Mats, Bo en Kian waren bijna drie. Ze zaten in de speelzaal met een kleed vol blokken. Buiten scheen de zon. Binnen rook het naar appel en krijt.
“Zullen we een missie doen?” zei Mats. Zijn ogen glinsterden.
“Ja!” riep Bo. Hij klapte in zijn handen.
Kian rolde rustig dichterbij met zijn rolstoel en zei: “Een missie met grapjes.”
Op de muur hing een groot vel papier met een tekening van een kasteel. Juf Noor had eronder geschreven: DE DRIE ONMOGELIJKE PROEVEN.
Bo las het hardop, heel langzaam: “On… mo… ge… lijk.”
Mats grinnikte. “Dat betekent: kan niet!”
Kian trok een gek gezicht. “Dan doen we het toch.”
Juf Noor kwam erbij staan. “Op het kasteel wonen drie kleine draken,” zei ze. “Ze houden van slimme kinderen. Maar ze zetten ‘onmogelijke' proefjes neer. Wie durft?”
“Wij!” riepen ze samen.
Juf Noor wees naar een tafel. Daar lag een berg zachte sjaals, een mand met ballen en een grote, lege doos.
“Proef één,” zei ze. “De Stiltebel. Je moet een bel maken die stil is. Een bel die niet klinkt. Onmogelijk!”
Bo keek meteen naar zijn mond. “Mijn mond kan ook bel zijn.”
Mats fluisterde: “Ssst.” En toen begon hij te giechelen, want fluisteren kietelde.
Kian pakte een zachte sjaal, heel blauw, alsof de lucht op de grond lag. Hij deed hem voorzichtig over de mand met ballen.
“Wat doe jij?” vroeg Bo.
“Een stilte-deken,” zei Kian. “Als de ballen onder de sjaal liggen, horen we niks. Stiltebel!”
Mats vond het een goed idee. Hij deed nog een sjaal erbovenop. “Dubbel stil!”
Juf Noor hield haar oor erbij. Bo tikte zachtjes tegen de mand. Er klonk bijna niets.
Bo keek streng. “Stilte!” fluisterde hij tegen de mand.
Toen zei Mats: “Hallo, onbekende stilte!” En hij glimlachte naar de stille mand, alsof het een nieuw vriendje was dat nog geen woord kende.
Kian knikte. “Hij is verlegen.”
Juf Noor klapte zacht. “Proef één gelukt. Jullie hebben stilte gevangen met stof. Slim!”
Op de grond stond nu een grote kring van tape. In de kring lag een speelgoedkoekje.
“Proef twee,” zei juf Noor. “Het Koekje Zonder Handen. Je mag het koekje pakken, maar je handen moeten op je hoofd blijven. Onmogelijk!”
Bo zette meteen zijn handen op zijn hoofd. “Ik ben een rendier,” zei hij, en hij maakte twee ‘geweien' met zijn vingers.
Mats deed ook handen op zijn hoofd. “Ik ben een raar konijn.”
Kian zette zijn handen op zijn hoofd en zei: “Ik ben een denk-draak.”
Ze staarden naar het koekje. Het lag daar heel rustig, alsof het op vakantie was.
Bo boog voorover. Zijn neus kwam dichtbij. “Ik kan het met mijn neus duwen!”
Hij duwde. Het koekje schoof een klein stukje. Toen schoof het terug. Bo keek verbaasd. “Het koekje rolt terug! Het is een stuiter-koek!”
Mats proestte. “Misschien is het een glibber-koek.”
Kian keek naar de grote doos op de tafel. “We kunnen de doos gebruiken,” zei hij. “Als een tunnel.”
Mats en Bo stapten naar de doos met hun handen nog steeds op hun hoofd. Dat was lastig. Mats liep als een pinguïn, heel wiebelig.
“Waddle-waddle,” zei Bo. “Pinguïn-missie!”
Ze zetten de doos bij de tape-kring. Kian rolde een beetje naar voren en stuurde de doos precies goed. Toen lagen ze met hun gezichten bij de doosopening.
“Nu blazen!” fluisterde Mats.
“Blazen?” zei Bo.
“Ja,” zei Kian. “Adem is geen hand.”
Ze haalden diep adem. “Ffffff!” bliezen ze tegelijk. Het koekje schoof zachtjes de doos in, als een bootje in een tunnel.
