Er was een kleine groene kikker. Hij heette Kiko. Kiko woonde bij de vijver. Hij sprong. "Hop!" zei hij. Plons! De vis lachte. "Plouf!" zei de vis.
Kiko vond een hoed. Hij zette de hoed op zijn kop. "Toc-toc," zei de hoed op het riet. De eend kwam kijken. "Wat zie jij?" vroeg de eend. Kiko maakte een buiging. "Hop, hop!" lachte hij. De eend deed mee. "Hop!" zei zij.
Een kikker kan niet zingen als een vogel? Kiko probeerde het toch. "Kwek kwek," zei hij. De vogel zei: "Zing met mij!" De vogel piepte hoog. Kiko sprong hoger. "La-la!" zei hij blij. De bij danste rond. "Zoem zoem," zei de bij.
Toen kwam de schildpad langzaam. "Mag ik ook?" vroeg hij zacht. Kiko gaf de hoed. "Ja!" zei hij. De schildpad zette de hoed schuin en wiebelde. "Tuuut," zei de kikkerpret. Alle dieren klapten met hun pootjes en vleugels. "Bravoooo!" riep de vis. Plons, plons, plons.
Een windje blies. De hoed vloog weg. "Oei!" zei de schildpad. Kiko rende, maar hij viel zacht in het mos. "Hop," zei hij en lachte. De eend vond de hoed op een steen. Ze gaf hem terug. Iedereen lachen. Geen pijn. Alleen plezier.
Samen dansten ze rond de vijver. Ze deelden de hoed en de lach.
Samen delen maakt alles leuk.