De eerste koude dag
Timo werd wakker en keek naar het raam. De wereld buiten was een beetje grijs en wit. Er lagen kleine witte vlokjes op de daken.
“Mama, kijk! Het heeft gesneeuwd,” riep Timo.
Mama kwam de kamer in. “Ja, het is echt winter nu,” zei ze zacht. “Het is koud buiten. We moeten warme kleren aan.”
Timo vond sneeuw mooi, maar ook een beetje gek. In de zomer speelde hij lang buiten met zijn vriendjes. Nu werd het vroeg donker. Gisteren moesten ze al naar binnen toen ze net een spel begonnen waren.
Aan het ontbijt vroeg Timo: “Mama, hoe kan ik nog met mijn vriendjes spelen als het zo koud is? Het wordt zo snel donker.”
Mama schonk warme thee in. “Misschien moet je nieuwe manieren bedenken om te spelen,” zei ze. “Binnen kan ook gezellig zijn.”
Timo zuchtte. “Maar buiten is er meer plek. Binnen is klein.”
Mama knikte. “Dat is waar. Maar je bent slim. Jij vindt vast iets leuks uit.”
De woorden bleven in Timo's hoofd hangen. “Ik ben slim,” dacht hij. “Misschien kan ik echt iets verzinnen.”
Na het ontbijt liep Timo naar de grote kamer. Bij het raam stond de grote, zachte poef. Hij was rond en blauw. Daar zat Timo graag. Vanaf de poef kon hij alles buiten zien.
Hij klom erop en ging met zijn knieën tegen de poefleuning zitten. Zijn neus bijna tegen het raam. Buiten zag hij het bleke winterlicht. De lucht was lichtgrijs. De bomen hadden geen bladeren meer. De straat leek stiller dan in de zomer.
Timo legde zijn handen om zijn mok warme chocomelk. De mok was warm, het raam was koud. Hij voelde het verschil met zijn vingers.
“Winter is een beetje raar,” fluisterde hij. “Mooi, maar ook zo stil.”
Net toen hij dat dacht, zag hij iets bewegen. Het was Sam, zijn vriendje van verderop in de straat. Sam had een dikke muts op en een rode sjaal. Hij trapte met zijn laarsjes in een hoopje sneeuw.
Timo zwaaide heel hard achter het raam. Sam keek op en zwaaide terug met twee handen. Hun blikken kruisten elkaar. Ze lachten.
Timo sprong van de poef. “Mama! Sam is buiten!” riep hij. “Mag ik ook even buiten spelen?”
Mama keek naar de klok en dan naar Timo's blij gezicht. “Een klein uurtje, goed aangekleed,” zei ze. “En dan weer lekker opwarmen.”
De nieuwe spelen
Timo trok zijn dikke trui aan, zijn jas, zijn sjaal, muts en handschoenen. Alles prikte een beetje, maar het voelde ook veilig en warm.
Buiten blies de koude lucht tegen zijn wangen. Het rook fris, een beetje naar natte aarde en sneeuw. Hij rende naar Sam.
“Wil je sneeuwbalgevecht doen?” vroeg Sam.
Timo lachte, maar dacht aan hoe snel het donker werd. “Ja,” zei hij. “Maar we moeten ook een spel hebben voor als we weer naar binnen moeten.”
“Waarom?” vroeg Sam.
“Omdat het nu winter is,” legde Timo uit. “We moeten ook binnen kunnen spelen. Anders zien we elkaar bijna niet.”
Sam haalde zijn schouders op. “We kunnen toch gewoon nog wat doen als we binnen zijn?”
“Maar dan zit jij in jouw huis en ik in mijn huis,” zei Timo. “Ik wil samen spelen.”
Ze maakten eerst een klein sneeuwpopje van de dunne sneeuw. Hij werd een beetje scheef, maar dat vonden ze niet erg. Toen gooiden ze een paar sneeuwballen. Hun handen werden koud, hun neuzen rood.
Na een tijdje zei Timo: “Mijn vingers zijn koud. Ik moet naar binnen. Maar… ik wil nog verder spelen.”
Sam keek omhoog naar de lucht. De zon was al heel laag, al was het nog maar middag. “Bij mij wordt het ook zo donker,” zei hij. “Misschien mag ik straks niet meer naar buiten.”
Timo kneep zijn ogen samen. Hij dacht aan de poef bij het raam, aan de warme chocomelk. Toen kreeg hij een idee.
“Wacht hier even,” zei hij. “Ik ga iets vragen.”
Hij rende naar binnen, deed snel zijn jas uit en holde naar Mama.
“Mama,” hijgde hij, “mogen Sam en ik op de poef bij het raam spelen? Dan kunnen we de sneeuw zien. We kunnen iets verzinnen… een winters spel, maar binnen.”
Mama lachte. “Dat klinkt als een prachtig plan,” zei ze. “Vraag Sam maar of hij mag komen.”
Timo holde weer naar buiten. Zijn wangen gloeiden nu van de warmte én van het idee.
“Sam! Mama zegt dat je mag komen spelen, als het van jouw mama ook mag. We kunnen op de poef bij het raam zitten en een winters spel doen!”
Sam's ogen begonnen te glimmen. “Ik ga het vragen!”
