Bezig met laden...
Cowboyverhaal 7/8 jaar Lezen 24 min.

Bram Teunissen en het trailjournaal van waardigheid

Een rustige cowboy genaamd Bram reist met zijn paard Knipoog om een oud trailjournal te lezen en leert onderweg over waardigheid door anderen met respect te behandelen. Onderweg ontmoet hij de handelaar Silas en samen ontdekken ze hoe hulp en eerlijkheid belangrijker zijn dan winst.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Bram is een volwassen man, kalm en waardig, serein gezicht met korte baard, laag gedragen bruine cowboyhoed, versleten leren jas en rood sjaaltje; hij knielt bij een vastgelopen kar, bindt een stevige touw en legt een platte steen onder het wiel. Een volwassen vrouw (moeder), opgelucht kijkend met glanzende ogen en gevlochten haar, stoffige eenvoudige jurk, duwt van achteren aan de kar en staat links. Een jongen van circa 8 jaar, kort haar en geruit hemd, draagt een kleine aardewerken kruik en staat voor de kar bij de wielen. Een meisje van circa 6 jaar, blauwe jurk en staartjes, reikt een steen aan Bram en staat rechts dicht bij de grond. Silas, een volwassen man met een lichte snor en ietwat glanzend jasje, staat wat opzij rechts en kijkt bedachtzaam toe. Plaats: droog zandriviertje met vergeelde salie en enkele magere wilgen en platte keien; een omgevallen houten kist met potten en opwaaiend stof; late namiddaglicht met warme oranje tinten en lange schaduwen. Hoofdscène: teder, concreet samenwerkend moment waarbij ze de kar uit het slijk trekken door stenen als tredes te leggen en zacht te trekken aan het touw, warme sfeer en precieze gebaren, focus op knopen en opkomende wielen. Visuele stijl: acrylschildering met textuurrijke penseelstreken, verzadigde kleuren, zachte contrasten, duidelijke lijnen en eenvoudige vormen voor een kinderlijke maar gedetailleerde uitstraling. meld een probleem met deze afbeelding

Hoofdstuk 1

In het Westen was de lucht groot en blauw, alsof iemand een reusachtige deken boven de wereld had gespannen. De zon hing hoog en warm. Het gras ritselde droog en geel, en in de verte lagen rotsen als slapende reuzen. Over een stoffig pad reed Bram Teunissen, een volwassen cowboy met een rustige blik en een hoed die hij altijd net iets te laag droeg tegen de zon.

Bram was niet het type dat zomaar ergens op af stormde. Hij keek eerst, luisterde dan, en pas daarna deed hij iets. “Voorzichtig is ook dapper,” zei hij vaak, al zei hij het meestal alleen tegen zijn paard.

Zijn paard heette Knipoog. Dat kwam omdat Knipoog soms met één oog half dicht kneep, alsof hij altijd een geheim grapje wist. Zijn staart zwiepte lui heen en weer, maar zijn oren stonden scherp. In het zadel had Bram een waterzak, een stuk brood, een klein touw, en in zijn jaszak zat iets wat hij niet kwijt wilde raken: een halve kaart, gescheurd en vlekkerig.

Bram had een doel. Geen goud, geen wedstrijd, geen stoere schietpartij. Hij wilde een journal lezen—een oud sporenjournaal, een “trail journal” dat ooit van een verkenner was geweest. In dat journal zou staan waar veilige waterplekken waren, welke passen niet instortten, en vooral: hoe je met waardigheid door het wilde land kon trekken zonder anderen te klein te maken.

Hij had al weken stukjes en beetjes gehoord. Een koetsier in Dry Creek had gefluisterd dat het journal was gezien bij de posthalte van Coyote Bend. Een oude ranchvrouw had gezegd dat het misschien in handen was van een rondreizende handelaar met een snor als een bezem. Bram luisterde, knikte beleefd, en stelde vragen zonder te duwen. Dat was zijn manier. Digniteit begon met hoe je met mensen omging.

Toen hij Coyote Bend naderde, rook hij houtrook en koffie. De posthalte was een lage houten building met een krakende veranda. Er stond een waterton buiten, en een hond die deed alsof hij sliep maar toch alles hoorde.

Binnen was het koel. De vloer kraakte onder Bram zijn laarzen. Achter de toonbank stond meneer Phelps, de postmeester, met ronde wangen en een gezicht dat altijd leek te twijfelen tussen een glimlach en een zucht.

