Magie is vaak vaag,” zei de man droog. “Tot je erdoor struikelt.”

Ze vonden de trap achter een deur waar “ALLEEN PERSONEEL” op stond. De deur stond al op een kier, alsof iemand hem uitnodigend had achtergelaten.

De trap ging omhoog, rond en rond, en elke trede klonk anders: soms steen, soms hout, soms alsof je op een lege blikjesstapel stapte.

Na een paar minuten zei Ben: “We lopen al eeuwen.”

Mira keek naar beneden. De trap achter hen was… ook omhoog. Alsof ze in een cirkel liepen die zich voordoet als een spiraal.

“Dit is het,” fluisterde ze. “De Schijnsel.”

Toen hoorde ze lachen. Niet hard, maar helder en vrolijk, als een kinderprogramma op tv. Het kwam van boven, van onder, uit de muren.

“Bijna daar!” zong een stem. “Nog één trapje! Nog één!”

Ben's ogen werden groot. “Ik haat nog-één-trapje-stemmen.”

Mira hield de sleutel strak vast. “We moeten iets doen dat echt is,” zei ze, en haar stem trilde. “Iets dat niet verandert als je het anders bekijkt.”

Ben keek om zich heen. “Zoals…?”

Mira dacht aan de fontein. Aan water dat altijd water bleef, zelfs als het de lucht weerspiegelde. Ze sloot haar ogen en stelde zich het geluid voor van de Orakelbron: het zachte klateren dat nooit loog.

Toen begon ze te neuriën. Een simpel deuntje dat haar moeder soms neuriede bij het afwassen. Niet magisch, niet bijzonder, maar echt. Het vulde de trap met iets dat van haar was, niet van de Schijnsel.

Ben viel in, een beetje vals. “Dit is ongemakkelijk,” fluisterde hij terwijl hij neuriede.

De lach in de muren hapte even, alsof hij zich verslikte.

De trap schokte. Het geluid van treden werd weer steen. De lucht rook plots naar koude nacht in plaats van naar televisie.

Mira opende haar ogen. Voor hen was een deur die er eerder niet was geweest, met een slot in de vorm van een bliksemschicht.

“Dat moet 'm zijn,” zei Ben.

Mira stak de sleutel erin. Het slot klikte alsof het opgelucht was.

4. Het Schijnsel op de wijzerplaat

Buiten op het platform van de toren sloeg de wind tegen Mira's gezicht. De stad lag onder hen als een zee van lichtjes. Auto's trokken strepen over natte straten. De fonteinen glansden als verspreide manen.

De klok hing vlakbij, zo groot dat Mira er duizelig van werd. De wijzers bewogen, maar niet ritmisch. Ze schokten, aarzelden, schoten ineens vooruit. Elke keer dat ze elkaar bijna raakten, gleed er een flinter van licht tussen, als een mes.

En daar, op de rand van de wijzerplaat, zat het Schijnsel.

Het was geen monster met klauwen. Het leek op een meisje van ongeveer Mira's leeftijd, met een glimlach die te veel tanden had. Haar haren waren van zilverpapier. In haar handen hield ze een kleine spiegel, en in die spiegel dansten de stadslichten.

“Hallo,” zei het Schijnsel vrolijk. “Wat leuk dat je er bent. Je bent bijna te laat.”

Mira voelde Ben naast haar verstijven. “Dat ding is… blij,” fluisterde hij. “Dat is verdacht.”

Het Schijnsel sprong lichtvoetig van de rand af, alsof zwaartekracht alleen een suggestie was. “Jij wilt de klok gelijkzetten,” zei ze. “Maar waarom? Het is toch heerlijk als alles een beetje… zweeft? Als niemand precies weet wat waar is?”

Mira slikte. “Omdat mensen verdwalen.”

“Verdwalen is avontuur,” zei het Schijnsel, en ze zwaaide met de spiegel. In het glas zag Mira plots haar moeder, die in de keuken stond en riep: “Mira! Kom binnen! Het wordt laat!” Het klonk zo echt dat Mira bijna omdraaide.

Ben pakte haar mouw. “Dat is niet echt,” zei hij snel. Zijn stem kraakte, maar hij liet niet los.

Het Schijnsel lachte. “Oh, maar het voelt echt. Dat is toch genoeg?”