Even later kwam Sam terug, met zijn jas al half open. “Ik mag!” riep hij.
Samen stapten ze naar binnen, deden hun schoenen uit en hingen hun jassen op. Hun natte wanten vielen in een bak bij de deur.
Op de poef bij het raam
Timo en Sam klommen samen op de grote blauwe poef bij het raam. Mama bracht twee mokken warme chocomelk en een bordje met mandarijnpartjes.
“Laat jullie winterhoofden maar werken,” glimlachte ze.
Buiten dwarrelden nieuwe kleine vlokjes naar beneden. Binnen was het warm en zacht. Het glas van het raam was koud, maar de kamer rook naar chocomelk en mandarijn.
“Oké,” zei Timo. “We moeten een spel bedenken dat we altijd kunnen doen als het winter is. Als het al donker is of als het te koud is buiten. Maar het moet wel leuk zijn.”
Sam keek naar de straat. “We kunnen mensen tellen met een rode sjaal,” stelde hij voor.
“En we geven ze een naam,” zei Timo. “Die meneer daar… dat is Meneer Sneeuwschoenen.”
Ze gniffelden. Ze keken naar buiten en verzonnen namen voor iedereen die voorbij kwam: Mevrouw Snelsjaal, Jongen Zonder Muts, Meneer Lange Jas.
Na een tijdje zei Timo: “We kunnen ook een winterverhalenspel doen. Om de beurt een stukje.”
“Hoe werkt dat?” vroeg Sam.
Timo voelde een klein sprongetje in zijn buik. Hij durfde zijn eigen spel uit te leggen. “Ehm… ik begin met één zin. Jij zegt dan de volgende zin. En samen maken we een verhaal. Over wat we buiten zien.”
Sam knikte enthousiast. “Oké! Begin jij maar.”
Timo keek naar de straat, naar de hele lichte lucht en de kleine sneeuwvlokjes. “Er liep een meisje over de stoep,” begon hij langzaam, “en ze zocht iets in de sneeuw.”
“Ze zocht haar verdwenen sneeuwhandschoen,” zei Sam, “en elke stap maakte ‘krak' onder haar voeten.”
Ze gingen zo door. Af en toe moesten ze lachen om hun eigen ideeën. Soms wist Timo even geen zin. Dan keek hij naar buiten en luisterde naar het zachte tikken van de verwarming.
“Ik weet niks,” zei hij een keer zacht.
“Geeft niet,” zei Sam. “Kijk nog eens. Misschien zie je dan wat.”
Timo kneep zijn ogen een beetje dicht, keek naar de boom zonder bladeren en naar de dunne laag sneeuw op de takken. “Oké,” zei hij. “De boom fluisterde tegen haar dat de handschoen onder het bankje lag.”
“Ja!” riep Sam. “En toen vond ze hem!”
Ze klapten zacht in hun handen, zodat de mokken niet omvielen.
Mama gluurde even om de hoek. Ze zag de twee jongens op de poef, dicht bij elkaar, lachend en pratend. Ze zei niets en liep stil weer weg.
Warme glimlachen in de winter
Buiten werd de lucht langzaam donkerder. De lantaarnpaal op de hoek knipperde even en ging toen aan. De gele gloed viel op de natte stoep en de witte restjes sneeuw.
Binnen trokken Timo en Sam de deken van de bank naar de poef. Ze legden hem over hun benen. Hun voeten waren warm, hun handen plakkerig van de mandarijn.
“Wat als we morgen ook niet buiten kunnen spelen?” vroeg Sam. “Als het regent of nog kouder is?”
Timo keek naar hem en voelde even een klein knoopje in zijn buik. Maar toen dacht hij aan hun spel. Aan alle namen, aan het verhaal over het meisje en de boom.
“Dan komen we gewoon weer hier zitten,” zei hij rustig. “Op de poef. We kunnen altijd een nieuw winters spel bedenken. We zijn daar goed in.”
Sam glimlachte. “Ja,” zei hij. “We zijn daar heel goed in.”
Timo voelde zich ineens groter vanbinnen. Hij had zelf een oplossing gevonden. Hij kon de winter aan. Niet alleen, maar samen, met zijn vriend.
Mama kwam de kamer in. “Jongens,” zei ze zacht, “het is bijna etenstijd. Tijd voor Sam om naar huis te gaan.”
Sam zuchtte een beetje, maar hij stond toch op. Hij trok zijn jas weer aan bij de deur. Timo liep met hem mee, tot bij het raam.
“Tot morgen?” vroeg Sam.
“Ja,” zei Timo. “Of het nou koud is of niet. We vinden wel iets om te spelen.”
Sam lachte breed. “We hebben de poef,” zei hij.
“En onze winterhoofden,” lachte Timo.
Sam stapte naar buiten en liep de straat in. Hij draaide zich nog één keer om. Door het raam heen keken Timo en Sam elkaar aan. Ze dachten allebei aan hun sneeuwspelletjes, aan de verhalen en de warme deken.
Ze gaven elkaar nog één lange glimlach, zo warm als chocomelk. Buiten was de wereld koud en stil, maar in Timo's hart voelde de winter nu zacht en licht. Hij wist: met een beetje moed en met goede ideeën kon hij zich in elke winter fijn voelen.