“Je bent laat, Bram,” zei hij, zonder boos te klinken.

“De wind was eigenwijs,” antwoordde Bram. “En Knipoog wilde onderweg elk steentje begroeten.”

Knipoog deed buiten een zachte hinnik, alsof hij het gesprek begreep.

Meneer Phelps knikte naar een stapel spullen op een tafel. “Er is een handelaar geweest. Hij liet wat rommel achter, zei hij. Touw, spijkers, een kapotte spiegel… En een schrift. Maar hij noemde het geen journal. Hij noemde het ‘een boek vol krassen'.”

Bram voelde zijn hart een sprongetje maken, maar zijn gezicht bleef rustig. “Mag ik het zien?”

De postmeester schoof het schrift naar hem toe. Het was kleiner dan Bram had verwacht, met een leren kaft die zacht aanvoelde van ouderdom. Er zat zand in de randen, en op de voorkant stond een ingedrukte ster, half weg gesleten.

Bram streek er met zijn vingers over. “Dank u,” zei hij. “Ik kijk er voorzichtig in. Als het niet van mij is, breng ik het terug.”

“Dat klinkt als jij,” mompelde meneer Phelps.

Bram opende het schrift een stukje. De letters waren schuin, alsof de schrijver vaak in beweging was geweest. Er stonden tekeningen van rivieren, pijlen, kleine notities. Het rook naar oud leer en kampvuur. Bram wilde meteen doorlezen, maar hij hield zich in. Eerst moest hij zeker weten dat hij dit eerlijk en veilig kon doen.

Toen kraakte de deur. Een man stapte binnen met laarzen die te luid klonken. Hij droeg een jas die te glimmend was voor stof, en zijn snor leek inderdaad op een bezem.

“Daar is mijn boek!” riep de man.

Bram keek op. Zijn ogen bleven rustig. Hij sloot het schrift niet snel, maar legde er zijn hand op alsof hij een wild vogeltje beschermde.

“Is dit van u?” vroeg Bram.

“Ja,” zei de man. “Mijn boek. Mijn krassen. Geef hier.”

Meneer Phelps kuchte. “Je liet het liggen. Je zei dat het rommel was.”

“Nou,” zei de man, “ik vergat dat ik het nodig had.”

Bram voelde de spanning in de lucht, als een touw dat strak stond. Maar hij dacht aan waardigheid. Niet alleen die van hemzelf, ook die van de ander.

“Ik geef het terug als het echt van u is,” zei Bram. “Maar ik wil het graag lezen. Niet om iets van u af te pakken, maar omdat het belangrijk kan zijn voor reizigers.”

De man kneep zijn ogen samen. “En waarom zou ik jou vertrouwen?”

Bram keek hem recht aan. “Omdat ik u niet uitlach, u niet duw, en ik geen spelletjes speel. Ik vraag het netjes.”

De man snoof. Toen grijnsde hij opeens scheef. “Je klinkt als een schoolmeester, cowboy.”

“Dat kan,” zei Bram. “Maar ik blijf liever heel dan stoer.”

Meneer Phelps legde zijn handen op de toonbank. “Jongens, geen gedoe in mijn posthalte.”

De man tikte met zijn vingers op de tafel. “Goed. Lees dan. Maar niet hier. Buiten. En ik ga mee.”

Bram knikte. “Dat is eerlijk.”

Hij stopte het journal voorzichtig in zijn zadeltas, alsof het van glas was. Knipoog schudde zijn manen toen Bram weer buiten kwam. De wind rook naar stof, naar salie, en naar avontuur.

Hoofdstuk 2

Ze reden met z'n drieën: Bram, Knipoog, en de handelaar die zich voorstelde als Silas. Silas had een mager paard met een lange nek, en het dier keek steeds alsof het liever ergens anders was. Silas zelf praatte veel met zijn handen, alsof woorden niet genoeg waren.

Bram had het journal nog niet open gemaakt. Hij wilde eerst een rustige plek. En hij wilde Silas niet het gevoel geven dat hij iets stiekems deed.

Na een uur kwamen ze bij een droge beekbedding waar wilgen stonden te ritselen. Er was schaduw, en er lag een grote platte steen als een tafel. Bram steeg af, gaf de paarden een slok water, en ging toen zitten.

Hij haalde het journal tevoorschijn. Silas ging tegenover hem zitten, armen over elkaar.

