Begin: Wolfje Wip Telt Mee
In de achtertuin van het huis stond het gras zo groen dat het bijna kietelde als je ernaar keek. De struiken waren dikke, ronde kussens. De bloemen leken snoepjes, maar iedereen wist: je mag kijken, ruiken, en heel soms zachtjes zwaaien, maar niet opeten.
Wolfje Wip woonde hier. Hij was een klein wolkje… nee, een klein wólkje niet, een klein wólfje. Dapper, snel en altijd een beetje te enthousiast. Hij kon niet stil zitten, zelfs niet als hij dat heel graag wilde.
Wolfje had een belangrijke taak bedacht: niemand vergeten. Nooit. Niet bij spelletjes, niet bij snacks, en zelfs niet bij het tellen van… nou ja, dingen die je eigenlijk niet hoeft te tellen, zoals steentjes, blaadjes en zijn eigen staart.
Hij sprong op een omgekeerde emmer alsof die emmer een podium was. “Aanwezigheidscontrole!” riep hij plechtig, met een stem die net iets te groot klonk voor zijn kleine buik.
Eekhoorn Kiki kwam aangerend met een eikel in haar pootjes. Ze stopte zo snel dat haar staart een rondje draaide als een propeller. “Ik ben er! En ik heb… één eikel. Voor het geval dat er iets dringend ge-eikeld moet worden.”
Das Daan schuifelde erachteraan. Hij droeg een blad als hoed. Het blad was eigenlijk te klein, dus het zat scheef, wat hem nog rustiger liet lijken. “Ik ben er ook,” bromde hij. “En mijn blad is… nou ja… aanwezig.”
Konijn Floep kwam als laatste, met oren die altijd net iets eerder aankwamen dan de rest van hem. Hij keek om zich heen alsof hij iemand zocht. “Is iedereen er al?”
Wolfje kneep zijn ogen samen, heel serieus. “We tellen. Eén: Kiki. Twee: Daan. Drie: Floep. Vier: ik. Vijf…”
“Vijf?” piepte Kiki. “Wie is vijf? Is dat de eikel? Want die heeft geen benen.”
Wolfje keek om zich heen. Hij voelde het meteen: er miste iets. Iets kleins. Iets fladderigs.
“Pip!” riep Wolfje. “Pip de mus! Waar is Pip?”
Alsof het woord “Pip” een belletje was, hoorde je ergens “tsjilp-tsjilp” en een zacht “oeps”.
Onder de grote regenpijp, achter een stapel bloempotten, zat Pip. Ze had een veertje in haar snavel en keek heel schuldig. “Ik was een nest aan het meten,” tsjilpte ze. “Maar toen raakte ik de tel kwijt bij… bij veel.”
Wolfje sprong van de emmer. “Geen probleem! Niemand vergeten, dat is de regel. Kom maar. Wij zijn Team Tuin.”
“Team Tuin!” riepen ze allemaal, en zelfs Daan klonk een beetje alsof hij glimlachte.
Wolfje klapte in zijn pootjes. “Vandaag doen we een tuin-avontuur. We gaan iets bouwen. Iets groots. Iets… eh… waar je om moet lachen.”
“Een lach-huis?” vroeg Floep.
“Een lach-boot?” riep Kiki.
“Een lach-slaap?” bromde Daan, want Daan hield van slapen.
Wolfje keek naar de hoek van de tuin waar allerlei spullen lagen: een oude tuinslang, lege potten, een mand met dennenappels, een houten plank, en een enorme, zachte tuinhandschoen.
Wolfje wees. “We bouwen een Vrienden-Veilige-Versnaperings-Express!”
Iedereen knipperde.
“Dat is,” legde Wolfje uit, “een trein. Voor snacks. Zodat niemand vergeten wordt.”
Pip tsjilpte: “Ik dacht dat snacks niet konden rijden.”
“Niet vanzelf,” zei Wolfje. “Daar zijn wij voor.”
Ze lachten al voordat ze begonnen.
Midden: De Snacktrein Doet Raar
Ze begonnen met de houten plank als locomotief. Kiki legde er drie dennenappels op als wielen. Daan duwde voorzichtig tegen één dennenappel en keek alsof hij een belangrijke wetenschap testte.
