De dierenarts en het zachte veld
Meneer Bram is dierenarts. Dat betekent: hij helpt dieren beter te worden. Hij draagt een blauwe jas en heeft een tas met spullen. In zijn tas zitten een stethoscoop om te luisteren, een klein lampje om goed te kijken, zachte verbandjes en een flesje met schone spray.
Vanavond is het rustig buiten. De lucht is lichtroze. Meneer Bram hoort vogeltjes heel zacht zingen.
“Kom,” zegt Meneer Bram tegen zichzelf. “Er is een kudde schapen in het veld. Ik ga even kijken.”
Hij loopt het pad op en stapt het gras in. Het gras kriebelt een beetje langs zijn schoenen. Links ziet hij gele bloemen. Rechts ziet hij een sloot met stil water.
Meneer Bram loopt rustig, stap voor stap. Hij kijkt goed om zich heen. Hij houdt van dieren. Hij helpt ze met zachte handen en een warm hart.
In de verte ziet hij witte bolletjes: schapen! Ze staan bij elkaar, dicht bij elkaar. Dat is fijn, want schapen houden van samen.
Bij de schapen
Als Meneer Bram dichterbij komt, hoort hij “bèè… bèè…” heel rustig. De herder staat erbij en zwaait.
“Goedenavond, Bram,” zegt de herder. “Ik denk dat één schaap niet lekker loopt.”
“Dat gaan we vriendelijk bekijken,” zegt Meneer Bram. “We doen het rustig.”
Hij gaat door zijn knieën, heel laag, zodat hij niet groot en spannend lijkt. “Hallo, schaapje,” zegt hij zacht. “Ik ben Bram. Ik kom helpen.”
Het schaap kijkt met grote ogen. Het is niet bang. Meneer Bram praat rustig door. “We gaan samen kijken. Jij hoeft niets te doen. Ik doe het werk.”
Hij voelt heel voorzichtig aan het pootje. “Zachtjes,” fluistert hij. Het schaap staat stil.
Meneer Bram pakt zijn lampje. Hij schijnt even op de hoef. “Aha,” zegt hij. “Er zit een klein steentje vast. Dat prikt.”
De herder knikt. “O, arm schaap.”
“Geen zorgen,” zegt Meneer Bram. “Dat lossen we op.”
Met een klein pincet uit zijn tas haalt hij het steentje eruit. Hij telt zacht: “Eén… twee… en… klaar.” Het steentje plopt weg.
Daarna maakt hij de hoef schoon met de schone spray. “Sssst,” doet de spray, heel zacht. Meneer Bram doet er een klein verbandje omheen, als een sokje.
“Zo,” zegt hij. “Nu kan het weer fijn lopen.”
Het schaap zet één stap, dan nog één. “Bèè!” klinkt het blij.
Meneer Bram lacht. “Goed zo. En weet je,” zegt hij tegen het schaap, “ik luister ook altijd even.”
Hij zet de stethoscoop op de borst van het schaap. “Ik hoor een rustig hartje,” zegt hij. “Tik-tik, tik-tik. Dat is mooi.”
De herder glimlacht. “Je bent echt zacht en slim, Bram.”
“Dank je,” zegt Meneer Bram. “Dieren helpen is zorgen. Kijken, luisteren, en lief zijn.”
Terug naar huis, stil tot de ochtend
De zon zakt lager. De schapen gaan dichter bij elkaar staan, warm en rustig. Meneer Bram zwaait. “Slaap maar lekker, schapen. Blijf samen.”
Hij loopt terug door het veld. Het gras ruist een beetje. De lucht wordt donkerblauw. Meneer Bram voelt zich blij, want het schaapje kan weer lopen.
Bij zijn huis doet hij de deur open. Binnen is het warm. Hij zet zijn tas neer en hangt zijn jas op.
In de gang hangt een klein belletje aan de deur. Als iemand komt, kan het rinkelen: kling-kling. Maar nu is het avond. Meneer Bram legt een vinger op het belletje.
“Rust,” fluistert hij. “Nu slapen we. Dieren slapen, mensen slapen. Morgen help ik weer.”
Hij gaat in zijn stoel zitten, drinkt een slokje water en denkt aan de zachte wol van de schapen. Dan doet hij het licht uit.
Het belletje blijft stil. Het blijft muet, stil en rustig, tot de ochtend.