“Vooruit dan,” zei Silas. “Lees je krassen.”

Bram glimlachte even. “Ik zal het rustig doen.”

Hij sloeg de eerste pagina's om. Daar stonden korte zinnen: waar je het best kon oversteken, waar de grond drassig werd na regen, en welke heuvels verraderlijk leken maar toch veilig waren als je de juiste kant nam.

Bram las met zijn vinger mee. Hij zag dat de schrijver niet alleen plekken had opgeschreven, maar ook kleine regels voor onderweg. Eén zin sprong eruit: Neem nooit meer dan je nodig hebt, en laat de rest heel.

Bram voelde iets warms in zijn borst. “Dat is mooi,” zei hij zacht.

Silas trok een wenkbrauw op. “Mooi? Het is maar een zin.”

“Een zin kan iemand redden,” zei Bram. “Of iemand helpen om vriendelijk te blijven.”

Hij bladerde verder. Er stonden kaarten, maar ook een lijst met namen: mensen die de schrijver onderweg had ontmoet. Bij elke naam stond iets aardigs, soms iets grappigs. Martha, die lacht als een kachel die aan gaat. Ezekiel, die zijn brood deelt zonder te vragen.

“De schrijver keek goed,” zei Bram. “Hij zag mensen.”

Silas keek weg. Zijn voet tikte ongeduldig tegen een steen. “Waar staat het interessante spul? Waar staat… eh… waar staat de verborgen plek?”

Bram keek op. “Welke verborgen plek?”

Silas' mond viel even open, als een deur die te ver was geduwd. Toen lachte hij te hard. “Grapje. Ik hou van grapjes.”

Bram knikte langzaam. Hij liet zich niet haasten. Hij bladerde door, en vond een pagina met een tekening van een rots die leek op een zittende koe. Ernaast stond: Onder de koe-rok ligt koelte en water. Maar alleen als je de stenen met respect legt.

“Koerok?” mompelde Silas. “Dat klinkt als iets dat ik wil.”

Bram las verder. De schrijver waarschuwde voor een korte kloof die er eng uitzag, maar veilig was als je niet rende. En dan, halverwege een bladzijde, zat er iets tussen de pagina's: een losse, kleine brief, opgevouwen.

Bram wilde hem openmaken, maar Silas stak zijn hand uit. “Dat is vast van mij.”

Bram hield de brief even vast en zei rustig: “We kunnen hem samen openmaken. Dan is het eerlijk.”

Silas' vingers trilden een beetje, maar hij knikte.

Bram vouwde de brief open. Er stond: Als je dit leest, ben je iemand die niet opgeeft. Goed zo. Maar onthoud: waardigheid is niet wat je krijgt. Het is wat je geeft. Zelfs als niemand kijkt.

Bram voelde zich alsof iemand hem een hand op de schouder legde. Silas keek naar de woorden en slikte.

Bram keek op. “Dit is geen kaart naar schatten. Het is een gids om het land én mensen goed te behandelen.”

Silas' gezicht werd rood. “Dat is… dat is stom. Ik dacht—”

“Ik begrijp het,” zei Bram. “Veel mensen denken dat een journal alleen maar een lijst is van plekken om iets te pakken. Maar dit is meer.”

Silas stond op en begon heen en weer te lopen. Zijn paard zuchtte alsof het ook moe werd van Silas.

Toen klonk er een doffe boem in de verte. Geen geweerschot, maar iets als hout dat viel. Daarna nog een. Bram spitste zijn oren. Knipoog deed een korte hinnik.

“Dat klinkt als… een wagen,” zei Bram. “Iets is omgevallen.”

Silas stopte met lopen. “Niet mijn probleem.”

Bram stond al. “Misschien wel. Als iemand hulp nodig heeft, is het ons probleem.”

Silas rolde met zijn ogen, maar hij volgde toch toen Bram naar de rand van de beekbedding liep. Ze zagen stof opwaaien achter een heuveltje. Bram sprong in het zadel. Knipoog zette zich meteen schrap, klaar om te gaan.

Ze reden ernaartoe en vonden een kleine huifkar die schuin in een greppel stond. Een vrouw en twee kinderen probeerden te duwen. De kinderen waren niet in paniek, maar hun gezichten stonden strak van moeite. Een kist was opengegaan en potten rolden in het zand. Niets was kapot, maar alles zat onder de stof.

