Anna zit op haar knieën bij het raam. Ze kijkt naar buiten. De bladeren vallen zachtjes van de bomen. Sommige bladeren zijn geel. Sommige zijn rood. Andere zijn bruin. Anna vindt de herfst mooi. Ze lacht en zwaait naar een blaadje dat langzaam naar beneden dwarrelt.
“Mama, mag ik naar buiten?” vraagt Anna.
Mama knikt en helpt Anna haar jas aan te trekken. Anna doet haar laarzen aan. Ze voelt zich warm en veilig. Samen stappen ze naar buiten. Het ruikt fris. Anna hoort de wind fluisteren tussen de bomen. Het is een rustige dag.
Ze lopen naar het tuintje. In de hoek van de tuin ligt een grote, ronde pompoen. Anna wijst ernaar. “Kijk, mama! De pompoen is zo groot!”
Mama glimlacht. “Zullen we samen soep maken van de pompoen, Anna?”
Anna klapt in haar handen. Ze vindt koken leuk, vooral met mama. Ze weten dat ze samen voorzichtig moeten zijn in de keuken. Anna luistert altijd goed naar mama.
Samen tillen ze de pompoen naar binnen. Hij is zwaar. Ze dragen hem heel voorzichtig. Anna zegt: “We moeten goed opletten, want de pompoen mag niet vallen.”
Binnen wassen ze eerst hun handen. Dat is belangrijk. Anna zingt zachtjes een liedje terwijl ze haar handen wast. Mama snijdt de pompoen open met een groot mes. Anna mag toekijken, maar niet zelf snijden. Dat weet ze. “Alleen mama mag met het mes werken,” zegt Anna. Mama knikt trots.
Anna haalt de zaadjes uit de pompoen. Ze voelt glibberig aan. Ze giechelt. Mama lacht ook. “Goed zo, Anna. Jij helpt heel goed.”
Samen stoppen ze de stukken pompoen in een grote pan. Mama doet er water bij en een beetje zout. Anna mag roeren met een houten lepel. Ze roert heel voorzichtig. Ze vindt het leuk om te helpen.
Terwijl de soep pruttelt, ruikt het lekker in huis. Het is warm in de keuken. Anna kijkt naar buiten. De bladeren dansen nog steeds door de lucht. Ze denkt aan de bomen en de dieren in de tuin. Misschien zijn de egeltjes nu ook op zoek naar eten.
Mama pakt wat brood en legt het op een bordje. Anna dekt de tafel. Ze zet de borden neer zoals mama het zegt. Eerst de borden, dan de lepels, dan de bekers. Anna vindt het fijn om te helpen. “Samenwerken is leuk,” zegt ze.
Eindelijk is de soep klaar. Mama schept de soep in een kommetje voor Anna. De soep is oranje en dampend. Anna blaast voorzichtig op haar lepel. Ze proeft een beetje. De soep smaakt zoet en warm. Anna lacht. “Dat heb ik goed gedaan!”
Mama knikt. “Ja, Anna. Je hebt heel goed geholpen. Samen soep maken is fijn.”
Ze eten samen rustig de soep op. Buiten waait de wind. Binnen is het warm. Anna voelt zich blij en veilig bij mama. Na het eten helpt Anna met opruimen. Ze zet voorzichtig haar bordje op het aanrecht. Mama zegt: “Dankjewel, Anna. Je hebt goed geholpen en mooi geluisterd.”
Anna kijkt naar buiten. Het begint een beetje te schemeren. Ze voelt zich moe, maar blij. Samen met mama kruipt ze op de bank onder een zachte deken. Mama leest een boekje voor. Anna luistert naar mama's stem. Ze voelt de warmte van de deken en van mama.
Anna sluit haar ogen langzaam. Ze denkt aan de blaadjes, de pompoen en de soep. Ze weet dat mama altijd dichtbij is. Anna is trots. Ze heeft geholpen en goed geluisterd. Samen hebben ze nieuwe dingen geleerd.
De wind blaast zachtjes tegen het raam. Anna voelt zich rustig en veilig. De herfst is fijn met mama en samen zijn ze gelukkig.