De dennenappel rolde twee centimeter en viel toen om. Het maakte een geluid dat klonk als “plop… ik ben klaar”.
Floep zei: “Misschien hebben wielen liever… ronde dingen.”
Kiki keek naar de bloempotten. “Die zijn ook rond. Maar dan… rond met een gat.”
Pip floot: “Een wiel met een buik!”
Wolfje had al een plan. Hij pakte de tuinslang en boog hem tot een kring. “Kijk! Superronde slangwielen.”
De slang wilde dat niet. De slang dacht: ik ben een slang, geen cirkel. Hij sprong terug en gaf Wolfje een tik op zijn neus. Wolfje keek scheel naar het einde van de slang. “Hij knipoogde naar me!”
Kiki proestte. Floep begon te hikken van het lachen. Daan zei heel rustig: “De slang is brutaal.”
Ze probeerden het opnieuw. Ze maakten twee kringen, één met hulp van Daan die heel sterk was, en één met hulp van Floep die er met zijn oren tegenaan duwde. Pip gaf aanwijzingen vanuit de lucht alsof ze een vlieg-verkeersleider was: “Meer links! Nee, jouw links! Nee, míjn links!”
Uiteindelijk lagen er twee slangenkringen. Ze gleden een beetje, maar ze lagen.
“Nu de wagons!” riep Wolfje.
Ze gebruikten bloempotten als wagons. Grote pot, kleine pot, pot met een scheur, pot met een verdwaald blaadje erin. Wolfje zette ze in een rij achter de plank.
“Waar zijn de snacks?” vroeg Floep, met een stem die heel beleefd klonk, maar zijn buik zei “brrr”.
“Snacks komen later,” zei Wolfje. “Eerst maken we hem veilig. Vrienden-veilig. Niemand valt eruit.”
Daan pakte de enorme tuinhandschoen. “Deze is zacht. Dit is een kussenhand.”
“Een hand die knuffelt!” tsjilpte Pip.
Kiki stak haar poot in de tuinhandschoen. De handschoen was zo groot dat Kiki erin verdween tot haar staart. “Help,” klonk het van binnen, “ik ben een eekhoorn-hand!”
Wolfje en Floep trokken. Daan duwde. Pip telde hardop: “Eén, twee, drie, PLOEF!”
Kiki kwam los en rolde achteruit, de tuinhandschoen nog om haar poot. Ze zwaaide ermee alsof ze een zachte vlag had. “Ik ben de conducteur! Kaartjes, alstublieft! Kaartjes zijn… eikels!”
“Dan ben ik rijk,” zei Kiki meteen weer, en ze schoot in de lach.
Ze maakten randjes van bladeren langs de potten, zodat er niks uit zou stuiteren. Wolfje liep langs de rij en controleerde alles heel serieus, als een echte baas van een grappige trein.
“Oké,” zei hij. “Test-rit!”
Ze duwden de plank. De slangenwielen draaiden… een beetje. De bloempot-wagons schoven. De hele trein bewoog drie stappen en maakte toen een bocht die niemand had besteld.
“Waarom gaat hij naar links?” piepte Floep.
“Misschien wil hij de schaduw in,” bromde Daan.
“Of hij zoekt Pip,” grapte Kiki.
Pip tsjilpte: “Ik ben hier! Ik ben niet verdwaald! Nog niet!”
De trein reed recht op de grote regenpijp af. Wolfje sprong ervoor, heel dapper, en zette zijn pootjes op de plank. “Stop! Ik ben de rem!”
De plank stopte. Wolfje gleed een beetje en bleef hangen tegen de regenpijp. Het klonk als “poef”. Hij keek op, zijn ogen groot. “Ik heb de regenpijp gered.”
Kiki zei: “De regenpijp was vast heel dankbaar.”
Floep zei zacht: “Maar… de trein is eigenwijs.”
Wolfje krabde aan zijn oor. “Dan moeten wij slimmer zijn dan de trein. En vooral… vriendelijker.”