Bram sprong af. “Rustig,” zei hij. “We krijgen hem er wel uit.”

De vrouw keek op, opgelucht. “De wielen zakten weg.”

Bram knielde, keek naar de grond en zag het probleem: de aarde was zacht door een verborgen nat plekje. Als je hard duwde, zakte je alleen maar dieper.

Hij dacht aan het journal. Niet aan schatten, maar aan slim reizen. Hij haalde het touw uit zijn zadeltas en keek naar de omgeving. Er stond een stevige boom, net genoeg uit de weg.

“We doen dit rustig,” zei Bram. “Geen trekken als gekken. Eerst leggen we platte stenen onder de wielen. Dan trekken we met het touw, langzaam.”

Silas stond erbij, handen in zijn zij. “Dat duurt lang.”

Bram keek hem aan. “Langzaam is soms sneller. Anders breekt er iets.”

De vrouw knikte. De kinderen gingen stenen zoeken. Bram legde ze breed en stevig, als kleine bruggetjes. Hij knoopte het touw vast, niet te strak, precies goed. Knipoog trok op Bram zijn teken, stap voor stap.

De kar bewoog. Eerst maar een beetje, toen meer. Het wiel klom op de stenen. Met een laatste zachte ruk rolde de kar uit de greppel.

De kinderen juichten. De vrouw liet haar schouders zakken. “Dank u,” zei ze. “U was… netjes. Niet hard, niet boos.”

Bram glimlachte. “Dat is ook een manier van sterk zijn.”

Silas keek naar de kinderen die hun potten weer in de kist zetten. Hij krabde aan zijn snor. “Ja… netjes. Hm.”

Bram raapte een pot op en gaf die aan een kind, zonder te vragen om iets terug. Dat voelde goed.

Toen ze weer wegreden, was Silas stiller. Bram voelde dat de woorden uit de brief als een kleine lamp in Silas' hoofd brandden. Misschien zacht, maar toch.

Hoofdstuk 3

De middag werd goudkleurig. De schaduwen werden langer en de lucht rook naar avond: koel, een beetje zoet van wilde bloemen. Bram en Silas reden richting een lage heuvel met een rots die, als je je ogen een beetje kneep, leek op een zittende koe.

“Daar,” zei Bram. “De koe-rok.”

Silas lachte kort. “Ik zie het. Alsof iemand een koe heeft laten vallen.”

Bram reed eromheen, op zoek naar de veiligste route. Hij stapte af en liep het laatste stuk, zodat Knipoog niet over losse stenen hoefde. Onder de rots was een smalle opening waar koele lucht uit kwam.

Bram herinnerde zich de zin: alleen als je de stenen met respect legt. Hij keek naar de ingang. Er lagen wat losse stenen, alsof eerdere reizigers ze hadden verplaatst. Bram wilde geen rommel maken of iets kapot. Hij pakte de stenen één voor één op, legde ze netjes opzij, en maakte een kleine doorgang.

Binnen was het koel en donker, maar niet eng. Het was zoals onder een brug op een warme dag. Er drupte water langs een steen en vormde een klein plasje. Geen grote rivier, maar genoeg om een waterzak bij te vullen.

Silas ging op zijn hurken. “Water,” fluisterde hij, alsof hij het water niet wakker wilde maken.

Bram vulde zijn zak, maar liet genoeg over. Hij deed het rustig, zonder spatten. “Dit is voor de volgende reiziger ook,” zei hij.

Silas keek hem aan. “Je zou alles kunnen nemen.”

“Ja,” zei Bram. “Maar dan zou ik minder worden, niet meer.”

Silas zuchtte. “Je praat als dat journal.”

Bram glimlachte. “Misschien praat dat journal als iemand die lang heeft nagedacht.”

Ze gingen weer naar buiten en zetten een klein kamp op in de schaduw van de rots. Bram maakte een vuur dat niet te groot was, precies genoeg om koffie te warmen. De vlammen dansten als oranje linten. Knipoog knabbelde aan droog gras en deed weer zijn halve knipoog.

Bram haalde het journal opnieuw tevoorschijn. De avond was de beste tijd om te lezen. De wereld werd stiller. Je hoorde het zachte tikken van de vlammen, het ritselen van een hagedisje in het zand, en ver weg het roepen van een vogel.

