Hoofdstuk 1: De Onbekende Ster
Zodra Tom wakker werd, wist hij dat dit geen gewone dag zou zijn. Het licht in zijn kamer had een vreemde, blauwe gloed. Boven zijn bed hing het model van zijn favoriete ruimteschip aan een draadje te wiebelen. Tom hield van alles wat met sterren en planeten te maken had. Zijn hoofd zat altijd vol verhalen over verre melkwegen en avontuurlijke astronauten. Maar vandaag zou hij geen verhaal luisteren—vandaag zou hij er zelf een beleven.
Tom liep naar het raam en kneep zijn ogen samen. Er hing een fel blauw licht aan de hemel, veel helderder dan de maan. Het leek zelfs een beetje te bewegen. Tom voelde zijn hart sneller kloppen. Hij griste zijn verrekijker van zijn bureau en richtte hem op het licht. Wat hij zag, was geen gewone ster, geen vliegtuig, maar een klein, zilverkleurig ruimteschip dat heel langzaam richting aarde kwam.
“Hé pap!” riep Tom. “Er is iets in de lucht!”
Zijn vader verscheen slaperig in de deuropening. “Ach jongen, het zal wel een satelliet zijn,” mompelde hij.
Tom schudde zijn hoofd. “Nee, deze beweegt anders. Alsof… hij naar ons toe komt.”
Zijn vader keek hem glimlachend aan. “Misschien word jij later nog eens astronaut.”
Maar Tom wist het zeker. Iets was anders vandaag. Veel anders.
Hoofdstuk 2: De Landing in het Park
's Middags besloot Tom te gaan kijken waar het blauwe licht was geland. Hij fietste snel naar het park bij hun huis, zijn rugzak volgestopt met een fles water, een banaan en, voor de zekerheid, een kompas. Terwijl hij door het gras reed, zag hij ineens dat een paar vogels verschrikt opvlogen. Daar, tussen de hoge bomen, stond het ruimteschip. Het glansde als een druppel kwik in het zonlicht.
Het schip was klein, misschien net zo groot als een bestelbus. Er stonden zachte blauwe lichten te knipperen langs de zijkant. Langzaam liep Tom ernaartoe, zijn hart bonkte in zijn borst. Plotseling schoof er een paneel open en kwam er een ladder naar buiten. Er klonk een vriendelijke, vrolijke stem: “Welkom, aardewezen! Durf je aan boord te komen?”
“Euh… ja,” stamelde Tom, en hij klom de ladder op. Zijn handen trilden een beetje, van spanning en van opwinding.
Binnen was het schip ruim en licht. Op een stoel zat een kleine, vriendelijke robot met sprankelende groene ogen. “Ik ben Riko,” zei de robot. “En jij bent?”
“Tom,” fluisterde Tom. Hij keek om zich heen—er waren schermen, knoppen, buisjes met borrelende vloeistof en overal hingen foto's van verre planeten.
“We hebben hulp nodig voor een belangrijke missie,” zei Riko. “En ik denk dat jij perfect bent voor de taak!”
Hoofdstuk 3: De Vlucht Naar Jupiter
Riko legde alles rustig uit. Er was een oude satelliet bij Jupiter die niet meer werkte. Zonder die satelliet konden de ruimteschepen de juiste richting niet meer vinden op hun reis tussen de planeten. Tom mocht samen met Riko naar Jupiter vliegen om de satelliet te repareren. Tom voelde zich plotseling heel klein, maar ook heel dapper.
“Moeten we niet eerst een ruimtepak aan?” vroeg Tom een beetje bezorgd.
“Nee hoor, ons schip heeft een heel sterk schild,” zei Riko geruststellend. “We kunnen veilig blijven zitten. En als we dichtbij de satelliet zijn, doen we het luik open en werken we met onze robotarmen.”
Tom keek verwonderd hoe Riko de juiste knoppen indrukte. Het schip trilde, de blauwe lichten werden feller, en met een zachte ‘woesh' schoten ze omhoog, de lucht in, de sterren tegemoet. Tom voelde zich licht als een veertje in zijn stoel.
Door het raam zag hij de aarde kleiner worden, als een knikker vol blauwe en groene vlekken. “Dag, huis!” riep Tom, terwijl Riko hem een knipoog gaf.
Het schip suisde langs de maan, voorbij Mars, en de ringen van Saturnus schitterden als glinsterende armbanden in het donker.
“Hoe lang nog tot Jupiter?” vroeg Tom.
“Niet lang,” glimlachte Riko. “Ons schip is razendsnel. Wil je een banaan?”
Samen aten ze banaan, zwevend door hun kleine ruimteschip. Tom lachte. “Dit eet veel makkelijker dan thuis!”
Hoofdstuk 4: De Reparatie
Toen Jupiter eindelijk voor het raam verscheen, was Tom sprakeloos. De planeet was enorm, met gekleurde strepen en een grote rode vlek. De oude satelliet cirkelde langzaam in een baan, een beetje scheef, met vonken rond één van de zonnepanelen.
“We gaan beginnen,” zei Riko. Hij drukte op een paar knoppen, en buiten het schip verschenen twee metalen armen. Eén ervan pakte voorzichtig de satelliet vast, terwijl de andere arm een gereedschapskist pakte. Tom mocht de knoppen bedienen die de armen bestuurden. Zijn hart bonsde van spanning.
“Niet te snel, Tom,” zei Riko vriendelijk. “Precies zo, rustig bewegen. Zie je de losse kabel daar?”
Tom keek goed, zijn tong uit zijn mond van concentratie. Met kleine bewegingen liet hij de robotarm de kabel weer vastklikken. Er klonk een zachte ‘klik'.
“Goed gedaan!” juichte Riko. “Nu alleen nog het zonnepaneel schoonmaken.”
Met een zachte borstel veegde de andere arm het stof weg. Meteen begon het paneel weer te glanzen in het zonlicht. De satelliet gaf een vrolijk piepje: hij werkte weer!
Tom voelde zich trots, maar ook een beetje moe.
Hoofdstuk 5: Terug op Aarde
Op de terugweg keken Tom en Riko samen naar de sterren. “Weet je, Tom,” zei Riko, “het heelal is groot, maar iedereen kan helpen, hoe klein je ook bent.”
Tom glimlachte. “Dat vond ik eerst best eng, zo ver van huis. Maar met jou erbij voelde het nooit alleen.”
“Misschien kom ik nog eens terug,” zei Riko. “We kunnen samen nog veel planeten helpen.”
Toen ze terugkeerden naar het park, sprong Tom uit het schip. Riko gaf hem een kleine zilveren pen. “Als je op deze knop drukt, krijg ik een bericht. Dan kom ik meteen langs.”
Tom stopte de pen in zijn broekzak. “Dank je, Riko. Je bent de beste ruimtevriend die er is!”
Riko lachte. “Jij ook, Tom. Tot ziens!”
Het ruimteschip steeg op, flitste als een vallende ster weg, en alles werd weer stil in het park.
Tom rende naar huis. Zijn vader vroeg: “Alles goed, Tom?”
Tom knikte geheimzinnig. “Gewoon een bijzondere dag, pap.”
En terwijl hij naar bed ging, wist Tom zeker: als er ooit weer een ster vreemd blauw licht zou geven, zou hij klaarstaan—dit keer als een echte ruimteheld.