Mira keek naar de klok. Ze zag het flinterlicht tussen de wijzers: de plek waar de twee werelden elkaar verkeerd raakten. De stad had een gewone wereld, met trams en huiswerk en cassettebandjes. En een andere, met fonteinen die spreken en tunnels die naar nergens leiden. Normaal lagen die werelden als twee handen netjes naast elkaar. Nu probeerden ze elkaars vingers te stelen.

“Je bent een illusie,” zei Mira, en ze probeerde haar stem stevig te maken. “Je doet alsof je iets goeds bent.”

Het Schijnsel kneep haar ogen samen, nog steeds glimlachend. “En jij doet alsof je dapper bent.”

Dat raakte. Mira voelde haar maag samenknijpen. Ze was niet dapper. Ze was vaak bang. Ze werd bang van donker en van harde stemmen en van het idee dat iedereen iets wist wat zij niet wist.

Maar ze stond hier wel. Met koude wind in haar haar. Met een sleutel in haar zak. Met Ben naast haar, die waarschijnlijk liever thuis games speelde op zijn oude computer.

“Misschien doe ik alsof,” zei Mira zacht. “Maar ik ben hier toch.”

Het Schijnsel stapte dichterbij. “Geef mij de sleutel. Dan maak ik alles makkelijk. Geen moeilijke keuzes. Geen echte pijn. Alleen mooie beelden. Iedereen zal glimlachen.”

Mira keek naar Ben. Hij schudde zijn hoofd, klein maar fel.

Ze dacht aan de fontein: “Met iets dat niet doet alsof.” Wat was dat? Geen stoere spreuk. Geen zwaard. Geen groot plan.

Ze dacht aan waarheid. Aan het simpele, saaie soort waarheid: dat je hart bonst als je bang bent. Dat je knieën trillen. Dat je toch een stap zet.

Mira haalde de sleutel tevoorschijn en hield hem omhoog. Het metaal ving het maanlicht. “Ik ben bang,” zei ze hardop. Haar stem waaide bijna weg, maar ze zei het toch. “En ik doe het alsnog.”

Het Schijnsel knipperde. Voor het eerst wiebelde haar glimlach.

Mira stak de sleutel in een klein, bijna onzichtbaar slot aan de basis van de wijzerplaat. Ze had het slot niet eerder gezien, maar haar vingers vonden het alsof ze het altijd al hadden gekend.

“Niet doen!” riep het Schijnsel, en haar vrolijkheid scheurde open, waardoor er iets hards onderuit kwam. “Als je de werelden rechtzet, word ik kleiner! Ik word… niets!”

Ben riep: “Dat klinkt eerlijk gezegd als een goed plan!”

Het Schijnsel zwaaide met de spiegel. Het beeld van Mira's moeder veranderde in Mira zelf, ouder, met een strak gezicht, die zei: “Je gaat dit verpesten. Iedereen zal het weten.” Het prikte als een naald.

Mira's hand trilde op de sleutel. Ze voelde de schaamte opkomen, warm en zwaar.

Toen hoorde ze, heel zacht, onder alles door: water. Niet echt water hier boven, maar een herinnering eraan. Het klateren van de Orakelbron. Geduldig. Waar.

Mira draaide de sleutel.

De klok gaf een diepe, bronzen zucht. De wijzers schokten—en vielen toen in een strak ritme. Tik. Tak. Tik. Tak. Alsof de stad eindelijk weer op twee voeten stond.

Een lichtstraal gleed over de wijzerplaat. Het flintermes tussen de werelden smolt weg als suiker in thee.

Het Schijnsel krijste niet. Het werd stil, alsof iemand het geluid uit een tv draaide. De spiegel in haar handen barstte in duizend kleine sterren die naar beneden dwarrelden en onderweg doofden.

Het Schijnsel zelf werd dunner, doorzichtiger. Ze keek Mira aan, ineens zonder tanden, gewoon een verdrietige vorm.

“Maar… het was zo mooi,” fluisterde ze.

Mira voelde haar keel prikken. “Mooi kan echt zijn,” zei ze. “Maar niet als je mensen laat vallen.”

Het Schijnsel knikte, heel klein, en waaide weg, alsof het altijd al lucht was geweest.

5. De twee werelden in pas

De wind werd zachter. Ben liet pas nu zijn adem los, alsof hij hem al die tijd had vastgehouden.

“Je hebt het gedaan,” zei hij. “Je hebt… de stad gereset. Zonder afstandsbediening.”

Mira lachte schor. “Ik denk het.”