Hij las verder en vond een laatste stuk, achterin, waar de schrijver beschreef hoe hij ooit zijn humeur verloor tegen een man bij een waterput, en zich daarna schaamde. De schrijver had opgeschreven hoe hij terugging, sorry zei, en de man een extra emmer gaf.

Bram knikte. “Zelfs goede mensen maken fouten,” zei hij. “Maar waardigheid is ook durven toegeven.”

Silas zat met zijn handen om zijn beker. Hij staarde in de koffie alsof hij antwoorden zag drijven.

“Bram,” zei hij opeens, met een schor stemmetje dat hij niet gewend leek te gebruiken. “Ik… ik wilde dat journal verkopen. Voor geld. Ik dacht dat ik er slim mee was.”

Bram keek hem rustig aan. “En nu?”

Silas haalde zijn schouders op. “Nu voelt het… klein. Alsof ik een jas draag die niet past.”

Bram liet een stilte vallen, niet om Silas te laten hangen, maar om ruimte te geven. “Je kunt het anders doen,” zei hij. “Je kunt het journal bewaren, maar ook delen. Met mensen die reizen. Je kunt er een kopie van maken. Of je kunt de belangrijkste plekken opschrijven en aan postmeesters geven.”

Silas wreef over zijn snor. “En jij? Jij wilde het lezen.”

“Dat heb ik gedaan,” zei Bram. “En ik heb eruit geleerd. Dat was mijn doel. Niet om het te houden.”

Silas keek op, echt op, niet alleen met zijn ogen maar met zijn hele gezicht. “Je bent een rare cowboy.”

“Dank je,” zei Bram droog. “Knipoog vindt dat ook.”

Knipoog deed een zachte hinnik, alsof hij het compliment aannam.

De volgende ochtend waren de lucht en het licht fris. Bram hielp Silas een paar pagina's over te schrijven: de plekken met water, de veilige routes, en de kleine regels over respect. Silas schreef langzaam, met zijn tong een beetje uit zijn mond, en zijn letters werden steeds netter.

“Je hand is koppig, zei Bram.

“Mijn hand is eerlijk,” bromde Silas. “Hij wil niet doen alsof.”

“Eerlijk is goed,” zei Bram.

Toen ze klaar waren, stopte Silas het journal weer in zijn tas. Hij keek ernaar, niet meer als naar een buit, maar als naar een verantwoordelijkheid.

“Wat nu?” vroeg Silas.

Bram keek naar de open vlakte. De wind rolde als een zachte golf over het gras. “Nu brengen we jouw kopieën naar Coyote Bend en Dry Creek. En als je wilt… kun je bij die huifkarfamilie langsgaan. Zeggen dat het je spijt dat je eerst niet wilde helpen.”

Silas trok een gezicht. “Dat is… moeilijk.”

“Ja,” zei Bram. “Maar waardigheid is soms een moeilijk pad. Het is wel een sterk pad.”

Silas knikte langzaam. “Goed. Ik doe het.”

Ze reden samen terug, en onderweg hielpen ze nog een man die zijn hoed in een struik had verloren. Bram lachte toen de man de struik bedankte alsof het een persoon was. Silas lachte mee, echt mee.

Bij de huifkarfamilie stopten ze. Silas haalde diep adem. “Eh… sorry,” zei hij, snel en rood. “Ik had moeten helpen. U had dat verdiend.”

De vrouw keek verrast, maar haar ogen werden zacht. “Dank je,” zei ze. “Dat is dapper.”

Silas rechtte zijn rug een beetje, alsof die woorden hem groter maakten op een goede manier.

Hoofdstuk 4

Tegen de middag bereikten ze weer Coyote Bend. Meneer Phelps stond op de veranda en veegde zijn handen aan zijn schort.

Bram gaf hem de kopieën. “Voor reizigers,” zei hij. “Voor veilige routes en goede gewoontes.”

Meneer Phelps bladerde erin en floot zacht. “Dat is geen rommel,” zei hij.

Silas schraapte zijn keel. “Ik… ik heb geholpen.”

Meneer Phelps keek hem streng aan, maar niet gemeen. “Dat geloof ik pas als je iets doet voor iemand zonder er meteen munten voor te zien.”

Silas knikte. “Dat probeer ik.”

Bram bleef nog even bij de posthalte. Hij voelde zich tevreden, maar ook een beetje stoffig. Het Westen was prachtig, maar het zat ook overal: in je haar, in je laarzen, in je kleren, zelfs in je gedachten.