Ze keken naar elkaar. Team Tuin had een probleem. Maar Team Tuin had ook iets anders: vier paar pootjes, twee konijnenoren, een dassenneus en een mus die kon aanwijzen waar je heen ging.
Daan ging zitten en dacht zo hard dat het bijna te horen was. “We hebben een spoor nodig.”
“Een spoor!” riep Wolfje. “Ja! Dan kan hij niet zomaar naar links.”
Kiki keek rond en zag lange stokken bij de schutting. “We maken een baan met stokjes! Als rails!”
Ze legden twee lange stokjes op het gras, parallel, met kleine takjes ertussen als dwarsliggers. Pip vloog heen en weer en legde hier en daar een veer neer. “Voor extra snelheid,” zei ze. “Veren zijn snel.”
Floep tikte met zijn pootje op een veer. “Deze veer ziet eruit alsof hij giechelt.”
“Veren giechelen altijd,” zei Pip. “Alleen heel zacht.”
Toen was het weer tijd voor de test-rit. De plank op de rails. De slangenwielen ertussen. De potten erachter.
Wolfje nam een diepe adem. “Oké. Duwen op drie. Eén… twee… drie!”
Ze duwden. De trein rolde, echt rolde, precies tussen de stokjes door. Hij ging niet naar links. Hij ging niet naar rechts. Hij ging rechtdoor alsof hij eindelijk wist wat de bedoeling was.
“Hij luistert!” riep Floep.
Kiki zwaaide met de tuinhandschoen. “Volgende halte: Snackstation!”
Daan knikte. “Rustig. Maar goed.”
Pip vloog boven de trein en zong: “Tsjoek-tsjoek-tsjilp!”
Toen kwam mini-reboundissement nummer één, want in de tuin is er altijd een mini-reboundissement: een windvlaag.
De wind kwam langs, zomaar, alsof hij een grapje wilde maken. Hij pakte de tuinhandschoen-geleider-vlag en blies hem over Kiki's hoofd. De handschoen plofte op Daan zijn bladhoed.
Daan stond stil met een tuinhandschoen op zijn hoofd. Hij leek nu op een hele rustige bloem.
Kiki keek. Floep keek. Wolfje keek. Pip zweefde in de lucht en vergat even te fladderen.
Toen barstten ze allemaal tegelijk in lachen uit. Zelfs Daan maakte een brom-lach: “Hm. Ik ben een hand-hoofd.”
Wolfje lachte zo hard dat hij bijna opnieuw tegen de regenpijp aan wilde vallen, maar hij bleef netjes staan. “Oké,” hijgde hij, “Team Tuin kan alles aan. Zelfs hand-hoofden.”
Einde: Niemand Wordt Vergeten
Nu de trein werkte, kwam het belangrijkste: de snacks. Want een snacktrein zonder snacks is een beetje zoals een vogel zonder “tsjilp”.
Ze verzamelden wat de tuin gaf: sappige bramen (voor wie bramen lustte), worteltjes (voor Floep, natuurlijk), knapperige nootjes (voor Kiki, dubbel natuurlijk), en zachte bessen die Pip met haar snavel heel voorzichtig droeg, alsof het kleine ballonnetjes waren.
Wolfje zette alles netjes in de bloempotten. Niet te hoog, niet te laag. “Want niemand moet verdwalen in een pot,” zei hij streng. “En niemand wordt vergeten.”
Hij liep langs de rij, net als eerder. “Aanwezigheidscontrole van snacks!” riep hij.
Kiki giechelde. “Eén braam. Twee wortels. Drie nootjes. Vier bessen. Vijf… eh… een blad?”
Daan tikte op zijn bladhoed. “Dat is mijn blad. Die telt niet als snack. Tenzij je heel verdrietig bent.”
Floep snuffelde aan een wortel. “Ik ben niet verdrietig. Ik ben hongerig.”
Pip riep: “Ik ben niet hongerig. Ik ben nieuwsgierig.”
Wolfje knikte tevreden. “Oké. Nu gaan we rondjes rijden en delen. Iedereen krijgt iets. En we kijken steeds: is iedereen er nog?”
