De dag met de dansende sokken
Er was eens een jongen van vijf. Hij heette Bram. Bram had krullen als kleine wolkjes en schoenen die piepten als hij liep. Hij was rustig en optimistisch. Hij glimlachte naar de wereld alsof die een geheim vertelde.
Op een middag vond Bram een paar sokken onder de bank. Ze waren gestreept als een regenboog die veel te laat thuiskomt. Bram tilde ze op en snoof eraan. De sokken roken naar warme broodjes en vanille-ijs. Hij deed ze aan zijn handen en ze werden poppen. De poppen voerden een dans op de tafel. Ze maakten pirouettes en sprongen over kruimels alsof het bruggetjes waren.
Bram klapte zachtjes. Zijn klap was niet hard, want hij kende goede manieren. De dans van de sokken maakte hem vrolijk en een beetje nieuwsgierig. Hij volgde het spoor van miezerige stof naar de kast, waar de sokken steeds weer een nieuw toneel vonden. Bram glimlachte naar de schaduwen die de sokken maakten. De schaduwen buigden terug, heel beleefd. Ze leken op lange, dunne katten. Bram vond dat niet eng. Hij vond het grappig.
Het avontuur met de maanbroodjes
Toen de lucht buiten oranje werd, vond Bram een doos met 'maanbroodjes' op de keukenstoel. Zijn moeder zei later dat ze die had gebakken, maar nu waren ze verdwenen. Bram nam een hap en vond dat de maanbroodjes zacht waren als kussens en knisperden als kleine bergjes sneeuw. Elk broodje droeg een vlekje jam dat leek op een lach.
Bram besloot de broodjes te delen met zijn nieuwe vrienden: de dansende sokken en de beleefde schaduwen. Samen marcheerden ze door de woonkamer, als een parade van kleine dingen. De schaduwen reikten met hun lange vingers naar koekjeskruimels en knisperden netjes 'dankjewel' zonder geluid. Bram voelde zich dapper. Dapper voelde hij zich omdat hij alles kon bedenken wat nodig was om de parade leuk te maken. Hij vond het fijn dat hij kon bedenken.
Op de trap stond zijn lievelingsknuffel, een olifant met één slurf dat altijd scheef stond. De slurf zwaaide een beetje, alsof hij ook wilde meedoen. Bram tilde de olifant op en deed hem op zijn schouder. De olifant keek stoer maar zacht. Samen trokken ze langs de lampen die ogen werden en langs de klok die zijn tanden poetste (want hij wilde glimmen voor de nacht).
Een klein plotseling geluid maakte alles even stil. Het was het piepen van Brams piepschoen die viel. De sokken draaiden een extra rondje. De gebeurtenissen waren kort maar hartverwarmend. Bram voelde zijn hart kloppen als een klein trommeltje. Hij wist dat hij kon blijven lachen. Hij wist dat hij kon helpen en dat zijn ideeën goed waren. Vertrouwen gleed als honing in zijn borst.
De nacht van de glimlachende schaduwen
De avond werd zacht en blauw. De schaduwen rekten zich uit als lange lakens. Bram liep naar het raam. Buiten hing de maan als een groot wit bord met een glimlachje. Bram drukte zijn neus tegen het glas. De maan knipperde terug. De schaduwen in zijn kamer bogen en vormden een hele kleine voorstelling: een schaduw die op zijn teentjes stond, een schaduw die een hoedje zette, een schaduw die even deed alsof hij een vogel was.
Bram ging liggen op zijn bed, met de olifant op zijn borst en één sok nog om zijn hand. De sok was warm. De kamer was vol kleine geluiden: het zachte tikken van de klok, het verwaaien van bladeren buiten, het spinnen van een tevreden beestje onder de vensterbank. Bram sloot zijn ogen even. Hij dacht aan de dansende sokken, aan de maanbroodjes en aan hoe stoer zijn olifant had gekeken. Hij dacht aan zichzelf, aan hoe hij had besloten om te delen en te lachen. Hij voelde een zachte kracht, een soort warme gloed die zei: ik kan dit.
De schaduwen kropen niet dichterbij. Ze fluisterden geen enge teksten. Ze maakten grappige vormen, als wanneer je vingerpoppen knijpt. Ze waren vriendelijk. Bram glimlachte naar de schaduwen zoals hij altijd deed. De schaduwen glimlachten terug en deden een laatste buiging. Bram voelde zijn adem rustiger worden. Zijn zinnen werden wat langer maar kalmer. Zijn hoofd zakte zachtjes in het kussen. Zijn gedachten werden als veren, licht en traag.
Voordat hij helemaal wegdook, deed Bram het raam een heel klein stukje open. De lucht rook naar nachtblauwe bloemen en verse regen. Hij keek nog één keer omhoog. De maan zei niets. Ze scheen gewoon, goed en helder, alsof ze altijd had geweten dat alles in orde zou komen. Bram keek en zijn ogen werden zwaar. Hij voelde zich klein en groot tegelijk, heel zeker van zichzelf en warm van binnen. Hij nam nog één rustige ademhaling. Zijn lippen krulden in een tevreden glimlach.
De kamer werd zachter, de sokken stopten met dansen en de schaduwen kropen terug in hun hoek. Bram voelde de nacht als een deken. Hij dacht aan morgen en aan alle kleine avonturen die hij zou bedenken. Met de olifant naast zich, met een sok die nog een beetje rook naar broodjes, en met de maan hoog in de lucht, viel Bram in slaap. De laatste blik ging naar de hemel. De maan knipoogde. Bram glimlachte en droomde.