De zon stond fel. Bram liep naar de waterton en gooide water over zijn handen. Toen zag hij bij de zijkant van de posthalte een oud tapijt liggen, opgerold en vol zand. Het was vast uit een kamer gehaald om schoon te maken, maar niemand had het afgemaakt.

Bram keek ernaar en dacht: waardigheid zit ook in kleine dingen. In zorgen dat een plek netjes is voor de volgende.

Hij pakte het tapijt stevig vast. Het was zwaar en stug, en het rook naar stof, paarden, en oude verhalen. Hij sleepte het naar buiten, naar een paal waar je dingen kon uitkloppen. Meneer Phelps keek om.

“Ga je mijn tapijt redden?” vroeg hij.

“Als het tapijt het toelaat,” zei Bram. “Sommige tapijten zijn koppig.”

Silas kwam erbij staan. “Wil je hulp?”

Bram knikte. “Ja. Samen is het makkelijker.”

Ze hingen het tapijt over de paal. Bram pakte een stevige stok. Hij tikte eerst zacht, om te zien hoe het tapijt reageerde. Toen sloeg hij harder, maar niet wild. Poef. Een wolk stof sprong eruit, draaide in het zonlicht en verdween als een klein spookje dat ineens wist dat het niet eng hoefde te zijn.

Silas lachte. “Kijk nou. Het tapijt geeft geheimen terug.”

Bram sloeg nog eens. Poef-poef. Het stof kwam eruit in ritme, bijna alsof het tapijt meedeed aan een trommelconcert.

Meneer Phelps grinnikte. “Dat geluid klinkt als opluchting.

Bram voelde zijn armen warm worden van het werk. Hij ademde diep in. De lucht rook frisser nu het stof wegwaaide. Knipoog stond dichtbij en kneep weer met één oog, alsof hij wilde zeggen: zie je wel, alles eindigt beter met een beetje geduld.

Bram sloeg nog één keer stevig. Een laatste wolk stof steeg op en dwarrelde weg over het pad. Het tapijt hing ineens lichter, soepeler. Alsof het zelf ook weer adem kon halen.

Bram legde de stok neer en klopte zijn handen af. Silas klopte ook zijn handen af, en keek toen naar Bram.

“Dus,” zei Silas, “jij reed door woest land om een journal te lezen… en je eindigt met een tapijt.”

Bram keek naar het schone tapijt en naar het zonlicht dat erop viel. “Dat is het mooie,” zei hij. “Avonturen zijn groot, maar waardigheid zit ook in het uitslaan van stof. Je maakt ruimte voor iets nieuws.”

Silas knikte langzaam. “Ik denk dat ik het begin te snappen.”

Bram zette zijn hoed recht, net iets hoger dan eerst, alsof de lucht nu nog groter was. Hij keek naar de weg die verder liep, de open vlakte in. Hij voelde geen haast. Hij had geleerd wat hij wilde leren.

En terwijl het tapijt rustig in de wind bewoog, alsof het tevreden was, stapte Bram weer op Knipoog. De hoeven tikten vrolijk op het harde pad. In het Westen wachtte altijd iets nieuws—en Bram wist nu zeker dat moed, slimheid en veerkracht het best werken als je ze draagt met waardigheid.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Reusachtige
Heel erg groot, groter dan normaal, alsof iets heel groots er is.
Sporenjournaal
Een oud schrift met aantekeningen over reizen en plekken onderweg.
Journal
Een boekje waarin iemand opschrijft wat hij op reis ziet en doet.
Waardigheid
Op een nette en eerlijke manier omgaan met anderen en jezelf.
Posthalte
Een plek waar post wordt gebracht en mensen even stoppen onderweg.
Huifkar
Een kar met een doek of zeil erover, gebruikt om mee te reizen.
Greppel
Een smalle kuil in de grond waar water of een kar in kan zakken.
Kloof
Een diepe, smalle opening in de rotsen of grond.
Kopie
Een tweede exemplaar van iets, precies hetzelfde als het origineel.
Tapijt
Een stuk stof dat je op de vloer legt, soms met patronen.
Koppig
Als iemand niet wil veranderen of moeilijk luistert.
Opluchting
Het blijere gevoel als iets engs of leuks voorbij is.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Te lezen daarna in Cowboyverhalen voor 7/8 jaar

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.