Ze gingen zitten langs het spoor. De trein reed langzaam, duw voor duw, als een slak met een plan. Bij elke “halte” stopten ze. Dan pakte iemand iets uit een pot en gaf het door.
Kiki gaf nootjes door aan Daan. Daan gaf bessen door aan Pip. Pip liet een bes bijna vallen, maar Floep zette zijn oor eronder als een vangnet. “Mijn oor is een net,” zei Floep trots.
Wolfje zag het en zijn borst werd warm. “Dat is vriendelijk,” zei hij. “En slim.”
Na een paar rondjes waren de potten leger en de buikjes voller. Het lachen werd zachter. Niet weg, maar zachter, alsof het zich in een dekentje wikkelde.
Toen merkte Wolfje iets op. Hij keek rond. Hij telde met zijn ogen, heel rustig. “Eén: Kiki. Twee: Daan. Drie: Floep. Vier: ik. Vijf: Pip.”
Iedereen was er. Niemand was vergeten. Dat voelde voor Wolfje als een knuffel van binnen.
Maar toen kwam mini-reboundissement nummer twee, klein en grappig: een bramenpitje zat vast tussen Wolfje's tandjes. Hij probeerde stoer te kijken, maar zijn lip trok raar scheef.
Kiki keek hem aan. “Wolfje… jouw mond doet een dansje.”
Wolfje probeerde het pitje weg te krijgen met zijn tong. Het zag eruit alsof hij een geheime fluit oefende. Pip begon te tsjilpen alsof ze een orkest was: “Piep-piep-pit-pit!”
Floep schaterde. Daan zei: “Blijf rustig. Ik heb… een takje.”
Daan gaf Wolfje een heel klein takje om op te kauwen. Wolfje kauwde voorzichtig. Plop. Het pitje sprong weg en landde precies in een lege bloempot.
Pip klapte met haar vleugels. “Score!”
Wolfje grijnsde. “Zie je? Team Tuin lost alles op. Met vriendelijkheid. En soms met een takje.”
De zon schoof langzaam naar beneden. De schaduwen werden langer. De tuin werd stiller, alsof hij ook een beetje moe en blij was.
Wolfje keek naar de trein. “We kiezen een kap,” zei hij. “Een afsluit-cap. Want dan weet iedereen: het is rond, het is klaar, en het was fijn.”
“Wat voor kap?” vroeg Floep, al half geeuwend.
Kiki stak haar poot op, alsof ze in de lucht een idee kon vangen. “Een kap van rust! We leggen de trein onder de struik, als in een garage. En we fluisteren ‘dankjewel' tegen de tuin.”
Pip tsjilpte zacht: “En tegen de wind. Ook al is hij soms raar.”
Daan knikte. “En tegen elkaar.”
Dus deden ze het. Ze rolden de snacktrein voorzichtig naar de struik. Ze legden de tuinhandschoen netjes erbij, niet op iemands hoofd dit keer. Ze maakten het spoor recht. Ze raapten losse veren op. Wolfje telde nog één keer, maar nu heel stil, in zichzelf.
Toen gingen ze in een klein kringetje zitten. Niet te dicht, maar ook niet te ver. Precies goed voor vrienden.
Wolfje zei zacht: “Ik ben blij dat niemand vergeten werd.”
Floep leunde tegen zijn eigen oren, alsof dat kon. “Ik vond het fijn dat mijn oor een net was.”
Kiki kriebelde haar staart. “Ik vond het fijn dat ik conducteur was. Ik voelde me… belangrijk en grappig.”
Pip stopte haar kopje onder haar vleugel. “Ik vond het fijn dat jullie mij kwamen halen.”
Daan zuchtte, een rustige, warme zucht. “Ik vond het fijn dat we lachten zonder te duwen. En deelden zonder te tellen wie meer had.”
Wolfje keek naar zijn vrienden. Zijn ogen glinsterden, maar niet omdat hij moest huilen. Omdat hij zich groot voelde, ook al was hij klein. “Morgen weer,” fluisterde hij.
En de tuin, die alles had gezien, leek terug te fluisteren: ja. Morgen weer. Team Tuin. Samen. Vriendelijk. En met heel veel zachte, kleine lachjes.