Onder hen leek de stad helderder, maar niet schreeuwerig. De lichten glansden als verhalen die je kon vertrouwen. In de verte zag Mira een fontein oplichten, precies op het moment dat een tram voorbij reed. Het was alsof ze elkaar groetten.

Ben keek naar de klok. “Wat gebeurt er nu met jou? Ben jij nu… de Klokkenbaas?”

Mira voelde aan haar pols. Haar horloge tikte rustig. Voor het eerst in dagen—misschien weken—voelde haar hoofd niet alsof er mist in zat.

“Ik ben gewoon Mira,” zei ze. “Alleen… iemand die luistert.”

Ze liepen de trap af. Dit keer bleef elke trede hetzelfde. Ben neuriede weer dat deuntje, expres extra vals. Mira duwde hem, en hij deed alsof hij bijna omviel.

In de hal beneden zat de oude man met de krant weer op zijn kruk. Toen ze langs liepen, tilde hij de krant een beetje op. Nu had hij wél een gezicht: rimpels als kaartlijnen en ogen die eruitzagen alsof ze veel hadden gezien zonder er moe van te worden.

“Je bent terug,” zei hij. “In de juiste seconden.”

Mira knikte. “De klok loopt weer goed.”

De man knikte ook, alsof hij dat al wist. “Courage,” zei hij in een taal die net niet Nederlands was, maar Mira begreep het toch. “Dat is het uurwerk van het hart.”

Ben kuchte. “Wij zeggen gewoon ‘moed', meneer.”

De man glimlachte. “Ook goed.”

Buiten was het donker, maar niet dreigend. De stad ademde. Mira en Ben liepen terug naar het Plein van de Zeven Fonteinen. De Orakelbron klaterde, helder als glaswerk.

Mira boog zich voorover en raakte het water aan. Dit keer bleef er geen druppel aan haar vingers hangen. Er hoefde niets te blijven hangen. Alles stroomde weer.

“Dank je,” fluisterde ze.

De fontein antwoordde met een gedachte die aanvoelde als een warme sjaal: “Je hebt de illusie gezien en toch gekozen. Dat is dapperder dan zwaarden.”

Ben gooide een muntje in de fontein. “Zeg eens,” zei hij. “Krijgen we nu een beloning? Zoals… eeuwige gratis friet?”

De fontein maakte een vrolijk spettergeluid. In Mira's hoofd verscheen een beeld: Ben die op een dag wél zijn huiswerk maakt. Mira schoot in de lach.

“Dat is gemeen,” zei Ben, maar hij lachte mee.

Ze liepen verder door straten waar neonreclames zoemden en ergens een telefooncel rinkelend wachtte op een gesprek. Mira voelde de twee werelden naast elkaar lopen als vrienden, niet als ruziezoekers. De magie was er nog steeds—veilig, als een lampje in een steeg.

Toen Mira thuis de deur opendeed, rook ze tomatensoep. Haar moeder keek op van de pan.

“Daar ben je,” zei ze. “Was het leuk buiten?”

Mira dacht aan de toren, aan het Schijnsel, aan haar trillende hand op de sleutel. Ze dacht aan hoe bang ze was geweest. En aan hoe ze toch had gedraaid.

“Ja,” zei ze. “Best wel.”

Ze ging aan tafel zitten. Buiten tikte ergens een klok precies op tijd. En in de stad, tussen trams en fonteinen, liep de nacht verder—mysterieuze, poëtische, vertrouwde nacht—alsof hij wist dat Mira luisterde.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Orakelbron
Een oude fontein die lijkt antwoorden of geheimen te geven aan mensen
Fontein
Een schaal of bak waar water uit stroomt in een plein of tuin
Fluistering
Heel zacht geluid of woorden die bijna niet hoorbaar zijn
Portiek
Overdekte ingang van een gebouw waar je binnenkomt
Rimpels
Kleine lijnen of vouwen in iets, zoals water of stof
Schijnsel
Een licht of beeld dat misleidend of niet helemaal echt lijkt
Schijnsel-illusie
Een vals beeld of lichtshow die mensen laat geloven wat niet waar is
Wijzerplaat
De ronde plaat van een klok waar de uur- en minutenwijzers op staan
Klokkentoren
Een hoge toren met een grote klok boven in het gebouw
Spiraal
Iets dat in een ronding draait als een slak of wenteltrap

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Onderwerpen gerelateerd aan dit verhaal:

vriendschap moed magisch mysterie angst stad held fontein

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Te lezen daarna in Stedelijke Fantasy (Urban fantasy) voor 11/12 jaar

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.