Bo's ogen werden groot. “Het koekje luistert naar wind!”
Mats blies nog een keer. “Ffffff!” Het koekje kwam aan de andere kant uit de doos, recht naar Bo toe.
Bo maakte zijn mond open en ving het koekje bijna. Bijna! Het koekje tikte tegen zijn kin en viel op het kleed.
Bo lachte zo hard dat zijn ‘rendier-handen' wiebelden. “Ik heb een koekje-kin!”
Kian zei rustig: “Nog een keer. Slim en zacht.”
Ze bliezen weer, heel voorzichtig. Het koekje schoof, schoof, en toen… plop! In Bo's mond.
Bo kauwde trots. “Onmogelijk? Makkelijk!”
Juf Noor lachte. “Proef twee gelukt. Windkracht drie!”
Toen wees ze naar het raam. Daar stond een grote plant met ronde blaadjes. Naast de plant lag een klein kaartje met een tekening van een draak die zijn schoenen kwijt was.
“Proef drie,” zei juf Noor. “De Verdwaalde Sokken. In deze kamer zijn drie sokken verstopt. Ze zijn ‘verdwaald'. Jullie moeten ze vinden en ze laten lachen. Onmogelijk!”
Mats keek onder een kussen. “Sok, sok, waar ben jij?”
Bo keek in een blokkenbak. “Misschien verstopt hij zich tussen de rode blokken.”
Kian keek naar de plant. “Planten hebben geheimen,” zei hij.
Mats vond eerst een sok in een speelgoedpan. Hij hield hem omhoog. “Ik heb er één!”
Bo vond een sok in een poppenbed. “Ik ook!”
Maar de derde sok was nergens. Ze keken elkaar aan. Even was het stil. Maar niet een enge stil. Meer een denk-stil.
Mats zei: “Misschien is de sok heel klein.”
Bo zei: “Misschien is de sok een banaan geworden.”
Kian keek weer naar de plant. Hij rolde ernaartoe en bukte. “Aha,” zei hij. “Daar is hij. Achter de pot. Hij doet alsof hij een wortel is.”
Mats en Bo kwamen erbij. De sok was groen en had stippen.
“Nu moet hij lachen,” zei Bo. “Hoe laat je een sok lachen?”
Mats zette de sok op zijn hand als een pop. “Hallo, ik ben Sok!” zei hij met een gek stemmetje. “Ik hou van… kaas op mijn neus!”
Bo deed zijn sok ook aan als pop. “Ik ben Sok Twee,” zei hij. “Ik dans de sokkendans!” En hij liet de sok springen.
Kian deed zijn sok aan en zei: “Ik ben Sok Drie. Ik lach in drie stukjes: ha—ha—ha.”
En toen deden ze het samen. “Ha—ha—ha!” De sokken dansten, sprongen en buigden. Mats liet zijn sok per ongeluk niezen. “Hatsjoe!”
Bo gierde. “Een nies-sok!”
Juf Noor klapte vrolijk. “De draken zouden nu heel blij zijn. Jullie hebben drie onmogelijke proeven gedaan.”
Mats keek weer naar de muurtekening van het kasteel. “Draken!” zei hij. “Zeggen ze ook ‘goed gedaan'?”
Juf Noor knikte. “Ik hoorde net een draak fluisteren: ‘Wat zijn jullie vindingrijk.'”
Kian glimlachte. “Vindingrijk. Dat is een mooi woord.”
Bo aaide zijn sokpop. “Wij vinden dingen. Zelfs sokken.”
Mats keek rond. De kamer voelde warm en veilig. De sjaals lagen als zachte wolken. De doos stond als een tunnelboot. De sokken lagen te grinniken op het kleed.
“Zullen we nog een missie?” vroeg Bo.
“Later,” zei Kian. “Eerst even rustig.”
Ze gingen naast elkaar zitten. Mats glimlachte nog een keer naar de stille mand, alsof de onbekende stilte nu een bekende vriend was.
Juf Noor gaf hen drie kleine stickers: een draak, een koekje en een sok.
“Voor slimme doeners,” zei ze.
En zo eindigde de dag met zachte lachjes, slimme vondsten en een heel tevreden gevoel in drie bijna-driejarige buikjes.