Op een mooie, zonnige dag woonde er een vrolijke haan genaamd Hennie. Hennie was een vrolijke haan met felrode kam en een mooie gele snavel. Hij woonde op een boerderij met veel andere dieren. Hennie hield van grappen maken en spelen.
“Miauw, miauw!” zei de kat, Katja. “Wat ga je nu weer doen, Hennie?”
“Ik ga een wedstrijdje doen!” riep Hennie enthousiast. “Wie kan het hardst kakelen?”
“Dat klinkt leuk!” zei Katja. “Ik doe mee!”
Hennie ging op de schutting staan. “Klaar? Kakkelen maar!”
Hennie begon te kakelen: “Kukeleku! Kukeleku!” Het klonk heel luid. Katja keek naar Hennie en zei: “Ik kan het beter!”
“Miauw, miauw!” zei Katja en ze miauwde zo hard als ze kon.
“Oh, dat was goed!” lachte Hennie. “Maar ik kan het nog harder!”
Hij kakelde nogmaals: “Kukeleku! Kukeleku!”
De andere dieren kwamen kijken. Een paar schapen bleven staan en keken met grote ogen. “Wat een geluid!” blaatten ze.
De wedstrijd ging door. Hennie kakelde en Katja miauwde. Het leek wel een muziekconcert!
“Dit is zo leuk!” zei Hennie. “Laten we samen een lied maken!”
Hennie en Katja maakten hun eigen lied. Hennie kakelde en Katja miauwde. De dieren zongen mee. Iedereen lachte en danste.
“Wat een fijne dag!” zei Hennie. “Wat een fijne vrienden!”
En zo maakten Hennie en Katja elke dag weer een feestje.